Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5676
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBOBR:2026:5678 → ECLI:NL:RBOBR:2026:5676
Inhoudsindicatie
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing voor drie maanden en houdt iedere verdere beslissing op verzoek GI aan. Meer informatie van GI nodig om het perspectiefbesluit te kunnen beoordelen in de context van het verzoek tot verlenging van de machtiging. Ouders hebben recht op kans om te laten zien of zij minderjarige zelf kunnen verzorgen en opvoeden en hiervoor duidelijke criteria te krijgen aangereikt. Conclusie perspectiefbesluit mogelijk hetzelfde, maar duidelijkheid over gestelde voorwaarden en onderbouwing ontbreekt nu. De kinderrechter wijst het verzoek van de GI tot vervanging van de GI af. De GI heeft onvoldoende onderbouwd dat deze vervanging op dit moment in het belang is van de minderjarige. Gezamenlijke uitvoering van de ondertoezichtstelling?
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2023:1148 Hoge Raad 01-09-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (23.208 tekens)
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers: C/01/423858 / JE RK 26-273 en C/01/424050 / JE RK 26-302
Datum uitspraak: 15 april 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaken van
de gecertificeerde instelling STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, gevestigd te 's-Hertogenbosch,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige]
, geboren op [datum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder]
,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. B.G.M. Frencken,
[de vader]
,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. W. Vahl.
In de zaak met zaaknummer 424050 / JE RK 26-302 merkt de rechtbank aan als informant:
BUREAU JEUGDZORG LIMBURG, regio ZUID-LIMBURG,
hierna te noemen: Bureau Jeugdzorg Limburg (BJL),
[vestigingsplaats] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter heeft in de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273 kennis genomen van de volgende stukken:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 2 maart 2026;
een F2-formulier van mr. Vahl van 31 maart 2026 met als bijlage een brief van de vader en een brief van de partner van de vader;
1.2.
De kinderrechter heeft in de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273 kennis genomen van de volgende stukken:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 9 maart 2026.
twee brieven van de GI van 9 maart 2026;
een F2-formulier van mr. Vahl van 31 maart 2026 met als bijlage een brief van de vader en een brief van de partner van de vader.
1.3.
De zitting met gesloten deuren in deze zaken heeft plaatsgevonden op 2 april 2026, samen met de nadere zitting in de procedure tussen de ouders, bekend onder zaaknummer 401803 / FA RK 24-698. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met mr. Vahl;
- de moeder met mr. Frencken;
[medewerker GI] namens de GI;
[medewerker BJL] namens BJL;
[medewerker raad] namens de raad.
2De feiten
2.1.
De ouders hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben met elkaar
samengewoond. [de minderjarige] is tijdens die relatie geboren. De vader heeft [de minderjarige] erkend. Het
gezag over [de minderjarige] berust bij de ouders. De relatie van de ouders is geëindigd in september 2022. Daarna woonde [de minderjarige] bij de moeder.
2.2.
Bij beschikking van de kinderrechter van 16 april 2024 is [de minderjarige] onder toezicht
gesteld van de GI voor de duur van een jaar, dus tot 16 april 2025. Die maatregel is daarna
verlengd bij beschikking van 25 maart 2025 tot 16 april 2026.
2.3.
Na het verbreken van de relatie tussen de ouders, heeft [de minderjarige] enige tijd wisselend wel en geen contact gehad met de vader. Sinds de start van de ondertoezichtstelling is het contact tussen [de minderjarige] en de vader onder regie van de GI weer opgestart.
2.4.
Bij beschikking van 30 juli 2024 heeft de kinderrechter een machtiging verleend
tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een netwerkpleeggezin, dan wel een voorziening voor
pleegzorg, dan wel een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van vier
weken. Sinds 31 juli 2024 heeft [de minderjarige] onafgebroken met een machtiging van de kinderrechter verbleven buiten het gezin van ieder van de ouders. De huidige machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening, die is verleend bij beschikking van 24 oktober 2025, loopt tot 16 april 2026.
2.5.
Sinds 25 juni 2025 verblijft [de minderjarige] in een gezinshuis in [plaats] . Dit is een perspectief biedende plek. De GI heeft begin 2026 een perspectiefbesluit genomen. Dit besluit houdt in dat [de minderjarige] zal opgroeien in het gezinshuis en niet bij (één van) de ouders.
2.6.
In de bij deze rechtbank ook aanhangige procedure tussen de ouders met
zaaknummer 401803 / FA RK 24-698 heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, bij beschikking van 14 maart 2025 een voorlopige regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling) vastgesteld die inhoudt dat [de minderjarige] en de vader ten minste gerechtigd zijn tot contact met elkaar gedurende vier uur per twee weken en waarbij de regie over de uitbreiding van de contactregeling qua aard, duur en frequentie bij de GI ligt.
2.7.
De vader heeft inmiddels iedere donderdag contact met [de minderjarige] , waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt uit school en hem om 19:00 uur terugbrengt naar het gezinshuis. Daarnaast haalt de vader [de minderjarige] eenmaal per drie weken op zaterdagochtend om 09:00 uur op bij het gezinshuis en brengt hij hem om 14:15 uur naar de scouting.
2.8.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 1 september 2025 op verzoek van de GI de volgende zorgregeling vastgesteld tussen de moeder en [de minderjarige] :
- met ingang van 1 september 2025 vindt er eenmaal per drie weken telefonisch
contact plaatst tussen de moeder en [de minderjarige] ;
- verdere uitbreiding van het contact tussen de moeder en [de minderjarige] vindt plaats onder
regie van de GI. Het streven is om [de minderjarige] in een vaste frequentie contact te laten
hebben met zijn moeder, op een manier die passend is bij zijn proces en geen
bedreiging veroorzaakt voor de verdere ontwikkeling van [de minderjarige] .
2.9.
Inmiddels is er wekelijks belcontact tussen [de minderjarige] en de moeder. Daarnaast is de gezinshuisouder onlangs een keer met [de minderjarige] bij de moeder op bezoek geweest en op de verjaardag van [de minderjarige] is de moeder op bezoek geweest bij [de minderjarige] in het gezinshuis.
2.10.
De moeder heeft drie kinderen uit een eerdere relatie. Deze kinderen wonen niet bij
haar.
2.11.
De vader heeft een nieuwe partner met wie hij op [datum] is gehuwd.
3Het verzoek
3.1.
In de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273 verzoekt de GI de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
In de zaak met zaaknummer 424050 / JE RK 26-302 verzoekt de GI de kinderrechter om de GI, die de ondertoezichtstelling uitvoert, te vervangen door de gecertificeerde instelling Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4De standpunten
4.1.
De moeder verzet zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. Zij verzet zich ook niet zozeer tegen een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, maar zij is het niet eens met het perspectiefbesluit dat de GI heeft genomen. Volgens de moeder staat zij er heel anders voor dan twee jaar geleden. Zij vindt dat de GI onvoldoende informatie heeft om te kunnen beslissen dat [de minderjarige] niet bij haar kan opgroeien. De moeder voelt zich achtergesteld ten opzichte van de vader, omdat zij minder contact heeft met [de minderjarige] dan de vader. Dit terwijl de contacten die de moeder met [de minderjarige] heeft goed verlopen.
De moeder is het eens met het verzoek tot vervanging van de GI. De moeder ervaart geen prettige samenwerking met de huidige jeugdbeschermer van de GI.
4.2.
De vader verzet zich niet tegen een verlenging van de ondertoezichtstelling. Hij verzet zich ook niet zozeer tegen een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing, maar hij is het niet eens met het perspectiefbesluit dat de GI heeft genomen. Volgens de vader heeft de GI onvoldoende informatie om dat besluit te kunnen nemen.
De vader verzet zich niet tegen het verzoek tot vervanging van de GI. Waar hij zich wel zorgen over maakt is dat een vervanging van de GI ertoe zal leiden dat de nieuwe GI weer helemaal opnieuw moet beginnen. Dat vindt de vader niet in het belang van [de minderjarige] .
5De beoordeling
Verlenging ondertoezichtstelling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd. [de minderjarige] is een zeer kwetsbaar jongetje met een belast verleden. Hierdoor laat [de minderjarige] complex trauma gerelateerd gedrag zien, zoals agressie, zichzelf pijn doen, schreeuwen en het in extreme mate opzoeken van grenzen. Er is sprake van een onveilige hechting. Hij heeft veel last van de onduidelijkheid over waar hij kan opgroeien.
5.3.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Gelet op de complexiteit van de problematiek van [de minderjarige] , de persoonlijke situatie van de ouders en het gebrek aan een constructieve communicatie tussen de ouders, is een neutrale regievoerder nodig.
5.4.
De ondertoezichtstelling is daarom nog steeds nodig. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] voor de duur van een jaar.
Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
5.5.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] is naar het oordeel van de kinderrechter noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] . De problematiek van [de minderjarige] die hiervoor onder 5.2 is beschreven, maakt dat [de minderjarige] een bijzondere opvoedbehoefte heeft. Beide ouders kunnen op dit moment niet voldoen aan die bijzondere opvoedbehoefte. Daarnaast moet de traumabehandeling van [de minderjarige] nog starten. De kinderrechter zal de machtiging tot uithuisplaatsing dus verlengen.
5.6.
De kinderrechter ziet wel aanleiding om de verlenging van de machtiging in tijdsduur te beperken tot drie maanden en de beslissing op het verzoek voor het overige aan te houden. Hierna legt de kinderrechter uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.7.
De GI heeft begin 2026 het perspectiefbesluit genomen dat [de minderjarige] zal opgroeien in het gezinshuis en niet bij (één van) de ouders. Beide ouders zijn het met dat besluit niet eens. Zij vinden, ieder om andere redenen, dat onvoldoende vaststaat dat het niet in het belang is van [de minderjarige] om bij (één van) de ouders op te groeien. Beide ouders willen weten wat zij moeten doen, wil het in het belang zijn van [de minderjarige] om toe te kunnen werken naar een thuisplaatsing.
5.8.
In de uitspraak van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) heeft de Hoge Raad, voor zover hier van belang, geoordeeld dat de kinderrechter een perspectiefbesluit moet beoordelen als dat nodig is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Het hier voorliggende verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing is zo’n verzoek. De GI vindt namelijk dat de machtiging moet worden verlengd, onder meer om de toekomst van [de minderjarige] in het gezinshuis te waarborgen. Gelet op het verweer van ieder van de ouders zal de kinderrechter hierna het perspectiefbesluit van de GI in de beoordeling betrekken.
5.9.
De kinderrechter stelt voorop dat duidelijk is dat [de minderjarige] door zijn belaste verleden en kind-eigen problematiek een zeer specifieke opvoedbehoefte heeft. Dit vraagt van zijn opvoeders bovengemiddelde pedagogische vaardigheden, waaronder een trauma sensitieve aanpak in de opvoeding. Nog meer dan een ander kind, heeft [de minderjarige] rust, regelmaat en duidelijkheid nodig, zodat hij zich fysiek en emotioneel veilig kan voelen. Hij heeft het nodig dat zijn opvoeders moeilijk gedrag begrijpen en daar op een voor hem veilige en voorspelbare manier op kunnen reageren.
5.10.
De GI en ook de raad tijdens de mondelinge behandeling, stellen zich op het standpunt dat de aanvaardbare termijn voor [de minderjarige] om onduidelijkheid te ervaren over zijn toekomstperspectief is verstreken en dat duidelijk is dat beide ouders [de minderjarige] als opvoeders niet kunnen bieden wat hij nodig heeft. Daarom heeft de GI het perspectiefbesluit genomen dat [de minderjarige] zal opgroeien in het gezinshuis. Ter toelichting op dat besluit heeft de GI in het verzoekschrift en tijdens de zitting naar voren gebracht dat de moeder een lichte verstandelijke beperking heeft en kampt met trauma’s. De huidige contacten van de moeder met [de minderjarige] verlopen positief en de moeder heeft een goed contact met de gezinshuisouder. Maar, de moeder kan door haar problematiek niet reflecteren op haar aandeel in de situatie en legt de oorzaak van de problemen buiten zichzelf.
De vader is liefdevol naar [de minderjarige] , maar laat volgens de GI weinig leerbaarheid zien in de psycho-educatie door Xonar en hij begrijpt niet dat hij [de minderjarige] te veel prikkels biedt door zijn aanpak. Ook is de woonsituatie van de vader, een eenkamerappartement, in de visie van de GI ontoereikend voor een kind met [de minderjarige] zorgbehoefte. Er is verder weinig contact tussen de vader en de gezinshuisouder en dit belemmert de samenwerking.
5.11.
Beide ouders hebben naar voren gebracht dat voor hen nog steeds onduidelijk is aan welke voorwaarden zij moeten voldoen, wil het in het belang zijn van [de minderjarige] dat wordt toegewerkt naar een terugplaatsing van [de minderjarige] bij (één van) hen.
Volgens de vader concludeert Xonar zelf dat de psycho-educatie niet goed van de grond komt, omdat zich gedurende de omgangsmomenten van [de minderjarige] met de vader onvoldoende realistische opvoedsituaties voordoen om de psycho-educatie in te zetten. De GI erkent dit. De GI erkent ook dat aan de vader een boekje is verstrekt over traumasensitief opvoeden, maar dat dit boekje (nog) niet met de vader is besproken. De GI betwist niet de stelling van de vader dat hij heeft voorgesteld om video interactie in te zetten, maar dat daarop niet is gereageerd. De onrust bij [de minderjarige] na contactmomenten met de vader, die de GI beschrijft in haar verzoek, is gebaseerd op waarnemingen van de gezinshuisouder. Voor zover bekend heeft Xonar [de minderjarige] nog niet geobserveerd in de opvoedsituatie bij de gezinshuisouder. Het was wel de bedoeling dat dit zou gebeuren.
De GI heeft tijdens de zitting benoemd dat de moeder geen eerlijke kans krijgt door de verstoorde verstandhouding tussen de moeder en de jeugdbeschermer. Door die verstoorde verstandhouding is tussen hen niet of nauwelijks een constructieve communicatie mogelijk.
BJL heeft tijdens de zitting opgemerkt dat duidelijk is dat [de minderjarige] behoefte heeft aan duidelijkheid, maar zij betwijfelt of voldoende is ingezet om de ouders een reële kans te bieden zich te bewijzen of hen duidelijkheid te bieden over de redenen waarom het niet in het belang is van [de minderjarige] om bij hen op te groeien.
5.12.
De kinderrechter is van oordeel dat meer informatie van de GI nodig is om het perspectiefbesluit te kunnen beoordelen in de context van de machtiging tot uithuisplaatsing. De kinderrechter realiseert zich dat dit voor [de minderjarige] betekent dat hij nog langer moet wachten op duidelijkheid over waar hij mag opgroeien. De ouders hebben er echter ook recht op de kans te krijgen te laten zien dat zij [de minderjarige] zelf kunnen verzorgen en opvoeden en hiervoor duidelijke criteria te krijgen aangereikt waar zij aan moeten voldoen volgens de GI. De ouders hebben er daarnaast recht op, als blijkt dat zij [de minderjarige] niet zelf kunnen verzorgen en opvoeden, duidelijkheid te hebben over de redenen waarom dat bezien vanuit het belang van [de minderjarige] niet kan. De kinderrechter merkt op dat de conclusie van het perspectiefbesluit in dat geval mogelijk dezelfde is, maar dat dit met een goede onderbouwing tot meer begrip en acceptatie kan leiden. De kinderrechter merkt ook op dat het van belang is dat er snel actie wordt ondernomen door de GI, zodat de onder 5.11 genoemde factoren worden aangepakt en er over drie maanden een compleet beeld is van de situatie bij de ouders.
5.13.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Vervanging GI
5.14.
De kinderrechter kan de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling (artikel 1:259 BW).
5.15.
De GI heeft ter onderbouwing van haar verzoek naar voren gebracht dat zij het perspectiefbesluit heeft genomen dat [de minderjarige] gaat opgroeien in het gezinshuis waar hij nu verblijft in de regio [plaats] . De GI is niet werkzaam in die regio. Hierdoor kan de GI niet eenvoudig samenwerken en afstemmen met de bij [de minderjarige] betrokken instanties zoals school en hulpinstanties. De GI heeft ook uitgelegd dat zij onvoldoende zicht heeft op de leefomgeving waarin [de minderjarige] zich zal gaan ontwikkelen. Daarnaast is de samenwerkingsrelatie van de moeder met de jeugdbeschermer ernstig ontwricht. Dit maakt het moeilijker om de veiligheid, de ontwikkeling en het perspectief van [de minderjarige] te waarborgen.
5.16.
BJL heeft tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij zich nog niet bereid heeft verklaard de ondertoezichtstelling uit te voeren, omdat zij vindt dat eerst het perspectief van [de minderjarige] duidelijk moet zijn en er duidelijkheid moet zijn over het gezag. Zou de uitvoering van de ondertoezichtstelling nu overgaan naar BJL, dan moet BJL meteen een verzoek tot onderzoek naar het gezag gaan doen. Zij vreest dat zij dan meteen de samenwerking met de ouders verliest. BJL heeft gezegd dat zij wel reeds nu bereid is samen met de GI de uitvoering van de ondertoezichtstelling op te pakken.
5.17.
De GI heeft daarop gezegd dat een samenwerking een werkbare oplossing zou kunnen zijn. De GI kon op zitting niet aangeven wat een dergelijke samenwerking zou moeten betekenen voor het verzoek vervanging GI dat voorligt. De GI heeft toegezegd binnen een week na de zitting de kinderrechter te laten weten of zij het verzoek vervanging GI handhaaft of intrekt. De kinderrechter heeft binnen die termijn van de GI geen bericht ontvangen.
5.18.
De kinderrechter zal het verzoek afwijzen. De kinderrechter is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de GI onvoldoende heeft onderbouwd dat het op dit moment in het belang is van [de minderjarige] dat de GI wordt vervangen door BJL. Gelet op de korte termijn waarin er voor [de minderjarige] veel moet gebeuren, acht de rechtbank het niet in zijn belang dat er nu een vervanging plaatsvindt, omdat een nieuwe GI tijd nodig zal hebben om op te starten. Een bereidverklaring van BJL ontbreekt bovendien. Daarnaast is nog onduidelijk of vervanging door BJL of de William Schrikker Stichting passend zou zijn, zoals tijdens de mondelinge behandeling is besproken. Wel kan de rechtbank zich voorstellen dat de huidige GI met de beoogde nieuwe GI gaat samenwerken in deze zaak, om een nieuwe blik toe te voegen.
6De beslissing
De kinderrechter:
In de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] tot 16 april 2027;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 16 juli 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking, tot zover, uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt iedere verdere beslissing op het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing aan en bepaalt een nadere zitting op 25 juni 2026 om 10:00 uur;
In de zaak met zaaknummer 424050 / JE RK 26-302:
6.5.
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.S. Verstraelen, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 15 april 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof ‘s-Hertogenbosch. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Artikel 1:260 BW.
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.