Rechtbank Oost-Brabant
ECLI:NL:RBOBR:2026:5678
2026-07-09
Civiel recht; Personen- en familierecht
C/01/401803 / FA RK 24-698
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- tussenuitspraak ECLI:NL:RBOBR:2026:5678 → ECLI:NL:RBOBR:2026:5676
Inhoudsindicatie
Vervolg op beschikking 15 april 2026 [al eerder aangeboden ter publicatie: ECLI:NL:RBOBR:2026:5676] GI kiest er bewust voor de opdracht van de kinderrechter in de beschikking van 15 april 2026 slechts gedeeltelijk uit te voeren. De ouders krijgen onvoldoende uitleg over de redenen waarom de GI vindt dat kind niet meer bij hen kan wonen. Kinderrechter onderschrijft wel het perspectiefbesluit. Zorgen over ontwikkeling kind zijn de afgelopen maanden toegenomen, in elk geval deels door de onduidelijkheid die kind ervaart over zijn toekomstperspectief. Kind kan niet langer wachten.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.193 tekens)
beschikking
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/401803 / FA RK 24-698
Uitspraak : 9 juli 2026
Beschikking over hoofdverblijf, regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
voorheen advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren,
tegen
[de moeder]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B.G.M. Frencken,
over de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren te [plaats] op [datum] , hierna te noemen: [de minderjarige] .
Ten aanzien van het verzoek over de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken merkt de rechtbank aan als belanghebbende:
de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, statutair gevestigd te Eindhoven, locatie ‘s-Hertogenbosch, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
voor de overige verzoeken merkt de rechtbank de GI aan als informant.
In het kader van zijn wettelijke taak is in de procedure betrokken:
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie Eindhoven, hierna te noemen: de raad.
Deze beschikking volgt op de beschikking van 1 juni 2026.
1De verdere procedure
1.1.
Bij de beschikking van 1 juni 2026 heeft de rechtbank iedere beslissing over het hoofdverblijf en de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken nader aangehouden, met het verzoek aan de GI om de rechtbank schriftelijk te informeren over het verloop van de ondertoezichtstelling, waarna de (advocaten van) de ouders in de gelegenheid zullen worden gesteld hier binnen twee weken op te reageren en daarbij aan te geven wat dit betekent voor de gedane verzoeken en de verdere procedure;
1.2.
Na de beschikking van 1 juni 2026 heeft de rechtbank nog kennisgenomen van:
een bericht met bijlage van mr. Frencken van 16 juni 2026.
een brief met bijlagen van de GI van 18 juni 2026;
een brief van de GI van 19 juni 2026.
1.3.
De zaak is nader mondeling behandeld op 25 juni 2026, samen met de (nadere) mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met mr. Frencken;
de vader met mr. Vahl;
[medewerker GI 1] en [medewerker GI 2] namens de GI;
[medewerker raad] namens de raad.
Tevens heeft de kinderrechter bijzondere toegang verleend aan twee begeleiders van de moeder verbonden aan Amarant, om als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.
2De verdere beoordeling
2.1.
In de beschikking van 1 juni 2026 heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken van de vader over het hoofdverblijf en de zorgregeling nader aangehouden, omdat de kinderrechter in de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273 de beslissing over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing deels heeft aangehouden en het perspectief van [de minderjarige] nog niet duidelijk was.
Hoofdverblijf
2.2.
In de beschikking van vandaag in de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273 heeft de kinderrechter het resterende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 16 april 2027 toegewezen. Daarbij heeft de kinderrechter het perspectiefbesluit onderschreven.
2.3.
Omdat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet bij de vader is, ziet de rechtbank geen aanleiding om het hoofdverblijf van [de minderjarige] te wijzigen en te bepalen dat dit voortaan bij de vader is.
2.4.
De rechtbank zal dus het verzoek van de vader over het hoofdverblijf hierna bij de beslissing afwijzen.
Zorgregeling
2.5.
Na het debat tijdens de mondelinge behandeling van 25 juni 2026 heeft de vader zijn verzoek over de zorgregeling gewijzigd. De vader verzoekt nu een zorgregeling vast te stellen zoals die nu wordt uitgevoerd en daarbij te bepalen dat die regeling onder regie van de GI en in overleg met Plinthos wordt uitgebreid. De vader heeft op dit moment iedere donderdag contact met [de minderjarige] , waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt uit school en hem om 19:00 uur terugbrengt naar het gezinshuis. Daarnaast haalt de vader [de minderjarige] eenmaal per drie weken op zaterdagochtend om 09:00 uur op bij het gezinshuis en brengt hij hem om 14:15 uur naar de scouting.
2.6.
De moeder heeft haar zorgen geuit over het contact tussen [de minderjarige] en zijn vader.
2.7.
Uit de brief van de GI van 18 juni 2026 en uit wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 25 juni 2026 blijkt dat [de minderjarige] in toenemende mate zorgelijk gedrag laat zien rondom de contactmomenten met de vader, mogelijk door de onduidelijkheid over zijn opgroeiperspectief. [de minderjarige] staat aan het begin van een traject voor traumabehandeling door Plinthos. Plinthos geeft aan dat [de minderjarige] door het fysieke contact met de vader wordt geconfronteerd met gevoelens van onveiligheid. De GI wil met Plinthos bezien welke zorgregeling in het belang is van [de minderjarige] . De raad onderschrijft dit.
2.8.
De rechtbank kan er niet op vooruitlopen wat de hiervoor genoemde zorgen en de traumabehandeling van [de minderjarige] moeten betekenen voor de zorgregeling in de toekomst. De rechtbank zal daarom, conform het verzoek van de vader, de regeling zoals die nu in de praktijk wordt uitgevoerd vaststellen als minimale zorgregeling en bepalen dat de zorgregeling onder regie van de GI en in overleg met Plinthos kan worden uitgebreid.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
stelt een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast die inhoudt dat de vader ten minste gerechtigd is tot contact met [de minderjarige] :
iedere donderdag, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt uit school en hem om 19:00 uur terugbrengt naar het gezinshuis;
eenmaal per drie weken op zaterdagochtend om 09:00 uur op bij het gezinshuis en brengt hij hem om 14:15 uur naar de scouting;
welke zorgregeling onder regie van de GI en in overleg met Plinthos kan worden uitgebreid;
3.2.
wijst het meer of anders verzochte af;
3.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.S. Verstraelen, rechter, tevens kinderrechter,
en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 9 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
RECHTBANK OOST-BRABANT
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer : C/01/401803 / FA RK 24-698
Uitspraak : 9 juli 2026
Beschikking over hoofdverblijf, regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de zaak van
[de vader] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen: de vader,
voorheen advocaat mr. E.C.A.E. Verschuren,
tegen
[de moeder]
,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat: mr. B.G.M. Frencken,
over de minderjarige:
- [de minderjarige] , geboren te [plaats] op [datum] , hierna te noemen: [de minderjarige] .
Ten aanzien van het verzoek over de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken merkt de rechtbank aan als belanghebbende:
de STICHTING JEUGDBESCHERMING BRABANT, statutair gevestigd te Eindhoven, locatie ‘s-Hertogenbosch, hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI),
voor de overige verzoeken merkt de rechtbank de GI aan als informant.
In het kader van zijn wettelijke taak is in de procedure betrokken:
de RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, locatie Eindhoven, hierna te noemen: de raad.
Deze beschikking volgt op de beschikking van 1 juni 2026.
1De verdere procedure
1.1.
Bij de beschikking van 1 juni 2026 heeft de rechtbank iedere beslissing over het hoofdverblijf en de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken nader aangehouden, met het verzoek aan de GI om de rechtbank schriftelijk te informeren over het verloop van de ondertoezichtstelling, waarna de (advocaten van) de ouders in de gelegenheid zullen worden gesteld hier binnen twee weken op te reageren en daarbij aan te geven wat dit betekent voor de gedane verzoeken en de verdere procedure;
1.2.
Na de beschikking van 1 juni 2026 heeft de rechtbank nog kennisgenomen van:
een bericht met bijlage van mr. Frencken van 16 juni 2026.
een brief met bijlagen van de GI van 18 juni 2026;
een brief van de GI van 19 juni 2026.
1.3.
De zaak is nader mondeling behandeld op 25 juni 2026, samen met de (nadere) mondelinge behandeling in de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met mr. Frencken;
de vader met mr. Vahl;
[medewerker GI 1] en [medewerker GI 2] namens de GI;
[medewerker raad] namens de raad.
Tevens heeft de kinderrechter bijzondere toegang verleend aan twee begeleiders van de moeder verbonden aan Amarant, om als toehoorder bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn.
2De verdere beoordeling
2.1.
In de beschikking van 1 juni 2026 heeft de rechtbank de beslissing op de verzoeken van de vader over het hoofdverblijf en de zorgregeling nader aangehouden, omdat de kinderrechter in de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273 de beslissing over de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing deels heeft aangehouden en het perspectief van [de minderjarige] nog niet duidelijk was.
Hoofdverblijf
2.2.
In de beschikking van vandaag in de zaak met zaaknummer 423858 / JE RK 26-273 heeft de kinderrechter het resterende verzoek van de GI tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] tot 16 april 2027 toegewezen. Daarbij heeft de kinderrechter het perspectiefbesluit onderschreven.
2.3.
Omdat het opgroeiperspectief van [de minderjarige] niet bij de vader is, ziet de rechtbank geen aanleiding om het hoofdverblijf van [de minderjarige] te wijzigen en te bepalen dat dit voortaan bij de vader is.
2.4.
De rechtbank zal dus het verzoek van de vader over het hoofdverblijf hierna bij de beslissing afwijzen.
Zorgregeling
2.5.
Na het debat tijdens de mondelinge behandeling van 25 juni 2026 heeft de vader zijn verzoek over de zorgregeling gewijzigd. De vader verzoekt nu een zorgregeling vast te stellen zoals die nu wordt uitgevoerd en daarbij te bepalen dat die regeling onder regie van de GI en in overleg met Plinthos wordt uitgebreid. De vader heeft op dit moment iedere donderdag contact met [de minderjarige] , waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt uit school en hem om 19:00 uur terugbrengt naar het gezinshuis. Daarnaast haalt de vader [de minderjarige] eenmaal per drie weken op zaterdagochtend om 09:00 uur op bij het gezinshuis en brengt hij hem om 14:15 uur naar de scouting.
2.6.
De moeder heeft haar zorgen geuit over het contact tussen [de minderjarige] en zijn vader.
2.7.
Uit de brief van de GI van 18 juni 2026 en uit wat is besproken tijdens de mondelinge behandeling van 25 juni 2026 blijkt dat [de minderjarige] in toenemende mate zorgelijk gedrag laat zien rondom de contactmomenten met de vader, mogelijk door de onduidelijkheid over zijn opgroeiperspectief. [de minderjarige] staat aan het begin van een traject voor traumabehandeling door Plinthos. Plinthos geeft aan dat [de minderjarige] door het fysieke contact met de vader wordt geconfronteerd met gevoelens van onveiligheid. De GI wil met Plinthos bezien welke zorgregeling in het belang is van [de minderjarige] . De raad onderschrijft dit.
2.8.
De rechtbank kan er niet op vooruitlopen wat de hiervoor genoemde zorgen en de traumabehandeling van [de minderjarige] moeten betekenen voor de zorgregeling in de toekomst. De rechtbank zal daarom, conform het verzoek van de vader, de regeling zoals die nu in de praktijk wordt uitgevoerd vaststellen als minimale zorgregeling en bepalen dat de zorgregeling onder regie van de GI en in overleg met Plinthos kan worden uitgebreid.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
stelt een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken vast die inhoudt dat de vader ten minste gerechtigd is tot contact met [de minderjarige] :
iedere donderdag, waarbij de vader [de minderjarige] ophaalt uit school en hem om 19:00 uur terugbrengt naar het gezinshuis;
eenmaal per drie weken op zaterdagochtend om 09:00 uur op bij het gezinshuis en brengt hij hem om 14:15 uur naar de scouting;
welke zorgregeling onder regie van de GI en in overleg met Plinthos kan worden uitgebreid;
3.2.
wijst het meer of anders verzochte af;
3.3.
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. I.S. Verstraelen, rechter, tevens kinderrechter,
en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 9 juli 2026.
Tegen deze beschikking kan, voor zover het een eindbeslissing betreft, -uitsluitend door tussenkomst van een advocaat- hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof 's-Hertogenboscha. door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraakb. door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.