Rechtbank Noord-Holland
ECLI:NL:RBNHO:2026:8315
Inhoudsindicatie
De rechtbank wijst de primaire vordering van de curator tegen de bestuurder van de failliete vennootschap tot vergoeding van het faillissementstekort af. De bestuurder heeft de curator toegang verleend tot de online administratie. Op de curator rust vervolgens de verplichting die administratie veilig te stellen. De curator kan daarom niet volstaan met de stelling dat de bestuurder niet heeft voldaan aan de administratieverplichting omdat hij geen kopie van de online administratie aan de curator heeft verstrekt. De rechtbank wijst de (meer) subsidiaire vordering van de curator toe tot terugbetaling aan de boedel van de betalingen die de bestuurder zonder grondslag heeft gedaan aan zichzelf en een gelieerde vennootschap terwijl hij wist dat het faillissement van de vennootschap was aangevraagd. Ook moet de bestuurder een vordering uit een rekening-courantverhouding met de failliete vennootschap terugbetalen aan de boedel.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (43.041 tekens)
Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/362363 / HA ZA 25-100
Vonnis in verzet van 8 april 2026
in de zaak van
[eiser] , in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement
van [bedrijf 1] B.V.,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. M.T.W. Wijling,
tegen
[gedaagde]
,
te [plaats 2],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.W.E. Vermeer.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de inleidende dagvaarding met producties van de curator
- het verstekvonnis van 8 januari 2025 met zaaknummer C/15/359516 / HA ZA 24-665 gewezen tegen [gedaagde] , Dolfijn Bouw B.V. en Aymeks Group B.V.
- de verzetdagvaarding van [gedaagde]
- het tussenvonnis van 16 april 2025 waarin een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte aanvullende producties van de curator
- de mondelinge behandeling van 13 maart 2026 waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij door de advocaten pleitaantekeningen zijn overgelegd
- de tijdens de mondelinge behandeling door [gedaagde] overgelegde financiële stukken van [bedrijf 1] over 2024, opgesteld door Administratiekantoor [bedrijf 2].
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[gedaagde] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), een schoonmaakbedrijf dat vooral in de hotelbranche actief was.
2.2.
[gedaagde] is tevens enig aandeelhouder en bestuurder van Dolfijn Bouw B.V. (hierna: Dolfijn) en Aymeks Group B.V. (hierna: Aymeks).
2.3.
Op 24 april 2024 hebben stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor het Schoonmaak- en Glazenwassersbedrijf en de stichting Raad voor Arbeidsverhoudingen Schoonmaak- en Glazenwassersbranche wegens het onbetaald laten van pensioenpremies het faillissement van [bedrijf 1] aangevraagd. Op 16 juli 2024 is [gedaagde] op dit verzoek gehoord door de rechtbank. Bij vonnis van 13 augustus 2024 is [bedrijf 1] failliet verklaard, met benoeming van [eiser] als curator.
2.4.
In de periode 4 mei tot en met 11 augustus 2024 heeft [gedaagde] in totaal € 4.310,- vanuit [bedrijf 1] overgeboekt naar zichzelf. In de periode 12 juli 2024 tot en met 13 augustus 2024 heeft [gedaagde] vanuit [bedrijf 1] in totaal € 11.130,- betaald aan Dolfijn.
2.5.
Vanaf 13 augustus 2024 heeft de curator [gedaagde] meerdere keren gevraagd om afgifte van de administratie van [bedrijf 1] . Ondanks toezeggingen heeft [gedaagde] alleen de jaarrekening 2021-2022 en een zevental facturen verstrekt.
2.6.
Uit de jaarrekening 2021-2022 blijkt dat [bedrijf 1] per 31 december 2022 drie rekening-courantvorderingen had: een vordering van € 26.955,- op Dolfijn, een vordering van € 89.641,- op Aymeks en een vordering van € 59.118,- op [gedaagde] in privé. Op 17 september 2024 heeft de curator Dolfijn, Aymeks en [gedaagde] gesommeerd tot terugbetaling van de genoemde bedragen.
2.7.
In februari 2025 heeft [gedaagde] aan Exact verzocht om de curator toegang te geven tot de in het boekhoudprogramma Exact Online opgeslagen digitale administratie van [bedrijf 1] .
2.8.
De de curator heeft vervolgens per e-mail van 25 februari 2025 aan Exact verzocht om [gedaagde] toegang te verlenen tot Exact Online.
2.9.
Exact heeft per e-mail van 26 februari 2025 aan de curator laten weten dat zij in geval van een faillissement geen toegang tot Exact Online verlenen aan de bestuurder en dat vanwege beveiligingsprocedures alleen toegang wordt verleend aan de curator.
2.10.
De curator heeft in reactie op 27 februari 2025 volgende e-mail gestuurd aan Exact:
“(…)
Zoals in mijn eerdere e-mail genoemd rust de wettelijke administratieplicht en bewaarplicht simpelweg op de bestuurder en niet op de curator.
Dat exact beleid uitstippelt welke volledig haaks staat op de wet, komt dan ook voor uw eigen rekening en risico.
Ik wijs u hieronder (copy / paste) nogmaals op de wettelijke uitgangspunten welke simpelweg prevaleren boven het interne beleid van Exact (welke simpelweg ingaat tegen de wettelijke bepalingen).
(…)
“De administratieplicht en wettelijke plicht tot het aanleveren daarvan bij de curator rust wettelijk op de bestuurder.
De bewaarplicht rust eveneens wettelijk op de bestuurder.
De curator wenst dan ook géén eigen Exact account te verkrijgen.
Het nadrukkelijke verzoek is om de bestuurder zelf weer toegang tot zijn account / administratie te verlenen, zodat hij zélf de administratie kan veiligstellen en bewaren/aanleveren. Daartoe kunt u rechtstreeks afspraken maken met de bestuurder.
Dat is niet iets waar de curator tussen wenst te zitten, met een eigen account. Logischerwijs is dat ook niet wenselijk, want dan zou er bijvoorbeeld t.z.t. discussie ontstaan indien niet de juiste / volledige administratie is veiliggesteld door de curator, terwijl de wettelijke verplichting zoals vermeld op de bestuurder rust (en niet op de curator).
(…)”.
2.11.
Exact heeft de curator daarop bij e-mail van 28 februari 2025 laten weten dat zij na expliciete toestemming van de curator voor de duur van twee maanden [gedaagde] toegang geeft tot de in Exact Online opgeslagen administratie van [bedrijf 1] met als doel die administratie en gegevens veilig te stellen.
2.12.
Op verzoek van [gedaagde] heeft Exact [betrokkene] van [bedrijf 3] toegang tot de digitale administratie van [bedrijf 1] in Exact Online verleend.
2.13.
Bij e-mail van 14 april 2025 heeft de curator [gedaagde] verzocht om downloads/afschriften van:
de grootboekadministraties, de grootboekrekeningen inclusief (jaarlijkse) begin-, eindsaldi en de mutaties op de grootboekrekeningen (per jaargang);
de kolommenbalansen (per jaargang);
de resultatenrekening (per jaargang);
debiteuren- en crediteurenlijsten;
afschriften van overige relevante administratie welke zich in Exact bevindt.
2.14.
[gedaagde] heeft niet op de hiervoor vermelde e-mail gereageerd.
2.15.
Op 12 maart 2026 in de avond heeft de advocaat van [gedaagde] door Administratiekantoor [bedrijf 2] opgestelde financiële stukken waaronder een kolommenbalans 2024, een boekingsverslag 2024 en een balans / winst- en verliesrekening 2024 aan de curator verstrekt. Dezelfde stukken zijn de volgende ochtend tijdens de zitting aan de rechtbank overhandigd.
3Het geschil
3.1.
De curator vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
Primair - Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van 2:248 BW
te verklaren voor recht dat [gedaagde] zijn taak als bestuurder van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. (kennelijk) onbehoorlijk heeft vervuld en dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 en lid 2 BW en dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het bedrag van de schulden van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator van het bedrag van de schulden van de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V., voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, één en ander nader op te maken bij staat;
[gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een voorschot op het onder 1 en 2 genoemde ter grootte van € 150.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
Subsidiair - Bestuurdersaansprakelijkheid o.g.v. 2:9 BW en 6:162 BW
4. te verklaren voor recht dat [gedaagde] de aan hem als bestuurder van [bedrijf 1] B.V. opgedragen taak als bedoeld in artikel 2:9 BW onbehoorlijk heeft vervuld, als gevolg waarvan [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [bedrijf 1] B.V. geleden schade, voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, althans te verklaren voor recht dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] B.V. en [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator van de schade die de gezamenlijke schuldeisers daardoor hebben geleden;
5. primair de schade te begroten op het bedrag van de schulden van [bedrijf 1] B.V., voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan, één en ander nader op te maken bij staat, althans op een door Uw Rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
6. subsidiair een deskundige te benoemen om te bepalen wat de omvang is van de schade die de gezamenlijke schuldeisers van [bedrijf 1] B.V. hebben geleden door het onrechtmatige handelen van [gedaagde] en hem te gebieden om volledige medewerking te verlenen aan de te benoemen deskundige zulks op straffe van een dwangsom te verbeuren door gedaagde sub 1 van € 1.000,-- per dag of dagdeel dat die medewerking niet wordt verleend met een maximum van € 150.000,--;
7. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een voorschot op het onder 4 – 6 genoemde ter grootte van € 150.000,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
Meer subsidiair - Vordering 1: Onrechtmatig selectieve betalingen
8. te verklaren voor recht dat de door [gedaagde] gedane betalingen, zoals omschreven in paragraaf 1.3.1. van de dagvaarding, tot een bedrag van € 15.440,--, of een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, onrechtmatig zijn als gevolg waarvan gedaagde aansprakelijk is voor de door de besloten vennootschap [bedrijf 1] B.V. geleden schade;
9. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een bedrag van € 15.440,--, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 september 2024 of vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, tot aan de dag der algehele voldoening;
In het geval dat de meer subsidiaire vordering op grond van het gevorderde onder 8 en 9 niet wordt toegewezen: vordering ex artikelen 6.203 BW en 6:212 BW
10. te verklaren voor recht dat [gedaagde] zich ten koste van [bedrijf 1] B.V. heeft verrijkt, als gevolg waarvan hij dan ook gehouden is om de schade die [bedrijf 1] B.V. heeft geleden, zijnde een bedrag van € 4.310,-- (het bedrag van de verrijking), althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, althans één en ander nader op te maken bij staat, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 20 september 2024, aan de curator te vergoeden;
Voor het geval schade nader op te maken hij staat:
11. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een voorschot op het onder 10 genoemde ter grootte van € 4.310,-- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
In het geval dat de meer subsidiaire vordering op grond van het gevorderde onder 10 en 11. niet wordt toegewezen: vordering ex artikel 42 Fw:
12. te verklaren voor recht dat de curator op goede gronden (ex artikel 42 Fw) de betalingen tot een bedrag van € 4.310,-- die aan [gedaagde] zijn gedaan, en de rechtshandelingen die aan voornoemde betalingen ten grondslag hebben gelegen, heeft vernietigd, althans vorenbedoelde betalingen alsnog te vernietigen;
12. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een bedrag van € 4.310,--, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2024, of vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, tot de dag der algehele voldoening;
In het geval dat de meer subsidiaire vordering op grond van het gevorderde onder 12 en 13 niet wordt toegewezen: vordering ex artikel 47 Fw:
14. te verklaren voor recht dat de curator op goede gronden (ex artikel 47 Fw) de betalingen tot een bedrag van € 4.310 die aan [gedaagde] zijn gedaan, en de rechtshandelingen die aan voornoemde betalingen ten grondslag hebben gelegen, heeft vernietigd, althans vorenbedoelde betalingen alsnog te vernietigen;
14. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een bedrag van € 4.310,-- vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 september 2024, of vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn;
Meer subsidiair - Vordering 2: Rekening-courant vordering
16. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis van een bedrag van € 59.118,--, te vermeerderen met de wettelijke rente, althans een rente van 1,3%, vanaf 1 januari 2023, of vanaf een door de rechtbank in goede justitie te bepalen termijn, tot de dag der algehele voldoening;
Proces-, beslag- en nakosten
17. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan de curator van de proceskosten, waaronder begrepen de beslagkosten, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
In het verstekvonnis zijn de primaire vorderingen van de curator onder 1 tot en met 3, gericht tegen [gedaagde] , volledig toegewezen en is [gedaagde] samen met de medegedaagden Dolfijn en Aymeks hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten.
3.3.
Het verzet is alleen ingesteld door [gedaagde] , en niet (ook) door de gedaagden Dolfijn en Aymeks. Dat betekent dat het verstekvonnis, voor zover gewezen tussen Dolfijn en Aymeks, in stand blijft en de vorderingen van de curator, voor zover tegen hen gericht, in deze procedure niet meer ter beoordeling voorliggen. De rechtbank zal daarom hierna alleen de vorderingen beoordelen die de curator tegen [gedaagde] heeft ingesteld, en daarbij het verweer betrekken dat [gedaagde] in zijn verzetdagvaarding naar voren heeft gebracht.
3.4.
[gedaagde] vordert in het verzet dat het verstekvonnis wordt vernietigd en dat de vorderingen van de curator tegen hem alsnog worden afgewezen. Kort gezegd betwist hij dat hij geen administratie van [bedrijf 1] heeft bijgehouden. Verder voert hij aan dat het faillissement van [bedrijf 1] het gevolg is van de Covid-pandemie en zijn eigen ernstige ziekte waarvoor hij tweemaal is geopereerd. Vanwege zijn gezondheidsklachten was hij uiteindelijk niet meer in staat de onderneming aan te sturen. Dat is echter geen wanbestuur.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
4.1.
Het verzet is op tijd en op de juiste wijze ingesteld.
Primaire vorderingen: onbehoorlijk bestuur (2:248 BW)
4.2.
De curator legt aan zijn primaire vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement omdat [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. [gedaagde] is daarom jegens de boedel aansprakelijk voor het bedrag van de schulden van [bedrijf 1] voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan. De curator maakt [gedaagde] twee verwijten die volgens hem maken dat sprake is van onbehoorlijk bestuur: 1) er is geen administratie bijgehouden, 2) [gedaagde] heeft onrechtmatig € 15.440,- aan het vermogen van [bedrijf 1] onttrokken, dan wel die betalingen moeten worden aangemerkt als selectieve betalingen.
De administratieverplichting
4.3.
Volgens de curator heeft [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] niet voldaan aan zijn administratieplicht. Als niet is voldaan aan de administratieplicht staat onweerlegbaar vast dat de bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en wordt vermoed dat dit een belangrijke oorzaak van het faillissement is. De curator is tot de conclusie gekomen dat de administratie ontbreekt, omdat [gedaagde] ondanks herhaalde verzoeken geen administratie heeft overgelegd.
4.4.
[gedaagde] betwist dat hij geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden.
4.5.
De rechtbank overweegt het volgende. Door de beperkte communicatie van [gedaagde] met de curator vanaf het begin van het faillissement van [bedrijf 1] en het feit dat [gedaagde] ondanks zijn toezeggingen ruim anderhalf jaar na het faillissement nog vrijwel geen administratie aan de curator had overgelegd, leek het er voor de curator aanvankelijk op dat [gedaagde] geen administratie had bijgehouden. Na het uitbrengen van de dagvaarding is echter gebleken dat [gedaagde] een digitale administratie heeft bijgehouden in het online softwareprogramma Exact. In april 2025 heeft eerst [gedaagde] en vervolgens de curator contact gehad met Exact over toegang tot deze online administratie van [bedrijf 1] . De curator heeft een eigen toegang tot de online administratie, zoals Exact hem had aangeboden, geweigerd. Op aandringen van de curator heeft Exact vervolgens aan [gedaagde] , althans een door [gedaagde] voorgedragen administratiekantoor, toegang tot de digitale administratie van [bedrijf 1] verleend. De avond voor de mondelinge behandeling heeft de advocaat van [gedaagde] diverse financiële stukken van [bedrijf 1] over 2024 naar de curator gestuurd. De rechtbank heeft deze stukken op de zitting ontvangen. Deze stukken zijn opgesteld door het administratiekantoor van [gedaagde] aan de hand van de boekhouding van [bedrijf 1] in Exact.
4.6.
De curator blijft ook na ontvangst van de hiervoor genoemde stukken bij zijn standpunt dat de administratie van [bedrijf 1] ontbreekt en [gedaagde] dus zijn administratieverplichting heeft geschonden, omdat hij niet alle door de curator verzochte administratie heeft aangeleverd. Dat lag volgens de curator wel op de weg van [gedaagde] , omdat hij verplicht is om actief de (volledige) administratie aan de curator ter beschikking te stellen.
4.7.
Een bestuurder van een vennootschap moet op zodanige wijze een administratie voeren en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers die tot die administratie behoren op zodanige wijze te bewaren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de vennootschap kunnen worden gekend.
4.8.
Indien het bestuur niet heeft voldaan aan zijn hiervoor genoemde administratieverplichting, heeft het zijn taak onbehoorlijk vervuld en wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
4.9.
De rechtbank is van oordeel dat de curator onvoldoende heeft gesteld voor de conclusie dat [gedaagde] geen administratie van [bedrijf 1] heeft bijgehouden als bedoeld in artikel 2:10 BW. Daarmee staat niet vast dat [gedaagde] om die reden zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Dat licht de rechtbank hierna toe.
4.10.
[gedaagde] stelt dat hij de administratie van [bedrijf 1] heeft bijgehouden, of door zijn (voormalige) boekhouder heeft laten bijhouden, in het online boekhoudprogramma Exact. De curator stelt op zichzelf terecht dat [gedaagde] als bestuurder verplicht is om de administratie van [bedrijf 1] aan hem over te dragen. Zo nodig stelt de (bestuurder van de) gefailleerde de curator alle middelen ter beschikking om de inhoud binnen redelijke termijn leesbaar te maken. Dat betekent in dit geval dat [gedaagde] de inloggegevens van Exact aan de curator ter beschikking moet stellen, zodat de curator van de online administratie van [bedrijf 1] kennis kan nemen (en daarvan zo nodig een kopie kan (laten) maken). [gedaagde] heeft daaraan (uiteindelijk) voldaan door in februari 2025 aan Exact te vragen aan de curator toegang te verlenen tot (de administratie van [bedrijf 1] in) Exact Online.
4.11.
De curator heeft vervolgens zijn eigen verantwoordelijkheid om (een selectie van) de administratie onder zich te nemen. Als sprake is van een digitale administratie zal de curator die moeten veiligstellen, bijvoorbeeld door het (laten) maken van een (digitale) kopie, ook als die administratie zich in de cloud bevindt. Als de toegang tot de digitale administratie bij een externe provider is afgesloten, heeft de curator de bevoegdheid om een heraansluiting te realiseren, of zo nodig de overeenkomst met de provider (ten laste van de boedel) gestand te doen. Nadat [gedaagde] Exact had gevraagd om de curator toegang te verlenen tot de online administratie, heeft de curator in een bericht aan Exact de toegang tot de digitale administratie op zijn eigen naam geweigerd. Volgens de curator diende Exact toegang te verlenen aan [gedaagde] als bestuurder en niet aan hem als curator, omdat op [gedaagde] als bestuurder de administratie- en bewaarplicht rust. In plaats van de digitale administratie veilig te stellen, heeft de curator Exact – tegen het eigen beleid van Exact in – opdracht gegeven om [gedaagde] toegang te geven tot de online administratie en [gedaagde] vervolgens opdracht gegeven om (een kopie van) die administratie aan hem te overhandigen.
4.12.
De curator verwart hier de administratieplicht, die inderdaad (enkel) op de bestuurder rust, met de verplichting om die administratie voor de curator toegankelijk te maken. Als de bestuurder toegang heeft verleend tot de online administratie, rust vervolgens op de curator de verplichting die administratie veilig te stellen (desgewenst met hulp van een deskundige). De curator had zelf toegang tot de volledige administratie kunnen krijgen doordat Exact bereid was de licentie voor de online administratie voor een periode van twee maanden kosteloos opnieuw te activeren en de curator toegang te verlenen (volgens haar ‘curatorprocedure’), om in die periode de administratie veilig te kunnen stellen. De curator kan daarom niet volstaan met de stelling dat [gedaagde] niet heeft voldaan aan zijn administratieverplichting omdat hij zelf geen kopie van de online administratie aan de curator heeft verstrekt. Pas nadat de curator de online administratie, waarvoor [gedaagde] hem toegang heeft geboden, heeft onderzocht, kan hij concluderen of [gedaagde] als bestuurder heeft voldaan aan zijn verplichtingen op grond van artikel 2:10 BW.
4.13.
Uit het voorgaande volgt dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen uit artikel 2:10 BW. Dat betekent dat ook niet is komen vast te staan dat [gedaagde] om die reden zijn taak als bestuurder onbehoorlijk heeft vervuld. Het wettelijk bewijsvermoeden, waar de curator zich op beroept, dat de onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement van [bedrijf 1] , gaat daarom niet op. Het eerste verwijt van de curator aan [gedaagde] slaagt dus niet.
Onrechtmatige onttrekkingen
4.14.
Het tweede verwijt dat de curator [gedaagde] maakt in het kader van onbehoorlijk bestuur, is dat hij stelt dat [gedaagde] onrechtmatig geld heeft onttrokken aan [bedrijf 1] dan wel dat hij onrechtmatig selectieve betalingen heeft verricht. De curator heeft uit onderzoek naar de bancaire geldstromen van [bedrijf 1] geconcludeerd dat [gedaagde] zonder rechtsgrond of titel in de periode 4 mei tot en met 11 augustus 2024 in totaal € 4.310,- vanuit [bedrijf 1] heeft overgeboekt naar zichzelf en in de periode 12 juli 2024 tot en met 13 augustus 2024 eveneens zonder rechtsgrond of titel in totaal € 11.130,- vanuit [bedrijf 1] heeft betaald aan Dolfijn, een vennootschap waarvan hij ook (enig) aandeelhouder en bestuurder is.
4.15.
Ook als aangenomen kan worden dat [gedaagde] met deze betalingen onrechtmatig heeft gehandeld (zie hierna 4.27 e.v.), heeft de curator niet voldoende gesteld om aan te nemen dat deze onttrekkingen een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement van [bedrijf 1] . Gelet op het relatief beperkte bedrag van de onttrekkingen en de periode waarin de onttrekkingen hebben plaatsgevonden, is dat ook niet zonder meer aannemelijk. [gedaagde] heeft de onttrekkingen immers gedaan toen het faillissement al was aangevraagd. Omdat niet aannemelijk is dat de onttrekkingen een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement van [bedrijf 1] , kan het onrechtmatig handelen van [gedaagde] niet tot oordeel leiden dat hij als bestuurder jegens de boedel aansprakelijk is voor tekort in het faillissement als bedoeld in artikel 2:248 lid 1 BW.
Conclusie: de rechtbank wijst de primaire vorderingen af
4.16.
Omdat niet is gebleken dat [gedaagde] niet aan zijn administratieplicht heeft voldaan en daarom zijn taak als bestuurder van [bedrijf 1] onbehoorlijk heeft vervuld (verwijt 1) en het niet aannemelijk is dat de betalingen die [gedaagde] vanuit [bedrijf 1] aan zichzelf en aan Dolfijn heeft gedaan een belangrijke oorzaak zijn van het faillissement (verwijt 2), zal de rechtbank de primaire vorderingen van de curator afwijzen.
Subsidiaire vorderingen: aansprakelijkheid op grond van 2:9 BW en 6:162 BW
4.17.
Aan zijn subsidiaire vorderingen legt de curator ten grondslag dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het boedeltekort wegens onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder als bedoeld in artikel 2:9 BW dan wel wegens onrechtmatig handelen waarvan [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. De curator legt daar de volgende verwijten aan ten grondslag:
[gedaagde] heeft zonder rechtsgrond aanzienlijke bedragen aan het vermogen van [bedrijf 1] onttrokken waardoor [bedrijf 1] niet meer in staat was haar betalingsverplichtingen na te komen;
[gedaagde] heeft derden (zzp-ers) voor [bedrijf 1] aan het werk gezet, wetende dat hun vorderingen niet betaald zouden kunnen worden;
[gedaagde] heeft geen administratie gevoerd, waardoor hij als bestuurder geen zich had en/of kon hebben in de vermogenspositie van [bedrijf 1] ;
[gedaagde] heeft namens [bedrijf 1] aanzienlijke rekening-courantleningen aan zichzelf, Dolfijn en Aymeks verstrekt die ertoe hebben geleid dat [bedrijf 1] niet in staat was haar eigen verplichtingen na te komen.
4.18.
De rechtbank wijst de subsidiaire vorderingen van de curator ook af, omdat hij onvoldoende heeft gesteld voor een veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de schade, bestaande uit het boedeltekort in het faillissement van [bedrijf 1] . De rechtbank licht dat hierna toe.
4.19.
Uit de dagvaarding onder 3.17, 3.22 en de vorderingen geformuleerd onder I.4 tot en met I.17 blijkt dat de curator aan de gestelde onbehoorlijke taakvervulling als bestuurder dan wel het onrechtmatige handelen van [gedaagde] het gevolg verbindt dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het boedeltekort. Dat brengt mee dat er een verband moet bestaan tussen het handelen dat de curator [gedaagde] als bestuurder verwijt en het faillissement van [bedrijf 1] . Dat verband heeft de curator onvoldoende onderbouwd.
4.20.
Dat [bedrijf 1] door de betalingen aan [gedaagde] en Dolfijn (het verwijt onder a) haar betalingsverplichtingen niet meer kon nakomen (en failliet is gegaan) stelt de curator wel, maar hij heeft nagelaten dat verband toe te lichten. De door [gedaagde] gedane onttrekkingen brengen daarom niet zonder meer mee dat [gedaagde] aansprakelijk is voor het boedeltekort.
4.21.
Het verwijt onder b), te weten dat [gedaagde] derden voor [bedrijf 1] aan het werk heeft gezet, wetende dat [bedrijf 1] hun vorderingen niet zou kunnen betalen, heeft de curator in het geheel niet toegelicht. De rechtbank gaat daar dan ook aan voorbij.
4.22.
Zoals de rechtbank hiervoor in 4.9 heeft overwogen, is niet komen vast te staan dat [gedaagde] geen administratie heeft gevoerd. Het verwijt onder c) is dus onjuist en kan niet tot aansprakelijkheid van [gedaagde] leiden.
4.23.
Het vierde verwijt (onder d) dat de curator [gedaagde] maakt, is dat hij als bestuurder van [bedrijf 1] aanzienlijke rekening-courant leningen heeft verstrekt aan zichzelf, Dolfijn en Aymeks, die er volgens de curator toe hebben geleid dat [bedrijf 1] niet meer in staat was haar eigen verplichtingen na te komen.
4.24.
Uit de jaarrekening 2021-2022 blijkt dat [bedrijf 1] in totaal drie rekening-courantvorderingen heeft: een vordering van € 26.995,- op Dolfijn, een vordering van € 89.641,- op Aymeks en een vordering van € 59.118,- op [gedaagde] in privé. Maar uit die jaarrekening blijkt ook dat het bedrijfsresultaat van [bedrijf 1] over die periode € 243.734,- bedroeg en dat het resultaat na belastingen van € 206.407,- is toegevoegd aan de overige reserves. Zonder nadere toelichting van de curator, die ontbreekt, valt dan ook niet in te zien dat het verstrekken van de genoemde rekening-courant leningen ertoe hebben geleid dat [bedrijf 1] haar verplichtingen niet meer kon nakomen en failliet is gegaan.
Conclusie: de rechtbank wijst de subsidiaire vorderingen af
4.25.
De conclusie van het vorenstaande is dat de verwijten die de curator [gedaagde] maakt deels niet zijn komen vast te staan en wat de wel vaststaande verwijten betreft, de curator niet (voldoende) heeft toegelicht dat die hebben geleid tot het faillissement van [bedrijf 1] . Er is daarom geen grond om [gedaagde] te veroordelen tot betaling van het boedeltekort. De subsidiaire vorderingen van de curator zal de rechtbank daarom ook afwijzen.
Meer subsidiaire vordering: betalingen van in totaal € 15.440,-
4.26.
[gedaagde] heeft niet betwist dat hij, nadat het faillissementsverzoek was ingediend, zonder dat daar een rechtsgrond voor bestond, vanuit het vermogen van [bedrijf 1] € 4.310,- naar zichzelf heeft overgemaakt en € 11.130,- naar Dolfijn. Volgens de curator is hiermee sprake van onrechtmatige selectieve betalingen in het zicht van het faillissement. De rechtbank volgt de curator daarin niet, omdat hier geen sprake is van betalingen aan schuldeisers. Voor de betalingen bestond immers geen rechtsgrond. De onttrekkingen vallen daarmee niet onder het leerstuk van de selectieve betalingen.
4.27.
De rechtbank volgt de curator wel in zijn standpunt dat de betalingen van in totaal € 4.310,- die [bedrijf 1] aan [gedaagde] heeft gedaan onverschuldigd zijn en dat [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] door die betalingen aan zichzelf te doen, onrechtmatig heeft gehandeld. [gedaagde] heeft geen verklaring gegeven waaruit een geldige titel of rechtsgrond voor deze overboekingen blijkt. De omstandigheid dat [gedaagde] vanwege ziekte niet kon werken en hij geld nodig had om in zijn levensbehoefte te voorzien, vormt geen rechtsgrond of rechtvaardiging voor de betalingen door [bedrijf 1] aan [gedaagde] . [gedaagde] heeft met deze betalingen zichzelf bevoordeeld ten nadele van de schuldeisers van [bedrijf 1] terwijl hij wist dat het faillissement van [bedrijf 1] was aangevraagd. Daarvan kan hem als bestuurder van [bedrijf 1] een ernstig verwijt worden gemaakt. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de schade die de boedel door deze betaling heeft geleden.
4.28.
De curator heeft ook over de betaling van [bedrijf 1] aan Dolfijn van het bedrag van € 11.130,- gesteld dat die betaling zonder rechtsgrond is gedaan. Omdat de curator vordert voor recht te verklaren dat de betalingen voor het totaalbedrag van € 15.440,- (dus de betalingen aan [gedaagde] en Dolfijn samen) onrechtmatig zijn en [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die (de boedel van) [bedrijf 1] daardoor heeft geleden, bedoelt de curator zich kennelijk ook op het standpunt te stellen dat [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] onrechtmatig heeft gehandeld door zonder rechtsgrond een bedrag van € 11.130,- aan Dolfijn te betalen.
4.29.
[gedaagde] heeft niet weersproken dat hij deze betaling zonder rechtsgrond heeft gedaan. In elk geval heeft hij niet onderbouwd gesteld dat er wel een grondslag was voor deze betaling aan Dolfijn. Ook deze betaling heeft [gedaagde] gedaan terwijl hij wist dat het faillissement van [bedrijf 1] was aangevraagd. [gedaagde] heeft daarmee de schuldeisers van [bedrijf 1] benadeeld, en Dolfijn, de vennootschap waarvan hij zelf (ook) enig bestuurder en aandeelhouder is, zonder rechtvaardiging bevoordeeld. Daarvan kan [gedaagde] als bestuurder van [bedrijf 1] een ernstig verwijt worden gemaakt. De rechtbank is daarom van oordeel dat [gedaagde] ook door het verrichten van deze betaling onrechtmatig heeft gehandeld en aansprakelijk is voor de schade die de boedel daardoor heeft geleden.
4.30.
De schade die de boedel heeft geleden bedraagt in totaal (€ 4.310 + € 11.130 =) € 15.440,-. De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen deze schade aan de curator te vergoeden. De rechtbank zal [gedaagde] ook veroordelen tot betaling van de wettelijke rente zoals de curator heeft gevorderd, omdat [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd.
Meer subsidiaire vordering: betaling rekening-courantvordering € 59.118,-
4.31.
[gedaagde] heeft niet betwist dat hij uit hoofde van zijn rekening-courantverhouding met [bedrijf 1] een bedrag van € 59.118,- aan [bedrijf 1] verschuldigd is. Hij zal dit bedrag moeten terugbetalen aan de boedel. De gevorderde wettelijke rente is toewijsbaar vanaf 24 september 2024, omdat van een eerdere datum van verzuim niet is gebleken. De rechtbank zal daarom voor de periode vanaf 1 januari 2023 tot 24 september 2024 alleen de contractuele rente van 1,3% toewijzen.
Vernietiging verstekvonnis
4.32.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het verzet van [gedaagde] gegrond. Het verstekvonnis kan grotendeels niet in stand kan blijven. Het verstekvonnis zal voor wat betreft [gedaagde] dan ook worden vernietigd. De rechtbank zal de primaire en subsidiaire vorderingen van de curator tegen [gedaagde] alsnog afwijzen. De meer subsidiaire vorderingen tegen [gedaagde] over de onrechtmatige betalingen en de terugbetaling van de schuld in rekening-courant zal de rechtbank toewijzen.
De beslagkosten en de proceskosten van de verstekprocedure
4.33.
De vorderingen van de curator worden slechts voor een deel toegewezen, en voor het overige afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] toch de proceskosten van de verstekprocedure en de beslagkosten moet betalen. Die (hoofdelijke) veroordelingen in het verstekvonnis zal de rechtbank daarom in stand laten. De reden daarvoor is dat [gedaagde] pas nadat de curator de dagvaarding had uitgebracht, aan de curator duidelijk heeft gemaakt dat de boekhouding van [bedrijf 1] zich in de online omgeving van Exact bevindt en Exact gevraagd de curator toegang te verlenen. Dat leidt er in deze uitspraak toe dat de rechtbank de primaire vorderingen van de curator afwijst, maar de curator heeft deze vorderingen tegen [gedaagde] bij dagvaarding wel terecht ingesteld omdat [gedaagde] tot dan toe nog heel beperkt administratie van [bedrijf 1] aan de curator had verstrekt.
Proceskosten van de verzetprocedure
4.34.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] ook de proceskosten (inclusief nakosten) van deze verzetprocedure moet betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- salaris advocaat
€
2.051,00
(1 punt × € 2.051,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.240,00
4.35.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De rechtbank
5.1.
verklaart het verzet van [gedaagde] gegrond,
5.2.
vernietigt het verstekvonnis van 8 januari 2025 met zaaknummer C/15/359516 / HA ZA 24-665, uitsluitend voor zover dit vonnis is gewezen tussen de curator en [gedaagde] en met uitzondering van de (hoofdelijke) veroordelingen in de beslagkosten (3.7 van het verstekvonnis), de proceskosten (3.8 van het verstekvonnis), de wettelijke rente over de proceskosten (3.9 van het verstekvonnis) en de uitvoerbaarheid bij voorraad van die veroordelingen (3.10 van het verstekvonnis),
in zoverre opnieuw rechtdoende:
5.3.
verklaart voor recht dat de door [gedaagde] gedane betalingen tot een bedrag van € 15,440,00 onrechtmatig zijn als gevolg waarvan [gedaagde] aansprakelijk is voor de door [bedrijf 1] B.V. geleden schade,
5.4.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de curator binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis van een bedrag van € 15.440,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 20 september 2024 tot de dag der algehele voldoening,
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de curator binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis van een bedrag van € 59.118,00, te vermeerderen met de contractuele rente vanaf 1 januari 2023 tot en met 23 september 2024 en vanaf 24 september 2024 met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW tot de dag der algehele voldoening,
5.6.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van deze verzetprocedure van € 2.240,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald
5.8.
verklaart dit vonnis wat betreft de veroordelingen in 5.4 tot en met 5.7 uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Kluit en in het openbaar uitgesproken op 8 april 2026.
Artikel 2:10 BW.
Artikel 2:248 lid 2 BW
Artikel 105a lid 2, in samenhang met artikel 106 lid 1 Faillissementswet (Fw).
Artikel 105a lid 2, tweede zin, Fw.
Zie ook MvT bij artikel 105a Fw, TK 2014-2015, 34 253, nr. 3, p. 20.
Artikel 92 Fw.
Op grond van artikel 2:10 BW.
Op grond van artikel 105a lid 2 Fw.
Op grond van artikel 92 Fw.
Artikel 2:248 lid 2 BW.