Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Noord-Holland

ECLI:NL:RBNHO:2026:6213

2026-05-13 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/15/368930 / HA ZA 25-504
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Uitspraakdatum
2026-05-13
Publicatiedatum
2026-05-29
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/15/368930 / HA ZA 25-504
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Geldvordering. Cessie door erven. Geen verjaring in verband met artikel 3:323 lid 3 BW (termijn van 20 jaar vanwege hypotheekrecht). Geen strijd met fiduciaverbod. Beroep op artikel 1:88 en 1:89 BW niet gedaan door echtgenote.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (13.921 tekens)
RECHTBANK Noord-Holland


Civiel recht



Zittingsplaats Haarlem



Zaaknummer: C/15/368930 / HA ZA 25-504




Vonnis van 13 mei 2026 (bij vervroeging)




in de zaak van




COÖPERATIEVE RABOBANK U.A.,
te Amsterdam,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Rabobank,
advocaat: mr. F.T.M. Nooijen,



tegen





[gedaagde]
,
te [plaats],
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. J.A. Spigt.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 januari 2026
- de aanvullende productie van Rabobank
- de mondelinge behandeling van 14 april 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[gedaagde] heeft ten behoeve van zijn zakenpartner [betrokkene 1] op 26 oktober 2007 een (tweede) hypotheekrecht gevestigd op zijn toenmalige woning. De akte bepaalt dat het hypotheekrecht strekt tot zekerheid voor de betaling van – samengevat – alle huidige en toekomstige vorderingen van [betrokkene 1] op [gedaagde] tot een bedrag van € 189.000,00 (inclusief rente en kosten).



2.2.

[gedaagde] heeft op 16 december 2011 een document ondertekend, waaruit volgt dat hij aan [betrokkene 1] een bedrag van € 200.000,00 is verschuldigd, te vermeerderen met 5% rente vanaf 1 januari 2012.



2.3.

[betrokkene 1] is op 29 mei 2012 overleden. Zijn erfgenamen (dochter en zoon) hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. [gedaagde] heeft geen bedragen betaald aan [betrokkene 1] of de erven.



2.4.

[gedaagde] heeft zijn woning in 2025 verkocht. Om de woning vrij van hypotheekrecht te kunnen overgedragen, is hij op 3 juli 2025 met de erven van [betrokkene 1] overeengekomen dat het hypotheekrecht zou worden doorgehaald onder de voorwaarde dat de notaris een gedeelte van de koopprijs in depot zou houden.



2.5.
De erven hebben de vordering op [gedaagde] op 12 juli 2025 verkocht en geleverd aan Rabobank. De koopakte vermeldt dat [betrokkene 1] uit hoofde van borgtocht aan Rabobank nog ruim € 1.400.000,00 schuldig is.



2.6.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft op 14 juli 2025 aan Rabobank verlof verleend voor het laten leggen van conservatoir beslag op de (toenmalige) woning van [gedaagde]. Het beslag is dezelfde dag gelegd. Omdat het beslag is gelegd na inschrijving van de verkoop van de woning in de openbare registers, is het beslag na levering komen te rusten op het deel van de koopprijs dat de notaris ten behoeve van [gedaagde] onder zich hield (artikel 507b lid 1 Rv).



2.7.
De notaris heeft op 28 juli 2025 uit de opbrengst van de verkoop van de woning van [gedaagde] € 354.500,00 afgedragen aan Rabobank (hoofdsom € 200.000,00, rente € 135.397,26, beslag- en proceskosten € 19.102,74). Het restant is uitgekeerd aan [gedaagde].





3Het geschil



in conventie




3.1.
Rabobank vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat [gedaagde] gehouden is tot betaling aan Rabobank (als cessionaris) van een bedrag van € 200.000,00, te vermeerderen met de contractueel overeengekomen rente van 5% per jaar, te berekenen vanaf 1 januari 2012 tot de dag van algehele voldoening, zijnde 28 juli 2025, voor zover nodig met veroordeling van [gedaagde] tot betaling daarvan aan Rabobank, plus de kosten van deze procedure, de kosten van het beslag en de nakosten.



3.2.

[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Rabobank, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Rabobank, met veroordeling van Rabobank in de kosten van deze procedure.



3.3.

[gedaagde] voert het volgende aan. Er is onder protest € 354.500,00 afgedragen aan Rabobank. Rabobank kan om de volgende redenen geen aanspraak maken op dat bedrag:
- Rabobank heeft niet onderbouwd dat zij een vordering van ruim € 1.400.000,00 op [betrokkene 1] heeft. De vordering zou bovendien kunnen zijn verjaard. Deze vordering vormt de basis van de akte van cessie waarop Rabobank zich beroept.
- De erven van [betrokkene 1] waren niet bevoegd om de vordering over te dragen. Alleen de executeur ([betrokkene 2]) was daartoe bevoegd.
- De cessie van de vordering door de erven van [betrokkene 1] aan Rabobank is in strijd met het fiduciaverbod (artikel 3:84 lid 3 BW), zodat Rabobank daarop geen beroep kan doen.
- Er was sprake van een zakelijke schuld van de bv van [gedaagde], LTR Consultancy. Het document van 16 december 2011, waaruit volgt dat [gedaagde] aan [betrokkene 1] een bedrag van € 200.000,00 plus rente is verschuldigd, is onder druk van Rabobank tot stand gekomen. Dit document is een handeling in de zin van artikel 1:88 lid 1 onder c BW, waarvoor toestemming van de echtgenote van [gedaagde] is vereist. Die toestemming heeft zij niet gegeven. Zij kan een beroep doen op vernietiging (artikel 1:89 lid 1 BW).
- Het in 2007 gevestigde hypotheekrecht ziet niet op de in het document van 16 december 2011 bedoelde rechtsverhouding. Daarom is niet de verjaringstermijn van twintig jaar van artikel 3:323 lid 3 BW van toepassing, maar een termijn van vijf jaar. De vordering is verjaard.
- Ten aanzien van de rentevordering is artikel 3:323 lid 3 BW in ieder geval niet van toepassing.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.



in reconventie





3.5.

[gedaagde] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) voor recht verklaart primair dat [gedaagde] niet gehouden was tot betaling van enig bedrag aan Rabobank en subsidiair dat ten aanzien van de contractuele rente ad 5% per jaar een verjaringstermijn van vijf jaar na opeisbaarheid van die rente geldt en dat Rabobank geen recht heeft op de rente waarvan de opeisbaarheid die verjaringstermijn overschrijdt;
b) Rabobank veroordeelt tot betaling van de wettelijke rente over de onder a) primair en subsidiair bedoelde bedragen, te rekenen vanaf 12 november 2025 tot aan de dag der algehele voldoening.
c) Rabobank veroordeelt in de kosten van het geding.



3.6.
Rabobank voert verweer. Rabobank concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde], dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde], met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde] in de kosten van deze procedure.



3.7.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



in conventie en reconventie





Inleiding




4.1.
In zowel conventie als reconventie moet worden beoordeeld of [gedaagde] terecht € 335.397,26 heeft betaald aan Rabobank (€ 357.500,00 min het betaalde bedrag aan beslag- en proceskosten). Daarbij neemt de rechtbank als uitgangspunt dat [betrokkene 1] een vordering van € 200.000,00 plus 5% rente vanaf 1 januari 2012 had op [gedaagde] in privé. Dat volgt namelijk uit het door [gedaagde] ondertekende document van 16 december 2011 en wordt ook niet, of in ieder geval onvoldoende, door [gedaagde] betwist. Volgens [gedaagde] is dit document onder druk van Rabobank tot stand gekomen. De rechtbank gaat aan deze stelling voorbij, alleen al omdat [gedaagde] zich niet beroept op enig rechtsgevolg daarvan.



4.2.
Het bedrag is terecht aan Rabobank betaald, tenzij de vordering op [gedaagde] niet rechtsgeldig aan Rabobank is overgedragen of een van de verweren van [gedaagde] slaagt. De rechtsgeldigheid van de overdracht van de vordering en de verweren van [gedaagde] worden hieronder behandeld.



Overdracht van de vordering rechtsgeldig





4.3.
Anders dan [gedaagde] betoogt, doet niet ter zake of Rabobank een vordering heeft op (de nalatenschap van) [betrokkene 1] en of deze vordering is verjaard. Deze feiten zijn niet van invloed op de geldigheid van de titel voor de overdracht van de vordering op [gedaagde] aan Rabobank, de koopovereenkomst van 12 juli 2025.



4.4.
Ook het betoog dat de erven niet bevoegd waren om de vordering over te dragen slaagt niet. De erven hebben de nalatenschap beneficiair aanvaard. De executeur heeft geconstateerd dat de goederen in de nalatenschap ontoereikend zijn om de schulden van de nalatenschap te voldoen. Daarmee is de taak van de executeur geëindigd en zijn de erven vereffenaar van de nalatenschap geworden (artikel 4:149 lid 1 onder d, 4:195 lid 1 en 4:202 lid 1 onder a BW). Zij waren als vereffenaars bevoegd om de vordering aan Rabobank over te dragen.



4.5.
De overdracht is ook niet in strijd met het fiduciaverbod. Er heeft een werkelijke overdracht plaatsgevonden, waarbij alle met de vordering gepaard gaande bevoegdheden zijn overgegaan op Rabobank. Aan de overdracht ligt een geldige titel ten grondslag: de koopovereenkomst van 12 juli 2025.



Geen beroep op vernietiging vanwege ontbreken toestemming echtgenote





4.6.
Zelfs als het document van 16 december 2011 moet worden beschouwd als een handeling in de zin van artikel 1:88 lid 1 onder c BW, wat Rabobank betwist, kan [gedaagde] geen beroep doen op vernietiging. Dat beroep komt op grond van artikel 1:89 lid 1 BW alleen toe aan zijn echtgenote. Vast staat dat de echtgenote van [gedaagde] geen beroep heeft gedaan op vernietiging. Het verweer wordt daarom verworpen.



Geen verjaring





4.7.
Het in 2007 gevestigde hypotheekrecht zag op alle huidige en toekomstige vorderingen van [betrokkene 1] op [gedaagde] tot een bedrag van € 189.000,00. Er kan daarom geen twijfel over bestaan dat het hypotheekrecht ook zag op de in het document van 16 december 2011 bedoelde schuld. Er gold daarom op grond van artikel 3:323 lid 3 BW – tot de doorhaling van het hypotheekrecht in juli 2025 – een verjaringstermijn van twintig jaar, die niet is verstreken.



4.8.
Artikel 3:323 lid 3 BW is ook van toepassing op het deel van de vordering dat het bedrag waarvoor het hypotheekrecht is verleend, in dit geval € 189.000,00, overstijgt. Het hypotheekrecht strekt namelijk tot zekerheid voor de nakoming van de volledige vordering. Het genoemde bedrag beperkt de hypotheekhouder enkel in zijn verhaalsmogelijkheden.



4.9.
Anders dan [gedaagde] betoogt, is artikel 3:323 lid 3 BW ook van toepassing op de verschuldigde rente over de hoofdsom.



4.10.
Na de doorhaling van het hypotheekrecht is op grond van artikel 3:307 lid 1 BW een verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen, die ook niet is verstreken.



4.11.
Het beroep op verjaring wordt gelet op het bovenstaande verworpen.



Conclusie





4.12.

[gedaagde] heeft terecht € 335.397,26 betaald aan Rabobank. De door Rabobank gevorderde verklaring voor recht wordt toegewezen, waarbij alleen het woord ‘is’ (“verklaart dat [gedaagde] gehouden is tot betaling aan Rabobank”) wordt vervangen door ‘was’. Partijen zijn het er namelijk over eens dat het volledige verschuldigde bedrag is voldaan. Een veroordeling tot betaling van dat bedrag kan daarom ook achterwege blijven. De vorderingen van [gedaagde] worden afgewezen.



Beslag- en proceskosten





4.13.

[gedaagde] is in zowel conventie als reconventie in het ongelijk gesteld. Hij is daarom beslag- en proceskosten verschuldigd. Er is al een bedrag van € 19.102,74 aan beslag- en proceskosten betaald aan Rabobank. De rechtbank acht dat bedrag redelijk, gelet op de aard en complexiteit van de zaak en de daadwerkelijk door Rabobank betaalde bedragen aan griffierecht en (verhaalbare) deurwaarderskosten. [gedaagde] zal daarom niet worden veroordeeld om meer beslag- en proceskosten te betalen en Rabobank hoeft ook geen deel van het bedrag terug te betalen.






5De beslissing


De rechtbank




in conventie




5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde] gehouden was tot betaling aan Rabobank (als cessionaris) van een bedrag van € 200,000,00, vermeerderd met de contractueel overeengekomen rente van 5% per jaar, te berekenen vanaf 1 januari 2012, tot de dag van algehele voldoening, zijnde 28 juli 2025,



5.2.
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





5.3.
wijst de vorderingen af.


Dit vonnis is gewezen door mr. C. Sijm en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2026.




Hof Amsterdam 7 november 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:2666.