Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:6633

2026-09-23 Civiel recht; Arbeidsrecht 12267682 \ ME VERZ 26-78 AW/1583
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-28
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Beschikking
Zaaknummer
12267682 \ ME VERZ 26-78 AW/1583
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontslag op staande voet houdt stand. Nevenwerkzaamheden niet gemeld en gewerkt voor andere gemeente terwijl werkzaamheden verricht moesten worden voor de eerste gemeente. Geen toekenning gevraagde vergoedingen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (37.222 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Almere



Zaaknummer / rekestnummer: 12267682 \ ME VERZ 26-78 AW/1583




Beschikking van 23 september 2026




in de zaak van





[verzoekende partij]
,
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoekende partij] ,
gemachtigde: mr. M.A. Hoogendoorn,



tegen





[verwerende partij]
,
zetelende te [verwerende partij] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verwerende partij] ,
gemachtigde: mr. M.J. Hofste en mr. L.C.J. van Roekel.





1De procedure


1.1.
De kantonrechter beschikt over de volgende stukken:
- het verzoekschrift van 10 juni 2026 met 11 producties,
- het verweerschrift met 31 producties (ingekomen 14 augustus 2026),
- de aanvullende producties 12 – 20 (van 20 augustus 2026).



1.2.
Op 26 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [verzoekende partij] is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Hoogendoorn. Namens [verwerende partij] zijn verschenen: [A] , leidinggevende, [B] , adjunct afdelingsmanager, [C] , HR businesspartner en [D] , HR businesspartner. [verwerende partij] is bijgestaan door mr. Hofstee en mr. Van Roekel. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. De gemachtigden van [verzoekende partij] en de [verwerende partij] hebben ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen en [verzoekende partij] heeft ook zelf een verklaring voorgedragen. Deze zijn aan het procesdossier toegevoegd.



1.3.
Tijdens de mondelinge behandeling is bepaald dat uiterlijk op 23 september 2026 uitspraak zal worden gedaan.







2Kern van de zaak


2.1.

[verzoekende partij] is sinds 15 februari 2006 in dienst bij de [verwerende partij] als beleidsadviseur. Vanaf 1 juli 2024 heeft [verzoekende partij] op zzp-basis ook werkzaamheden voor de gemeente [gemeente] verricht zonder dat zij dit heeft gemeld bij de [verwerende partij] . Op 10 april 2026 heeft de [verwerende partij] [verzoekende partij] op staande voet ontslagen (onder meer) omdat [verzoekende partij] de nevenwerkzaamheden niet heeft gemeld en [verzoekende partij] werkzaamheden voor de gemeente [gemeente] heeft verricht op momenten dat zij voor de [verwerende partij] had moeten werken. [verzoekende partij] berust in het ontslag. [verzoekende partij] vraagt in deze procedure om de [verwerende partij] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding, de transitievergoeding en de gefixeerde schadevergoeding. De kantonrechter wijst de verzoeken af omdat het ontslag rechtsgeldig is.





3De beoordeling



Wat is er gebeurd?




3.1.

[verzoekende partij] , geboren op [1967] , is sinds 15 februari 2006 in dienst bij de [verwerende partij] . Als beleidsadviseur werkte [verzoekende partij] 30 uur per week tegen een loon van € 5.654,47 bruto per maand. [verzoekende partij] is beleidsadviseur bij de […] , afdeling [afdeling] , teams [team] .



3.2.
De aanstelling van [verzoekende partij] is per 1 januari 2020 op grond van de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) van rechtswege omgezet in een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht. Met de invoering van de Wnra blijft een medewerker ambtenaar.



3.3.

[verzoekende partij] komt met de gemeente [gemeente] overeen dat zij per 1 juli 2024 werkzaamheden voor haar gaat verrichten op ZZP-basis. Met [bedrijf] B.V. (een tussenpersoon) komt de gemeente [gemeente] overeen dat dit voor ongeveer 20 uur per week zal zijn en vanaf 1 januari 2025 komen zij een gemiddeld aantal uren overeen van 20 – 24 uur per week. [verzoekende partij] gaat werkzaamheden verrichten als beleidsmedewerker op het gebied van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) en gaat zich bezighouden met beschermd wonen waarbij zij deelneemt aan het bijbehorende regio-overleg en aan de slag gaat met werkzaamheden die daaruit voortkomen.



3.4.
Op 8 april 2026 wordt [verzoekende partij] door de [verwerende partij] uitgenodigd voor een gesprek. De aanleiding was een signaal van een medewerker van de gemeente [gemeente] dat [verzoekende partij] ook voor de gemeente [gemeente] zou werken. [verzoekende partij] heeft tijdens het gesprek bevestigd dat dit het geval is. Zij heeft verklaard dat zij haar werkzaamheden voor de gemeente [gemeente] verricht op de woensdag- en vrijdagmiddag en tussendoor en dat zij bij aanvang van de werkzaamheden de afweging heeft gemaakt dat de werkzaamheden van de [verwerende partij] en de gemeente [gemeente] elkaar niet zouden bijten. De [verwerende partij] heeft na het gesprek van 8 april 2026 overzichten van de gemeente [gemeente] ontvangen waaruit de data volgen waarop [verzoekende partij] bij de gemeente [gemeente] (digitaal) aanwezig was en waaruit overlap zou volgen met de data waarop [verzoekende partij] voor de [verwerende partij] aan het werk was. De [verwerende partij] heeft [verzoekende partij] naar aanleiding daarvan uitgenodigd voor een tweede gesprek op 10 april 2026. [verzoekende partij] heeft zich kort daarvoor ziek gemeld. Na telefonisch contact met [verzoekende partij] wordt [verzoekende partij] op 10 april 2026 op staande voet ontslagen.



Einde arbeidsovereenkomst





3.5.
Omdat [verzoekende partij] niet verzoekt om vernietiging van het ontslag op staande voet, staat vast dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd op 10 april 2026.



Waar gaat het om?





3.6.
Het gaat in deze zaak om de vraag of het door de [verwerende partij] aan [verzoekende partij] gegeven ontslag op staande voet onregelmatig is gegeven en of aan [verzoekende partij] als gevolg daarvan een billijke vergoeding, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding moet worden toegekend. [verzoekende partij] betwist dat er sprake is van een dringende reden.



3.7.
Gelet op de in artikel 7:686a lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) genoemde vervaltermijn heeft [verzoekende partij] het verzoek tijdig ingediend.



Toetsingskader ontslag op staande voet





3.8.
Bij de beoordeling van de vraag of het ontslag rechtsgeldig is stelt de kantonrechter voorop dat de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig kan opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij sprake is van een opzegging op grond van artikel 7:677 lid 1 BW. In dit artikel staat dat de arbeidsovereenkomst onverwijld opgezegd kan worden om een dringende reden als bedoeld in artikel 7:678 BW, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij.



3.9.

Op grond van artikel 7:678 lid 1 BW worden als dringende redenen in de zin van
lid 1 van artikel 7:677 BW beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De stelplicht en de bewijslast voor het bestaan van een dringende reden liggen bij de werkgever.




3.10.
De door de werkgever aan het ontslag ten grondslag gelegde en aan de werknemer onverwijld medegedeelde reden fixeert de omvang van het debat tussen partijen, omdat voor de werknemer onmiddellijk duidelijk moet zijn welke eigenschappen of gedragingen de ander hebben genoodzaakt tot het beëindigen van de arbeidsovereenkomst. De werknemer moet zich namelijk na de mededeling kunnen beraden of hij de opgegeven reden(en) als juist erkent en als dringend aanvaardt. De werkgever die een werknemer heeft ontslagen, moet dus in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, stellen en zo nodig bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.



3.11.

Bij de beoordeling van de vraag of van een dringende reden sprake is, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. Daarbij moeten ook de persoonlijke omstandigheden van de werknemer worden betrokken. Verder kan meewegen wat de gevolgen zijn voor de werknemer van een ontslag op staande voet.


Er was een dringende reden voor ontslag op staande voet aanwezig





3.12.
De [verwerende partij] heeft in haar brief van 13 april 2026 acht redenen aangevoerd waarop zij het ontslag op staande voet heeft gebaseerd. De [verwerende partij] baseert het ontslag op staande voet op:
( i) het nalaten melding te maken van nevenwerkzaamheden voor gemeente [gemeente] , in strijd met de verplichting daartoe volgend uit de Gedragscode van [verwerende partij] , meer specifiek de Regeling nevenwerkzaamheden;

(ii) het verrichten van werkzaamheden voor gemeente [gemeente] op momenten dat [verzoekende partij] voor [verwerende partij] werkzaamheden zou moeten verrichten;
(iii) het nalaten verlof aan te vragen en op te nemen voor verschillende momenten waarop [verzoekende partij] niet aan het werk is geweest voor [verwerende partij] ;
(iv) het niet naar waarheid verklaren over de omvang van de nevenwerkzaamheden bij gemeente [gemeente] tijdens het verantwoordingsgesprek op 8 april 2026;

( v) het niet naar waarheid verklaren over de momenten waarop [verzoekende partij] nevenwerkzaamheden bij gemeente [gemeente] verricht tijdens het verantwoordingsgesprek op 8 april 2026, te weten op de woensdag- en vrijdagmiddag en ‘tussendoor’;

(vi) het niet naar waarheid verklaren over de aard en inhoud van de nevenwerkzaamheden voor gemeente [gemeente] tijdens het verantwoordingsgesprek op 8 april 2026;
(vii) het niet naar waarheid verklaren over de redenen voor afwezigheid op verschillende momenten waarop [verzoekende partij] werkafspraken bij [verwerende partij] had tijdens het verantwoordingsgesprek op 8 april 2026;
(viii) het niet naar waarheid verklaren over de overlap tussen de werkuren voor gemeente

[verwerende partij] en gemeente [gemeente] over de periode 13 januari tot en met 9 april 2026 tijdens het vervolggesprek op 10 april 2026.
In de ontslagbrief is daarnaast vermeld dat de gedragingen van [verzoekende partij] zowel ieder voor zich als gezamenlijk dringende redenen opleveren voor de onmiddellijke beëindiging van het dienstverband. Beoordeeld moet daarom worden of de aan het ontslag ten grondslag gelegde gedragingen van [verzoekende partij] afzonderlijk, dan wel in samenhang bezien, kwalificeren als (een) dringende reden(en) voor een ontslag op staande voet.




3.13.
Aan [verzoekende partij] wordt allereerst verweten dat zij haar nevenwerkzaamheden niet heeft gemeld bij de [verwerende partij] .



3.14.
Op de arbeidsovereenkomst is de Regeling nevenwerkzaamheden van de [verwerende partij] van toepassing. In de Regeling nevenwerkzaamheden staat dat een medewerker verplicht is de nevenwerkzaamheden te melden, onder meer als er een risico is dat de nevenwerkzaamheden een goede functievervulling in de weg staan (artikel 4) en dat de medewerker verplicht is in geval van nevenwerkzaamheden waarbij sprake is van een arbeidsverhouding (een betaalde baan) de regels van de Arbeidstijdenwet en daaruit voortvloeiende besluiten en voorschriften in acht te nemen (artikel 6). Ook worden de nevenwerkzaamheden geacht buiten de voor de medewerker geldende werktijden te worden verricht (artikel 6). Verder staat in de regeling dat een medewerker zelf moet beoordelen of het belang van de [verwerende partij] geraakt wordt en dat wanneer een medewerker dit niet zeker weet, de nevenwerkzaamheden het beste kunnen worden gemeld. Een medewerker moet op eigen initiatief nevenwerkzaamheden bespreekbaar maken met leidinggevenden.



3.15.

[verzoekende partij] is uit hoofde van haar arbeidsovereenkomst met een overheidswerkgever (ook na 1 januari 2020) ambtenaar. Dat maakt dat ook de Ambtenarenwet 2017 op haar van toepassing is. Dat betekent dat [verzoekende partij] de op haar rustende en uit haar functie voortvloeiende verplichtingen dient te vervullen, zich als goed werknemer dient te gedragen, maar daarnaast ook te gedragen als een goed ambtenaar betaamt (artikel 6 lid 1 Ambtenarenwet 2017). Aan een ambtenaar in overheidsdienst worden hoge eisen gesteld ten aanzien van integriteit en betrouwbaarheid. Verder regelt artikel 8 van de Ambtenarenwet 2017 dat een ambtenaar verplicht is aan haar werkgever nevenwerkzaamheden die zij verricht te melden als die de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met haar functievervulling, kunnen raken. In de brief van 12 december 2019 waarin [verzoekende partij] is geïnformeerd over de wijziging van de rechtspositie van de ambtenaar, heeft de [verwerende partij] [verzoekende partij] ook nog op de bijzondere positie van ambtenaar gewezen. Er worden aan die positie extra eisen gesteld op het gebied van integriteit, waaronder aan de regels over nevenwerkzaamheden.



3.16.

[verzoekende partij] was dus niet verplicht om altijd nevenwerkzaamheden te melden, maar wel als er een risico bestaat dat de nevenwerkzaamheden een goede functievervulling in de weg staan en als dit de belangen van de dienst voor zover deze in verband staan met haar functie kunnen raken. Daarvan is hier naar het oordeel van de kantonrechter sprake. Dat betekent dat [verzoekende partij] in dit geval de nevenwerkzaamheden wel had moeten melden.



3.17.
Bij aanvang van de werkzaamheden voor de gemeente [gemeente] stond vast dat het totaal aantal uren dat [verzoekende partij] zou gaan werken voor beide gemeenten de omvang van een fulltime dienstverband zou overstijgen. [verzoekende partij] werkte namelijk 30 uur voor de [verwerende partij] . [verzoekende partij] heeft in 2026 gemiddeld 16 uur per week gewerkt voor [gemeente] . Dat komt overeen met wat zij naar eigen zeggen voor ogen had bij aanvang van de werkzaamheden in [gemeente] . [verzoekende partij] geeft aan dat zij veel uren werken geen probleem vond en dat zij er wel wat bij kon hebben dus dat zij daarom geen probleem zag bij aanvang van de werkzaamheden in [gemeente] . Daarmee gaat [verzoekende partij] er aan voorbij dat dat de overleggen en werkafspraken bij beiden gemeenten wel binnen gebruikelijke kantooruren plaatsvonden, en niet in de avonduren. Dit betekent dat er bij aanvang al een risico was dat de werkzaamheden elkaar gaan bijten. Hoe dan ook, [verzoekende partij] had - naar het oordeel van de kantonrechter - in ieder geval ná de start van de werkzaamheden moeten beseffen dat zij de nevenwerkzaamheden moest melden.



3.18.

In de relatief korte periode (13 januari – 9 april 2026) die de [verwerende partij] heeft beoordeeld waren er namelijk dubbelingen in haar agenda. Uit de overzichten van de [verwerende partij] en gemeente [gemeente] blijkt dat [verzoekende partij] op verschillende momenten tijd in haar agenda van [verwerende partij] reserveerde voor bepaalde werkzaamheden voor de [verwerende partij] , terwijl zij dan (fysiek of digitaal) deelnam aan overleggen voor de gemeente [gemeente] . Dat is in ieder geval gebeurd op 22 januari 2026, 28 januari 2026, 16 maart 2026, 30 maart 2026 en 31 maart 2026.
In de agenda van de [verwerende partij] stond dan bijvoorbeeld de aanduiding ‘Reservering vervolg MGN’ (22 januari), “Mails – geen afspraken plannen” (28 januari) of “Blok overleg GGZ” (16 maart). Op deze momenten nam [verzoekende partij] echter deel aan afspraken/overleggen voor de gemeente [gemeente] (die niet zichtbaar waren in haar agenda voor [verwerende partij] ).




3.19.

[verzoekende partij] heeft over 22 januari opgemerkt dat in de agenda van [verwerende partij] een reservering stond maar dat een reservering geen afspraak is en dat het haar dus vrij stond om in [gemeente] te zijn. De kantonrechter gaat daaraan voorbij. Het is nog steeds een moment dat [verzoekende partij] blijkbaar werkafspraken had in [gemeente] maar daar niet open over was en tijd blokte in haar agenda voor werkzaamheden in [verwerende partij] . Verder stonden volgens [verzoekende partij] de overleggen in [gemeente] op 28 januari, 30 en 31 maart niet in de weg aan haar werk voor de [verwerende partij] . Ook daar gaat de kantonrechter aan voorbij. Het gaat er niet om of [verzoekende partij] de werkzaamheden voor [verwerende partij] (naar tevredenheid) heeft verricht, het gaat er om dat er sprake was van overlap in de werkzaamheden voor [gemeente] en [verwerende partij] . Over 16 maart 2026 heeft [verzoekende partij] verklaard dat zij die ochtend verlof heeft opgenomen en dat zij daarom werkzaamheden voor [gemeente] mocht verrichten. Het punt is echter dat er sprake was overlap in haar agenda, ook op die dag. Dat zij blijkbaar later heeft genoteerd in haar agenda dat zij 4 uur verlof opneemt (zonder dat dit geregistreerd is of met haar leidinggevende is overlegd) doet daar niet aan af.



3.20.
Ook blijkt dat [verzoekende partij] niet aanwezig was bij overleggen van de [verwerende partij] waar haar aanwezigheid wel werd verwacht terwijl zij op dat moment wel aanwezig was bij afspraken voor de gemeente [gemeente] . De [verwerende partij] heeft dit onderbouwd met verklaringen van de gemeente [gemeente] . Hieruit blijkt het volgende.

- Op 23 februari 2026 was [verzoekende partij] zonder afmelding niet aanwezig bij een OGGZ overleg voor de [verwerende partij] maar was zij aanwezig bij een afspraak voor de gemeente [gemeente] van half 1 tot 4. [verzoekende partij] heeft verklaard dat zij niet weet waarom zij niet aanwezig was in [verwerende partij] . Mogelijk was zij de afspraak in [verwerende partij] vergeten omdat zij aan het afronden was voor haar vakantie. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. Uit de overgelegde stukken blijkt dat [verzoekende partij] aanwezig was voor de gemeente [gemeente] bij een regionale werkgroep inkoop beschermd wonen in [plaats] . Dus het staat voldoende vast dat dat de reden is geweest voor haar afwezigheid in [verwerende partij] .


Op 2 maart 2026 heeft [verzoekende partij] zich afgemeld voor een overleg OGGZ van de [verwerende partij] en was zij in dat tijdvak aanwezig bij een overleg voor de gemeente [gemeente] . [verzoekende partij] heeft dit onvoldoende betwist door alleen aan te geven dat het genoemde overleg was verplaatst en dat zij zich niet kan herinneren dat zij daarbij afwezig was.


Op 4 maart 2026 had [verzoekende partij] om 09:30 uur bij een werkafspraak met collega’s moeten zijn van de [verwerende partij] maar deed zij van 09:00 tot 10:00 uur mee aan een bespreking in [gemeente] . Uit een verklaring van een collega blijkt dat zij pas om 10:10 uur is aangesloten bij het digitale overleg in [verwerende partij] . Volgens [verzoekende partij] was zij later aangesloten omdat het altijd wat onduidelijk was of het overleg doorging en had het niets te maken met de werkzaamheden in [gemeente] . De kantonrechter constateert echter dat niet is betwist dat er sprake was van een overlap in haar agenda en dat zij werd verwacht bij het overleg in [verwerende partij] .


Op 9 april 2026 had [verzoekende partij] aanwezig moeten zijn bij verschillende afspraken voor de [verwerende partij] . Uit de verklaring van [gemeente] blijkt echter dat zij van 14:00 uur tot 17:00 uur aanwezig was bij een bijeenkomst in [plaats] voor de gemeente [gemeente] over regionale inkoop beschermd wonen. Volgens [verzoekende partij] wilde zij op 9 april 2026 4 uur verlof opnemen, maar dat is niet geregistreerd en niet besproken met haar leidinggevende.




3.21.
Uit de voorgaande overwegingen blijkt dat [verzoekende partij] op verschillende momenten keuzes moest maken tussen de werkzaamheden voor de [verwerende partij] of voor [gemeente] en dat zij daar niet open over is geweest. Ook stonden er blokken in haar agenda van [verwerende partij] gereserveerd terwijl zij dan aan het werk was voor de gemeente [gemeente] . Verder waren er overleggen waar haar aanwezigheid werd verwacht en waarbij zij dan werkte voor de gemeente [gemeente] , wederom zonder daar open over te zijn. [verzoekende partij] had moeten weten dat zij open kaart moest spelen over de werkzaamheden voor de gemeente [gemeente] . Dit geldt des te meer omdat [verzoekende partij] door haar leidinggevende is aangesproken op haar aanwezigheid en adequaatheid. Volgens de [verwerende partij] stond [verzoekende partij] bekend als een medewerker die er weinig was en afspraken niet nakwam. [verzoekende partij] is daarop aangesproken onder meer tijdens het resultaat- en ontwikkelgesprek op 12 mei 2025. Daar worden afspraken gemaakt, onder meer over hoe [verzoekende partij] zich beter aan werkafspraken kon houden. Volgens [verzoekende partij] had de feedback op haar aanwezigheid en nakomen van afspraken niets te maken met haar werkzaamheden voor [gemeente] . Dat vindt de kantonrechter niet aannemelijk omdat uit het voorgaande al blijkt dat er verschillende momenten zijn geweest waarbij wel degelijk een overlap met werkzaamheden voor [gemeente] blijkt.



3.22.

Bovendien is er een concrete situatie op 1 april 2026 geweest die wederom aanleiding had moeten zijn voor [verzoekende partij] om openheid te geven. Voor 1 april 2026 is tussen [verzoekende partij] en haar leidinggevende [A] afgesproken dat [verzoekende partij] een nieuwe collega zou gaan inwerken op het stadhuis. [verzoekende partij] geeft aan dat zij om 12:00 uur naar huis gaat. [A] geeft daarop per e-mail aan: “Ik snap eerlijk gezegd deze houding niet helemaal. In je agenda staan verder geen afspraken behalve een bijpraatmoment om 15:30. Ik hoor graag van je.” [verzoekende partij] reageert: “Heeft niets met mijn houding te maken. Ik help graag bij het inwerken van nieuwe collega’s. En dat weet je. Ik begrijp soms niet goed waarom niemand op woensdag aanwezig kan zijn. Ik heb ook nog veel op het lijstje staan om af te werken. Maar goed ik ben er en als het moet de hele dag”

[verzoekende partij] is alsnog om 14:00 uur vertrokken. Uit de verklaringen van de gemeente [gemeente] blijkt dat er zij die middag diverse teams meetings had met collega’s van [naam ] gemeenten. Dat zij teams meetings in haar agenda had voor [gemeente] heeft [verzoekende partij] echter niet aan [A] verteld. [verzoekende partij] heeft op de mondelinge behandeling verklaard dat zij vindt dat zij zelf mocht bepalen om naar huis te gaan omdat de nieuwe medewerker met een training bezig was. En dat zij niet heeft verteld dat zij afspraken had voor de gemeente [gemeente] omdat zij een bepaalde zelfstandigheid gewend was. Andere managers lieten haar meer vrij dan [A] deed. De kantonrechter gaat hieraan voorbij. [verzoekende partij] had als goed ambtenaar en werknemer open moeten zijn over haar conflicterende verplichtingen die middag. Dat [A] haar minder vrij liet dan de vorige managers, zou eerder reden moeten zijn om haar nevenwerkzaamheden te bespreken, dan om het niet te doen. Hoe dan ook, het was die dag (wederom) duidelijk dat er een risico was dat de nevenwerkzaamheden aan een goede functievervulling voor de [verwerende partij] in de weg stond en dat [verzoekende partij] daarom de nevenwerkzaamheden had moeten melden.




3.23.

[verzoekende partij] heeft nog aangevoerd dat het haar vrij stond om binnen het dagvenster van 07:00 tot 22:00 te werken op grond van de Regeling plaatsonafhankelijk werken zoals van toepassing binnen de [verwerende partij] . Dat neemt echter niet weg dat er feitelijk gebleken is van overlap van werkzaamheden en dat dat in ieder geval reden had moeten zijn om dit te melden en bespreken met haar leidinggevende. Bovendien staat in de Regeling plaatsonafhankelijk werken dat medewerker en leidinggevende met elkaar afspraken moeten maken over de werktijden. De flexibiliteit is dus niet onbeperkt. Ook werd van [verzoekende partij] wel verwacht dat zij aanwezig was, al dan niet fysiek, bij verschillende werkafspraken en werkoverleggen die binnen reguliere kantoortijden plaatsvonden. Dit is ook niet door [verzoekende partij] betwist. [verzoekende partij] was dus zeker niet geheel vrij in het indelen van haar werktijden.



3.24.
De conclusie van al het voorgaande is dan ook dat voldoende aannemelijk is geworden dat er een risico bestond dat de nevenwerkzaamheden een goede functievervulling voor de [verwerende partij] in de weg stonden. [verzoekende partij] had dan ook zonder meer haar nevenwerkzaamheden voor de gemeente [gemeente] moeten melden bij de [verwerende partij] .



3.25.
Aan [verzoekende partij] wordt verder verweten dat zij werkzaamheden voor gemeente [gemeente] heeft verricht op momenten dat zij voor [verwerende partij] werkzaamheden zou moeten verrichten. Volgens [verwerende partij] was dit in ieder geval het geval op 23 februari, 4 maart, 1 april en 9 april 2026. Dat wordt door [verzoekende partij] betwist.



3.26.
Uit wat hiervoor is overwogen (zie r.o. 3.20 en 3.22) blijkt dat [verzoekende partij] (in ieder geval) op deze vier data werkzaamheden heeft verricht voor de gemeente [gemeente] terwijl zij dat had moeten doen voor de [verwerende partij] . [verzoekende partij] lijkt aan te geven dat zij zelf mocht weten of ze bij overleggen in [verwerende partij] aanwezig was, maar geeft ook aan dat ze zich wel afmeldde voor overleggen. Daarmee geeft [verzoekende partij] feitelijk aan dat ze ‘soms’ voorrang gaf aan gemeente [gemeente] . [verzoekende partij] wist dus wel dat ze bij overleggen in [verwerende partij] werd verwacht. [verzoekende partij] geeft verder aan dat zij naast de gemiddelde 16 uur bij de gemeente [gemeente] , altijd (meer dan) 30 uur voor de [verwerende partij] heeft gewerkt. Zo moest zij nieuwe collega’s inwerken en dossiers van een zieke senior beleidsmedewerker overnemen. Wat hier ook van zij, aan een ambtenaar worden bijzondere integriteitseisen gesteld en als onderdeel daarvan mag de [verwerende partij] erop vertrouwen dat haar medewerkers hun werkzaamheden naar behoren én volgens afspraak uitvoeren en daar wringt nu juist de schoen.



3.27.
Dit alles leidt tot de conclusie dat met de door [verwerende partij] in het geding gebrachte stukken voldoende is komen vast te staan dat [verzoekende partij] de nevenwerkzaamheden had moeten melden en werkzaamheden voor gemeente [gemeente] heeft verricht op momenten dat zij voor [verwerende partij] werkzaamheden zou moeten verrichten. Aan nadere bewijslevering door [verzoekende partij] wordt niet toegekomen. De verklaring van de gemeente [gemeente] en de agendaoverzichten waren immers al bij verweerschrift ingediend. [verzoekende partij] is voldoende in de gelegenheid geweest om hierop actie te ondernemen als zij dat wenselijk vond.



3.28.

[verwerende partij] verwijt [verzoekende partij] ook nog dat zij heeft nagelaten verlof aan te vragen en op te nemen voor verschillende momenten, ook toen zij een aantal dagen vakantie had. [verzoekende partij] heeft toegelicht dat zij eens per kwartaal haar verlof inboekte en dat dit nooit eerder een probleem is geweest. Ter zitting heeft de [verwerende partij] aangegeven dat het achteraf registreren wel vaker gebeurde, maar dat er op voorhand dan wel helderheid was of iemand er wel of niet is. Daar waar er toch enige onduidelijkheid is over het registreren van het verlof had de [verwerende partij] eerst moeten volstaan met een waarschuwing.





Overige omstandigheden





3.29.
Bij de beoordeling van de vraag of het handelen van [verzoekende partij] een dringende reden voor een ontslag op staande voet oplevert, moeten alle omstandigheden van het geval, waaronder de persoonlijke omstandigheden, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. In dat verband heeft [verzoekende partij] benadrukt dat het ontslag op staande voet een enorme impact op haar heeft gehad. Zij heeft altijd goed gefunctioneerd. Volgens [verzoekende partij] heeft de [verwerende partij] een overhaast en onjuist standpunt ingenomen. [verzoekende partij] meent dat de [verwerende partij] had kunnen en moeten volstaan met een minder zwaar middel zoals een officiële waarschuwing.



3.30.
De door [verzoekende partij] aangevoerde omstandigheden kunnen het handelen van [verzoekende partij] niet rechtvaardigen. [verzoekende partij] heeft door het niet melden van haar nevenwerkzaamheden in strijd gehandeld met de Regeling nevenwerkzaamheden. Daarnaast heeft zij werkzaamheden voor gemeente [gemeente] verricht op momenten dat zij voor [verwerende partij] werkzaamheden zou moeten verrichten. Dit tezamen verhoudt zich niet tot de integriteit die van [verzoekende partij] wordt verwacht. Aan een ambtenaar worden immers bijzondere integriteitseisen gesteld. De handelwijze van [verzoekende partij] wordt aangemerkt als een zodanig ernstige schending van de op haar rustende verplichting zich tegenover de [verwerende partij] als goed werknemer en ambtenaar te gedragen en daarmee als een dermate ernstige inbreuk op het vertrouwen dat de [verwerende partij] in haar moest kunnen stellen, dat van haar redelijkerwijs niet kon worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij weegt mee dat de opdracht in [gemeente] liep tot eind juni 2026 en [verzoekende partij] daarna een nieuwe ZZP-opdracht heeft gevonden. [verzoekende partij] is dus niet sinds 10 april 2026 zonder inkomsten komen te zitten. Dat zij heeft gekozen voor opdrachten op zzp-basis en niet voor werkzaamheden in loondienst is niet iets wat zij bij [verwerende partij] neer kan leggen. Hieruit volgt dat de gevolgen van het ontslag niet aan de onmiddellijke beëindiging van het dienstverband in de weg staan.



3.31.
De conclusie is dat er sprake is van een dringende reden en dat de [verwerende partij] de arbeidsovereenkomst met [verzoekende partij] daarom op 10 april 2026 onverwijld heeft mogen opzeggen. De verklaring voor recht dat er geen sprake is geweest van een rechtsgeldig ontslag op staande voet wordt dan ook afgewezen. De overige aan het ontslag gelegde redenen hoeven niet verder behandeld te worden.



De gevorderde billijke vergoeding wordt afgewezen





3.32.
Omdat er geen sprake is van een opzegging in strijd met artikel 7:671 BW, is er ook geen grond om toepassing te geven aan artikel 7:681 lid 1 BW. [verzoekende partij] krijgt dan ook geen billijke vergoeding. Een billijke vergoeding kan immers alleen worden toegekend als het ontslag niet geldig is. Zoals hiervoor is gebleken is daarvan in dit geval geen sprake.



De gevorderde gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen





3.33.
Uit de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet volgt dat van een onregelmatig ontslag geen sprake is, zodat de door [verzoekende partij] verzochte schadevergoeding op basis van onregelmatige opzegging eveneens niet toewijsbaar is (artikel 7:672 lid 11 BW).



De gevorderde transitievergoeding wordt afgewezen





3.34.

[verzoekende partij] heeft (subsidiair) verzocht om de [verwerende partij] te veroordelen een transitievergoeding te betalen. Op grond van artikel 7:673 lid 7 aanhef en onder c BW heeft een werknemer geen recht op een transitievergoeding als het einde van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten. Daarvan is in dit geval sprake. [verzoekende partij] heeft eerst de afweging gemaakt dat de werkzaamheden elkaar niet “beten” omdat ze de extra uren er wel bij kon hebben en daarom de nevenwerkzaamheden niet hoefde te melden. Echter toen zij het drukker kreeg en door haar leidinggevende werd aangesproken op haar aanwezigheid, had het voor haar duidelijk moeten zijn dat zij haar nevenwerkzaamheden moest melden. Dat het niet bij haar is opgekomen acht de kantonrechter ongeloofwaardig. Er zijn momenten geweest dat de werkzaamheden met elkaar botsten. Er was bovendien sprake van een nieuwe leidinggevende die [verzoekende partij] meer op de “huid” zat. [verzoekende partij] irriteerde zich daaraan zoals zij op de mondelinge behandeling heeft toegelicht. Dit had voor [verzoekende partij] des te meer aanleiding moeten zijn om haar afweging dat zij de nevenwerkzaamheden niet hoefde te melden te heroverwegen. Zij heeft echter nog steeds geen open kaart gespeeld over de nevenwerkzaamheden. Daarmee heeft [verzoekende partij] zich niet gedragen naar wat van een goed ambtenaar mag worden verwacht.



3.35.

[verzoekende partij] heeft daarnaast een beroep gedaan op artikel 7:673 lid 8 BW, waarin is bepaald dat ondanks ernstige verwijtbaarheid een transitievergoeding kan worden toegekend indien het niet toekennen hiervan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. [verzoekende partij] heeft nagelaten concreet te onderbouwen op grond waarvan zij meent dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn indien aan haar geen transitievergoeding wordt toegekend. De formulering “naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid” brengt bovendien tot uitdrukking dat de rechter bij de toepassing van artikel 7:673 lid 8 BW de nodige terughoudendheid dient te betrachten. In de parlementaire geschiedenis wordt het voorbeeld genoemd van een relatief kleine misstap na een heel lang dienstverband (zie Kamerstukken II 2013/14, 33818, 3, p. 113). In het onderhavige geval is sprake van een lang dienstverband maar geen sprake van een relatief kleine misstap. Het verzoek tot toekenning van de transitievergoeding op grond van artikel 7:673 lid 8 BW zal worden afgewezen.




[verzoekende partij] moet de proceskosten van de [verwerende partij] betalen





3.36.
De proceskosten komen voor rekening van [verzoekende partij] , omdat [verzoekende partij] ongelijk krijgt. De proceskosten aan de zijde van [verwerende partij] worden begroot op € 1.009,00 (€ 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.



Uitvoerbaar bij voorraadverklaring





3.37.
De verzochte uitvoerbaar bij voorraadverklaring, waartegen geen verweer is gevoerd, zal eveneens worden toegewezen.








4De beslissing


De kantonrechter



4.1.
wijst het verzoek af,



4.2.
veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten van € 1.009,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoekende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,



4.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.


Deze beschikking is gegeven door mr. M.R. van der Vos en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.






Op de mondelinge behandeling heeft [verzoekende partij] verklaard dat zij er bij aanvang van de werkzaamheden van uit ging dat het gemiddeld 12-14 uur per week zou zijn en in de laatste periode meer. Ook heeft [verzoekende partij] verklaard dat zij niet bekend was met het contract dat [bedrijf] had afgesloten (zie r.o. 3.3), dat van een (veel) hoger aantal uur uitging.


Op de mondelinge behandeling heeft de [verwerende partij] verwezen naar productie 17.


Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.