Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Midden-Nederland

ECLI:NL:RBMNE:2026:5307

2026-07-29 Civiel recht 11964291 \ UC EXPL 25-8926
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Uitspraakdatum
2026-07-29
Publicatiedatum
2026-08-09
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
11964291 \ UC EXPL 25-8926
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

partijen (bv's van ex-echtgenoten) hebben een afspraak dat loon voor verleende diensten wordt verrekend met gebruikersvergoeding voor een auto. vorderingen over en weer grotendeels afgewezen

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (50.421 tekens)
RECHTBANK
MIDDEN-NEDERLAND



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Utrecht



Zaaknummer: 11964291 \ UC EXPL 25-8926




Vonnis van 29 juli 2026




in de zaak van





1 [eiseres sub 1] B.V.,

gevestigd in [plaats 1] en zaak doende te [plaats 2] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 1] ,2. [eiseres sub 2] B.V.,
gevestigd in [plaats 2] ,
hierna te noemen: [eiseres sub 2] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in voorwaardelijke reconventie en in het incident,
hierna samen te noemen: [eiseres sub 1] c.s.,
gemachtigde: mr. S.D. Kurz,



tegen





1 [gedaagde sub 1] ,(voorheen) handelend onder de naam [handelsnaam] ,
wonend in [plaats 3] ,hierna te noemen: [gedaagde sub 1] ,
2. [gedaagde sub 2] B.V.,
gevestigd in [plaats 3] ,hierna te noemen: [gedaagde sub 2] ,
3. [gedaagde sub 3] B.V.,

gevestigd in [plaats 4] ,
hierna te noemen: [gedaagde sub 3] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in voorwaardelijke reconventie en in het incident,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 1] c.s.,
gemachtigde: mr. J. Cortet.





1De procedure


1.1
De kantonrechter heeft de volgende stukken:


de dagvaarding van 31 oktober 2025 met producties,


de conclusie van antwoord, ingediend door de voormalig gemachtigde van [gedaagde sub 1] c.s., mevrouw [A] ,


de aanvullende conclusie van antwoord tevens van voorwaardelijke eis in reconventie en de incidentele vordering tot onbevoegdheid van de kantonrechter in conventie, ingediend door de huidige gemachtigde van [gedaagde sub 1] c.s., mr. J. Cortet, met producties,


de zittingsaantekeningen die de griffier heeft gemaakt tijdens de mondelinge behandeling van 4 maart 2026.





1.2
Tijdens de mondelinge behandeling was aan de zijde van [eiseres sub 1] c.s. de heer [B] , (indirect) bestuurder van [eiseres sub 1] c.s. (hierna: [B] ), aanwezig met mr. S.D. Kurz. Aan de zijde van [gedaagde sub 1] c.s. was mevrouw [gedaagde sub 1] , (indirect) bestuurder van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] , aanwezig met mr. J. Cortet. In reactie op de tegen haar voorwaardelijk ingediende eis in reconventie heeft [eiseres sub 2] mondeling een conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie en van antwoord in het incidente genomen en tevens een incident tot onbevoegdheid van de kantonrechter in de voorwaardelijke reconventie opgeworpen. Het beroep op artikel 6:87 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) hebben [eiseres sub 1] c.s. tijdens de mondelinge behandeling niet gehandhaafd. [gedaagde sub 1] c.s. hebben een tweede incident (het ontslaan van [gedaagde sub 1] c.s. van de instantie) opgeworpen. Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter [eiseres sub 1] c.s. in de gelegenheid gesteld om het nog niet betaalde griffierecht te betalen en besloten dat na betaling daarvan vonnis zal worden gewezen.



1.3

[eiseres sub 1] c.s. hebben na de mondelinge behandeling op 5 maart 2026 een bewijs van betaling van het griffierecht aan de kantonrechter gestuurd.





2De kern van de zaak


2.1

[gedaagde sub 1] heeft van 1 juni 2022 tot en met 1 januari 2025 gebruik gemaakt van een Tesla (hierna: de auto), die [eiseres sub 1] leaset van [onderneming] B.V. en aan [gedaagde sub 1] ter beschikking heeft gesteld. [eiseres sub 1] c.s. stellen dat met [gedaagde sub 1] is afgesproken dat:
i. de door [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 1] maandelijks verschuldigde gebruikersvergoeding voor de auto van € 804,87 exclusief btw (= € 973,89 inclusief btw) mag worden verrekend met door [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 2] te factureren loon voor door haar aan [eiseres sub 2] verleende (recruitment)diensten;

verrekening plaatsvindt op het moment waarop loon voor door [gedaagde sub 1] verleende (recruitment)diensten aan [eiseres sub 2] wordt gefactureerd;
het loon van [gedaagde sub 1] in de periode van 1 juni 2022 tot 1 januari 2025 gelijk is aan de gebruiksvergoeding voor de auto.


[eiseres sub 1] c.s. stellen dat de verrekening niet heeft plaatsgevonden omdat [eiseres sub 2] geen facturen voor de door [gedaagde sub 1] verleende (recruitment)diensten heeft ontvangen. [eiseres sub 1] c.s. willen dat [gedaagde sub 1] c.s. € 30.190,67 aan [eiseres sub 1] betalen als gebruikersvergoeding voor de auto (waarna [gedaagde sub 1] een gelijk bedrag ontvangt voor haar in de periode van 1 juni 2022 tot 1 januari 2025 verleende diensten). [eiseres sub 1] c.s. vorderen daarnaast veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. tot afgifte aan [eiseres sub 2] van facturen voor de door [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 2] in de periode van 1 juni 2022 tot 1 januari 2025 verleende diensten en meerdere verklaringen van recht. [gedaagde sub 1] c.s. betwisten dat [gedaagde sub 1] deze afspraken heeft gemaakt, willen de gebruikersvergoeding niet aan [eiseres sub 1] betalen en stellen dat [eiseres sub 2] al een factuur voor de in 2021 tot en met 2024 door [gedaagde sub 1] verleende (recruitment)diensten heeft ontvangen. In voorwaardelijke reconventie vordert [gedaagde sub 2] dat [eiseres sub 2] het loon van [gedaagde sub 1] voor in 2021 toe en met 2024 aan [eiseres sub 2] verleende (recruitment)diensten van € 205.397,00 aan [gedaagde sub 2] betaalt. De kantonrechter geeft [gedaagde sub 1] c.s. in conventie grotendeels gelijk en wijst de vorderingen van [eiseres sub 1] c.s. grotendeels af. De voorwaardelijke vordering in reconventie wordt ook afgewezen.





3De achtergrond


3.1

[B] en [gedaagde sub 1] zijn echtgenoten van elkaar. [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] zijn bv’s van [B] . [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn bv’s van [gedaagde sub 1] . [B] is de bestuurder van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 1] is de bestuurder van [eiseres sub 2] . [gedaagde sub 1] is de bestuurder van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 3] is de bestuurder van [gedaagde sub 2] . Inmiddels liggen [B] en [gedaagde sub 1] in een echtscheiding. Er lopen meerdere (gerechtelijke) procedures tussen hen.



3.2

[eiseres sub 1] is in 2017 opgericht en [eiseres sub 2] in 2018. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn op 31 maart 2025 opgericht.



3.3

[eiseres sub 1] heeft met [onderneming] B.V. een financial lease overeenkomst gesloten voor de auto.In de periode van 1 juni 2022 tot 2 januari 2025 heeft [gedaagde sub 1] de auto gebruikt.



3.4
Op 14 april 2025 heeft [eiseres sub 1] aan [gedaagde sub 2] € 30.190,67 gefactureerd als vergoeding voor het gebruik van de auto in de periode van 1 juni 2022 tot 2 januari 2025 en € 650,00 als vergoeding voor schade aan de velgen van de auto.



3.5
In 2018 tot en met 2024 heeft [gedaagde sub 1] in opdracht van [eiseres sub 2] (recruitment)diensten aan [eiseres sub 2] verleend. Voor het loon van [gedaagde sub 1] voor de door haar in 2021 tot en met 2024 aan [eiseres sub 2] verleende diensten heeft [gedaagde sub 2] op 11 september 2025 € 205.397,00 aan [eiseres sub 2] gefactureerd.





4De beoordeling in het incident


4.1

[gedaagde sub 1] c.s. heeft één incidentele vordering ingesteld, waarop de kantonrechter moet beslissen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben zowel [eiseres sub 2] als [gedaagde sub 2] een incident opgeworpen, die de kantonrechter ten overvloede beoordeelt.



Incidenten in conventie





Het opgeworpen incident - De kantonrechter ontslaat [gedaagde sub 1] c.s. niet van de instantie





4.2

Tijdens de mondelinge behandeling hebben [gedaagde sub 1] c.s. betoogd dat de kantonrechter hen ‘van de instantie moet ontslaan’, omdat [eiseres sub 1] c.s. het griffierecht niet op tijd hebben betaald. Dat doet de kantonrechter niet. Daartoe overweegt zij het volgende. In artikel 127a lid 2 Rv staat dat wanneer het griffierecht te laat betaald is, de kantonrechter de gedaagde ‘van de instantie’ moet ontslaan. Maar, artikel 127a Rv geeft niet de mogelijkheid het tweede lid van dit artikel nog toe te passen in het geval dat de rechter een begin heeft gemaakt met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Omdat de mondelinge behandeling van de zaak al was begonnen toen [gedaagde sub 1] c.s. dit incident hebben opgeworpen, mocht de kantonrechter [gedaagde sub 1] c.s. niet meer van de instantie ontslaan.

De ingestelde incidentele vordering - De kantonrechter is wel bevoegd om over de vorderingen in conventie te oordelen





4.3

[gedaagde sub 1] c.s. vinden dat de kantonrechter niet bevoegd is om over de vorderingen in conventie te oordelen en dat deze zaak door de handelskamer van de rechtbank Midden-Nederland moet worden behandeld. [eiseres sub 1] c.s. vorderen namelijk betaling van in totaal € 33.295,67 en dit overstijgt volgens [gedaagde sub 1] c.s. de bevoegdheid van de kantonrechter.



4.4
De kantonrechter oordeelt in het incident dat zij wel bevoegd is. Daartoe overweegt zij het volgende.


4.4.1
In de wet staat inderdaad dat de kantonrechter bevoegd is om te oordelen over vorderingen die niet meer dan € 25.000,00 bedragen. Maar, hier is een uitzondering op gemaakt. De kantonrechter is altijd bevoegd in zogenoemde aardzaken. Bij deze aardzaken, zoals bijvoorbeeld vorderingen over huurovereenkomsten, maakt de hoogte van de vordering niet uit voor de bevoegdheid van de kantonrechter. Als een zaak meer vorderingen betreft en tenminste één daarvan een vordering met betrekking tot een aardzaak is, worden alle vorderingen door de kantonrechter behandeld en beslist.


4.4.2
De zaak tussen [eiseres sub 1] c.s. en [gedaagde sub 1] c.s. over het gebruik van de auto is een aardzaak, omdat het geschil gaat over een huurovereenkomst tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] . Partijen hebben de afspraak over het gebruik van de auto tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] zelf niet gekwalificeerd als huur, maar de kantonrechter moet zelf beoordelen of er wel of niet sprake is van een aardzaak wanneer het gaat om welke rechter bevoegd is.



4.4.3
Als gesteld en niet betwist staat vast dat [eiseres sub 1] de leaseovereenkomst met [onderneming] B.V. heeft gesloten. [B] en [eiseres sub 2] zijn bij deze leaseovereenkomst geen partij en hebben daarom met betrekking tot de auto geen beschikkingsrecht. Gelet op het voormelde stelt de kantonrechter vast dat [eiseres sub 1] de auto aan [gedaagde sub 1] ter beschikking heeft gesteld voor gebruik.



4.4.4

[gedaagde sub 1] c.s. hebben betoogd dat er geen sprake is geweest van huur. Weliswaar heeft [gedaagde sub 1] de auto in de periode van 1 juni 2022 tot 2 januari 2025 gebruikt, maar het betrof een gezinsauto waarvan ook [B] gebruik heeft gemaakt. Er is volgens [gedaagde sub 1] c.s. geen afspraak met [gedaagde sub 1] gemaakt over een tegenprestatie voor het gebruik van de auto.



4.4.5

Dit betoog gaat niet op. Uit de e-mail van [gedaagde sub 1] van 29 oktober 2023 blijkt dat er wel een zakelijke huurovereenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [eiseres sub 1] tot stand is gekomen. In de e-mail staat namelijk het volgende:
“ Hi [B (voornaam)] ,



Allereerst wil ik je bedanken voor het aanbod en het gebruik wat ik heb kunnen maken met deze auto in ruil voor mijn diensten
Omdat ik niet weet hoe mijn diensten er volgend jaar uit zien kan ik nu nog niet ingaan op je aanbod.
Ik stel voor dat we deze ingaande op (23 oktober 2023) overeenkomst aangaan tot einde van het jaar, stuur je mij een factuur voor November en December?



Alvast dank voor je reactie!



Met vriendelijke groet,




[gedaagde sub 1] ”



Hieruit blijkt duidelijk dat [gedaagde sub 1] de door [eiseres sub 1] aan haar ter beschikking gestelde auto gebruikte tegen betaling. Dat de auto misschien feitelijk door [gedaagde sub 1] én [B] werd gebruikt als gezinsauto, maakt niet dat deze overeenkomst tussen [gedaagde sub 1] en [eiseres sub 1] er niet was. De tussen [gedaagde sub 1] en [eiseres sub 1] (in de persoon van [B] ) gemaakte afspraak over het gebruik van de auto, heeft alle kenmerken van een huurovereenkomst en is daarom aan te merken als huur.; Een zaak (de auto) werd voor een tegenprestatie (betaling) door [gedaagde sub 1] gebruikt. Dat is huur.




4.4.6
Omdat er sprake is van een huurovereenkomst, is de kantonrechter bevoegd om over het geschil daarover tussen partijen te oordelen.



4.4.7
De kantonrechter is ook bevoegd om over de overige vorderingen van [eiseres sub 1] c.s. in conventie te oordelen omdat de kantonrechter over het geschil over de huurovereenkomst moet oordelen.



4.4.8
Gelet op het voorgaande wordt de incidentele vordering van [gedaagde sub 1] c.s. afgewezen en behandelt de kantonrechter de zaak in conventie verder.




4.5

[gedaagde sub 1] c.s. worden in de kosten van het incident veroordeeld. Omdat niet is gebleken dat [eiseres sub 1] c.s. in het kader van de ingestelde incidentele vordering kosten hebben gemaakt, worden deze kosten begroot op nihil.



4.6
De proceskostenveroordeling in het incident wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres sub 1] c.s. dat niet hebben gevorderd.



Het incident in voorwaardelijke reconventie





Het opgeworpen incident - De kantonrechter is wel bevoegd om over de vorderingen in conventie te oordelen





4.7
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiseres sub 2] in voorwaardelijke reconventie een incident opgeworpen. Zij heeft betoogd dat de kantonrechter niet bevoegd is om over de tegen haar voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering te oordelen, omdat de vordering van [gedaagde sub 2] tegen haar hoger is dan € 25.000,00 en niet gaat over een aardzaak. Toch is de kantonrechter bevoegd om te oordelen over de voorwaardelijk ingestelde reconventionele vordering. Uit de wet volgt namelijk dat als er in conventie sprake is van een aardzaak en de vordering in reconventie hier voldoende mee samenhangt, zoals hier het geval is, de kantonrechter ook in reconventie bevoegd is. De kantonrechter behandelt de zaak in voorwaardelijke reconventie verder omdat aan de voorwaarde is voldaan. De stelling van [eiseres sub 2] klopt dus niet.





5De beoordeling in de hoofdzaak



In conventie




5.1

[eiseres sub 1] c.s. vorderen van [gedaagde sub 1] c.s. betaling aan [eiseres sub 1] van een vergoeding voor het gebruik van de auto, de wettelijke rente over de gebruiksvergoeding, de buitengerechtelijke incassokosten, de kosten van het verzochte maar afgewezen verlof tot conservatoire beslaglegging, de afgifte van facturen aan [eiseres sub 2] voor door [gedaagde sub 1] verleende (recruitment)diensten, en meerdere verklaringen van recht. De kantonrechter wijst de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] af en tegen [gedaagde sub 1] grotendeels af.



5.2
Hierna wordt eerst uitgelegd waarom de vorderingen van [eiseres sub 1] c.s. tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden afgewezen. Daarna worden de tegen [gedaagde sub 1] ingestelde vorderingen besproken.



De vorderingen van [eiseres sub 1] c.s. op [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden afgewezen





5.3

[eiseres sub 1] c.s. hebben al hun vorderingen niet alleen ingesteld tegen [gedaagde sub 1] , maar ook tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] . Hoewel vaststaat dan wel vastgesteld is dat:



[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] op 31 maart 2025 zijn opgericht;


alleen tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] een afspraak is gemaakt over het gebruik van de auto in de periode van 1 juni 2022 tot 2 januari 2025 – zie onder 4.4.2. tot en met 4.4.5. – ;



[gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 2] (recruitment)diensten heeft verleend;


alleen tussen [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [gedaagde sub 1] een verrekenafspraak – zie onder 5.13. – is gemaakt;


zijn volgens [eiseres sub 1] c.s. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] ook aansprakelijk voor het betalen van de gebruikersvergoeding, de wettelijke rente over de gebruiksvergoeding, de buitengerechtelijke incassokosten, de kosten van het verzochte maar afgewezen verlof tot conservatoire beslaglegging, de afgifte van facturen en kunnen de gevorderde verklaringen van recht ook jegens [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden uitgesproken.



5.4

[eiseres sub 1] c.s. vorderen dat de kantonrechter voor recht verklaart dat:


tussen partijen over de periode 1 juni 2022 tot 1 januari 2024 een verrekeningsafspraak heeft bestaan op grond waarvan de door [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 1] verschuldigde gebruikersvergoeding integraal zou worden verrekend met door [gedaagde sub 1] geleverde recruitmentdiensten;


deze verrekeningsafspraak op grond van verzuim zijdens [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] B.V. door [eiseres sub 1] op 30 september 2025 middels een rechtstreeks aan [gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] B.V. gericht schriftelijke verklaring buitengerechtelijk is ontbonden;



[gedaagde sub 1] / [gedaagde sub 2] B.V. hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens [eiseres sub 1] voor de betaling van een mogelijke naheffing Inkomstenbelasting in verband met bijtelling over de periode dat [gedaagde sub 1] de Tesla in gebruik heeft gehad, des dat één aan [eiseres sub 1] betalende de ander zal zijn bevrijd.





5.5
De rechter stelt met een verklaring van recht vast wat de rechtsverhouding tussen partijen inhoudt.



5.6
De eerste en tweede gevorderde verklaringen van recht kunnen niet ten aanzien van [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] worden uitgesproken reeds omdat gesteld noch gebleken is dat:



[gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 3] op of na 31 maart 2025 ook partij zijn geworden bij de verrekenafspraak dan wel


op of na 31 maart 2025 [gedaagde sub 1] bij akte haar rechtsverhouding in het kader van de verrekenafspraak die tussen haar, [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] is gemaakt, heeft overgedragen aan [gedaagde sub 2] en/of [gedaagde sub 3].





5.7
De derde gevorderde verklaring van recht kan niet ten aanzien van [gedaagde sub 3] worden toegewezen, omdat deze verklaring geen betrekking heeft op [gedaagde sub 3] .



5.8
De derde gevorderde verklaring van recht, de gevorderde gebruiksvergoeding, de wettelijke rente over de gebruiksvergoeding, de buitengerechtelijke incassokosten en de kosten van het verzochte maar afgewezen verlof tot conservatoire beslaglegging ter verhaal van de gebruiksvergoeding kunnen niet ten aanzien van [gedaagde sub 2] worden toegewezen, omdat gesteld noch gebleken is dat:



[gedaagde sub 2] op of na 31 maart 2025 ook partij is geworden bij de huurovereenkomst van de auto dan wel


op of na 31 maart 2025 [gedaagde sub 1] bij akte haar rechtsverhouding in het kader van de huurovereenkomst die tussen haar en [eiseres sub 1] is gesloten, heeft overgedragen aan [gedaagde sub 2] . Anders dan [eiseres sub 1] c.s. betogen, gaan rechtsvorderingen van en op [gedaagde sub 1] niet automatisch over op [gedaagde sub 2] wanneer [gedaagde sub 2] de onderneming van [gedaagde sub 1] voortzet.





5.9
De gevorderde afgifte van facturen kan niet ten aanzien van [gedaagde sub 2] worden toegewezen, omdat gesteld noch gebleken is dat:
- [gedaagde sub 2] op of na 31 maart 2025 ook partij is geworden bij de tussen [gedaagde sub 1] en [eiseres sub 2] gesloten overeenkomst van opdracht dan wel
- op of na 31 maart 2025 [gedaagde sub 1] bij akte haar rechtsverhouding in het kader van de met [eiseres sub 2] gesloten overeenkomst van opdracht, heeft overgedragen aan [gedaagde sub 2] . Anders dan [eiseres sub 1] c.s. betogen, gaan rechtsvorderingen van en op [gedaagde sub 1] niet automatisch over op [gedaagde sub 2] wanneer [gedaagde sub 2] de onderneming van [gedaagde sub 1] voortzet.
De enkele omstandigheid dat [gedaagde sub 2] op 11 september 2025 ten behoeve van [gedaagde sub 1] een factuur voor haar in 2021 tot en met 2024 aan [eiseres sub 2] verleende (recruitment)diensten naar [eiseres sub 2] heeft gestuurd, leidt niet tot een ander oordeel.



5.10
De gevorderde gebruiksvergoeding, de wettelijke rente over de gebruiksvergoeding, de buitengerechtelijke incassokosten, de kosten van het verzochte maar afgewezen verlof tot conservatoire beslaglegging en de gevorderde afgifte van facturen kunnen niet ten aanzien van [gedaagde sub 3] worden toewezen. [eiseres sub 1] c.s. stellen dat deze vorderingen ook tegen [gedaagde sub 3] kunnen worden toegewezen, omdat zij de moedermaatschappij (holding) en bestuurder is van [gedaagde sub 2] en als bestuurder van [gedaagde sub 2] hoofdelijk aansprakelijk is voor het nietnakomen van [gedaagde sub 2] . Reeds omdat alle vorderingen tegen [gedaagde sub 2] worden afgewezen, komen de vorderingen van [eiseres sub 1] c.s. tegen [gedaagde sub 3] niet voor toewijzing in aanmerking.




[gedaagde sub 1] heeft de verschuldigde gebruikersvergoeding verrekend met het loon voor haar (recruitment)diensten




 Huurovereenkomst & Gebruiksvergoeding




5.11
Onder 4.4.2. tot en met 4.4.5. is al vastgesteld dat er een huurovereenkomst tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] tot stand is gekomen voor het gebruik van de auto. [gedaagde sub 1] is op grond van de huurovereenkomst een tegenprestatie aan [eiseres sub 1] verschuldigd. [eiseres sub 1] c.s. vorderen op grond van deze huurovereenkomst een gebruiksvergoeding van € 30.190,67. Die vergoeding heeft betrekking op het gebruik van de auto in de periode van 1 juni 2022 tot 2 januari 2025. Vaststaat dat [gedaagde sub 1] de auto in voormelde periode heeft gebruikt. [gedaagde sub 1] c.s. hebben weliswaar betwist dat afgesproken is dat [gedaagde sub 1] een maandelijkse vergoeding van € 804,87 exclusief btw (= € 973,89 inclusief btw) aan [eiseres sub 1] zou betalen voor het gebruik van de auto, maar aan die betwisting wordt afbreuk gedaan door de inhoud van de e-mail van [gedaagde sub 1] van 1 juni 2025 (21:03 uur). In die email gaat [gedaagde sub 1] op verschillende onderwerpen in, waaronder de Tesla-factuur/de gebruiksvergoeding die [eiseres sub 1] van haar vordert, maar zij betwist in die e-mail niet de hoogte van de door [eiseres sub 1] gestelde verschuldigde (maandelijkse) vergoeding. Daarom kan de verwijzing naar eerdere communicatie tussen [eiseres sub 1] (in de persoon van [B] ) en [gedaagde sub 1] over de gebruiksvergoeding, [gedaagde sub 1] niet baten. Gelet op het voormelde stelt de kantonrechter als gesteld en onvoldoende betwist vast, dat [gedaagde sub 1] € 30.190,67 inclusief btw aan [eiseres sub 1] verschuldigd is voor het gebruik van de auto in de periode van 1 juni 2022 tot 2 januari 2025.


 [gedaagde sub 1] heeft de gebruiksvergoeding al betaald




5.12

[gedaagde sub 1] heeft de verschuldigde gebruiksvergoeding van € 30.190,67 al aan [eiseres sub 1] betaald door verrekening. Dit oordeel legt de kantonrechter hierna uit.


 Verrekening op basis van de verrekenafspraak tussen [gedaagde sub 1] , [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2]




5.13
Gezien de stellingen van [eiseres sub 1] c.s. en de subsidiaire stellingen van [gedaagde sub 1] c.s. alsook de onder 4.4.5. weergegeven inhoud van de e-mail van [gedaagde sub 1] , staat vast dat tussen [eiseres sub 1] , [eiseres sub 2] en [gedaagde sub 1] een verrekenafspraak is gemaakt die inhoudt, dat [gedaagde sub 1] de aan [eiseres sub 1] verschuldigde gebruiksvergoeding bevrijdend aan [eiseres sub 2] mag betalen door de aan [eiseres sub 1] verschuldigde gebruiksvergoeding te verrekenen met het door [eiseres sub 2] aan [gedaagde sub 1] verschuldigde loon voor door [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 2] verleende (recruitment)diensten.



5.14
Als door [eiseres sub 1] c.s. gesteld en niet door [gedaagde sub 1] c.s. betwist staat vast, dat verrekening plaatsvindt op het moment waarop het loon van [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 2] wordt gefactureerd. Vaststaat dat op 11 september 2025 als loon van [gedaagde sub 1] voor de in de periode van 2021 tot en met 2024 aan [eiseres sub 2] verleende (recruitment)diensten € 205.397,00 – tussen partijen is in geschil of [eiseres sub 2] dit bedrag aan [gedaagde sub 1] verschuldigd is – aan [eiseres sub 2] is gefactureerd. Indien op dat moment het door [eiseres sub 2] aan [gedaagde sub 1] verschuldigde loon gelijk is aan of hoger is dan de verschuldigde gebruiksvergoeding van € 30.190,67, vindt met die facturatie van het loon de gehele betaling van de gebruiksvergoeding plaats en gaan de wederzijdse verbintenissen van [gedaagde sub 1] en [eiseres sub 2] tot dat beloop teniet. Op 11 september 2025 was het aan [gedaagde sub 1] verschuldigde loon hoger dan de verschuldigde gebruiksvergoeding. Zie ter motivering hiervan wat onder 5.20. staat. Op 11 september 2025 is dan ook door verrekening de gebruiksvergoeding van € 30.190,67 betaald. Daarom wordt de vordering van [eiseres sub 1] c.s. om [gedaagde sub 1] te veroordelen om als gebruiksvergoeding € 30.190,67 aan [eiseres sub 1] te betalen, afgewezen.


 Ontbinding heeft geen terugwerkende kracht




5.15
De kantonrechter verwerpt de stelling van [eiseres sub 1] c.s., dat op 11 september 2025 geen verrekening heeft plaatsgevonden omdat de verrekenafspraak bij brief van 30 september 2025 buitengerechtelijk is ontbonden. Met deze stelling gaan [eiseres sub 1] c.s. er immers aan voorbij dat een ontbinding geen terugwerkende kracht heeft en dus de op 11 september 2025 plaatsgevonden verrekening onverlet laat.


 Geen rechtsgeldige ontbinding van de verrekenafspraak




5.16
Anders dan [eiseres sub 1] c.s. stellen, is de verrekenafspraak niet rechtsgeldig ontbonden, omdat [gedaagde sub 1] op 30 september 2025 niet in verzuim was met het factureren van haar loon. Dat is immers op 11 september 2025 al gebeurd. Hieraan doet niet af dat [eiseres sub 1] c.s.:


betwisten dat het loon van [gedaagde sub 1] voor door haar aan [eiseres sub 2] in de periode van 2021 tot en met 2024 verleende (recruitment)diensten € 205.397,00 is en


stellen dat [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] hebben afgesproken dat het loon van [gedaagde sub 1] voor door haar aan [eiseres sub 2] in de periode van 1 juni 2022 tot 1 januari 2025 verleende diensten gelijk is aan de gebruiksvergoeding van € 30.190,67.


Ook als [eiseres sub 2] slechts € 30.190,67 als loon aan [gedaagde sub 1] verschuldigd zou zijn voor de door haar in de periode van 1 juni 2022 tot 1 januari 2025 verleende (recruitment)diensten, heeft verrekening tussen dit bedrag aan loon en de gebruiksvergoeding door de facturatie op 11 september 2025 plaatsgevonden.

 De omvang van het loon van [gedaagde sub 1]



5.17

[gedaagde sub 1] stelt dat zij in de jaren 2018 tot en met 2024 (recruitment)diensten heeft verleend aan [eiseres sub 2] en dat het loon voor de in 2021 tot en met 2024 verleende diensten € 205.397,00 is. [eiseres sub 1] c.s. betwisten niet dat [gedaagde sub 1] in voormelde jaren (recruitment)diensten aan [eiseres sub 2] heeft verleend, maar zij betwisten wel dat [eiseres sub 2] € 205.397,00 als loon aan [gedaagde sub 1] verschuldigd is.



5.18

[eiseres sub 1] c.s. stellen en [gedaagde sub 1] c.s. betwisten, dat [eiseres sub 2] en [gedaagde sub 1] hebben afgesproken dat het loon van [gedaagde sub 1] voor door haar aan [eiseres sub 2] in de periode van 1 juni 2022 tot 1 januari 2025 verleende diensten gelijk is aan de gebruiksvergoeding voor de auto. De kantonrechter verwerpt deze stelling van [eiseres sub 1] c.s. Dat deze afspraak tot stand is gekomen, blijkt niet uit de stukken die partijen hebben overgelegd. Het is een blote stelling van [eiseres sub 1] c.s., die [eiseres sub 1] c.s. ook na de betwisting door [gedaagde sub 1] c.s. niet hebben gemotiveerd en/of onderbouwd. Aan deze stelling van [eiseres sub 1] c.s. doet bovendien afbreuk de inhoud van de email van [eiseres sub 2] (in de persoon van [B] ) van 30 oktober 2023 in reactie op een e-mail van [gedaagde sub 1] van dezelfde datum. [gedaagde sub 1] mailt aan [eiseres sub 2] (in de persoon van [B] ) dat haar diensten duurder zijn dan het maandbedrag dat [eiseres sub 1] voor de auto rekent, waarop [eiseres sub 2] (in de persoon van [B] ) als volgt reageert: “Dan stuur je een factuur toe die gelijk zijn aan je diensten. Mij om het even.”.



5.19
Geen van partijen heeft gesteld dat [eiseres sub 2] en [gedaagde sub 1] met elkaar afspraken over de hoogte van het (uur)loon van [gedaagde sub 1] voor de verscheidene in de jaren 2018 tot en met 2024 verleende (recruitment)diensten hebben gemaakt. De wet bepaalt dat in dat geval [eiseres sub 2] een redelijke loon aan [gedaagde sub 1] verschuldigd is. Als gesteld en niet betwist staat vast het door [gedaagde sub 1] gehanteerde uurtarief van € 85,00 exclusief btw, marktconform is en daarom een redelijk uurloon is.



5.20

[gedaagde sub 1] heeft tijdens de mondelinge behandeling gesteld dat zij in de jaren 2021 tot en met 2024 gemiddelde 5 uur per week diensten aan [eiseres sub 2] heeft verleend. Deze stelling hebben [eiseres sub 1] c.s. niet betwist en staat daarom vast. 5 uur per week, komt neer op 260 uur per jaar. In de periode van 1 juni 2022 tot 1 januari 2025 heeft [gedaagde sub 1] dus ((2 + (7:12)) × 260 uur =) 671,67 uur diensten aan [eiseres sub 2] verleend. Dit brengt met zich dat [gedaagde sub 1] op 11 september 2025 een loonvordering van ten minste (671,67 uur × € 85,00 exclusief btw × 1,21 btw =) € 69.080,92 inclusief btw op [eiseres sub 2] had. Deze loonvordering van [gedaagde sub 1] op [eiseres sub 2] gaat de door [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 1] verschuldigde gebruiksvergoeding ruim te boven. Na de op 11 september 2025 plaatsgevonden verrekening van dit loon met deze gebruiksvergoeding resteert ten minste een bedrag van (€ 69.080,92 − € 30.190,67 =) € 38.890,25 door [eiseres sub 2] aan [gedaagde sub 1] te betalen.




[gedaagde sub 1] moet de wettelijke handelsrente over de gebruiksvergoeding aan [eiseres sub 1] betalen





5.21
De over de gebruiksvergoeding vanaf 29 april 2025 gevorderde wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW wordt deels toegewezen. Gelet op de gemotiveerde betwisting van [gedaagde sub 1] c.s. kan niet worden vastgesteld, dat [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] een uiterste dag van betaling van de gebruiksvergoeding zijn overeengekomen. Op grond van de wet is [gedaagde sub 1] de wettelijke handelsrente aan [eiseres sub 1] verschuldigd met ingang van 30 dagen na de aanvang van de dag, volgende op die waarop [gedaagde sub 1] de facturen voor de gebruiksvergoeding heeft ontvangen. [gedaagde sub 1] heeft deze facturen per e-mail op 14 april 2025 ontvangen. Gelet hierop wordt de wettelijke handelsrente toegewezen met ingang van 15 mei 2025 en tot 11 september 2025, zijnde de datum waarop de gebruiksvergoeding is betaald. Dit komt neer op een bedrag van € 1.047,16.



Buitengerechtelijke incassokosten





5.22

[eiseres sub 1] c.s. hebben gesteld dat [eiseres sub 1] buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt en hebben vergoeding daarvan aan [eiseres sub 1] gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. In dit geval is niet gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zodat de kantonrechter de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten toewijst dat hoort bij de hoogte van de toewezen wettelijke handelsrente, dus €190,06 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten. Dit bedrag moet [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 1] betalen.




[gedaagde sub 1] hoeft de kosten van het beslagrekest niet te betalen





5.23
De kosten van het verzochte maar afgewezen verlof tot conservatoire beslaglegging ter verhaal van de gebruiksvergoeding worden afgewezen. Omdat het conservatoire beslag niet daadwerkelijk is gelegd maar het verzoek daartoe door de voorzieningenrechter is afgewezen, hoeft [gedaagde sub 1] niet voor deze kosten te betalen. Daarnaast blijkt uit de voorgaande overwegingen en oordelen, dat [gedaagde sub 1] de gebruikersvergoeding al op 11 september 2025 betaald, dus voordat [eiseres sub 1] verlof aan de voorzieningenrechter heeft gevraagd. Ook daarom had [gedaagde sub 1] , als het conservatoir beslag wel gelegd had mogen worden, de kosten voor het beslag niet hoeven te betalen.




[gedaagde sub 1] hoeft geen facturen aan [eiseres sub 2] af te geven





5.24
De vordering van [eiseres sub 1] c.s. om [gedaagde sub 1] te veroordelen tot afgifte aan [eiseres sub 2] van facturen van de door haar in de periode van 1 juni 2022 tot 1 januari 2025 aan [eiseres sub 2] verleende recruitmentdiensten (onder verbeurte van een dwangsom bij niet-nakomen van deze veroordeling), wordt afgewezen. [gedaagde sub 1] heeft immers op 11 september 2025 een factuur voor onder meer deze diensten naar [eiseres sub 2] gestuurd. Dat wordt niet anders doordat [eiseres sub 1] c.s. de juistheid van het daarin vermelde loon betwisten.




[gedaagde sub 1] hoeft niet te betalen voor de schade aan de velgen van de auto





5.25

[eiseres sub 1] c.s. vorderen dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor de reparatiekosten van de velgen van € 650,00, omdat volgens hen [gedaagde sub 1] deze schade heeft toegebracht. Dit blijkt echter nergens uit. [eiseres sub 1] c.s. hebben deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl [gedaagde sub 1] de stelling wel heeft betwist. De vordering wordt daarom afgewezen.



De verklaringen van recht

worden afgewezen




 Eerste verklaring van recht




5.26
De eerste tegen [gedaagde sub 1] gevorderde verklaring van recht wijst de kantonrechter vanwege het hierna vermelde af. Tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiseres sub 1] c.s. in reactie op een vraag van de kantonrechter toegelicht dat met het woord ‘integraal’ is bedoeld dat de verschuldigde gebruiksvergoeding gelijk is aan het aan [gedaagde sub 1] verschuldigde loon voor de door haar in de periode van 1 juni 2022 tot 1 januari 2025 aan [eiseres sub 2] verleende recruitmentdiensten. Onder 5.18. heeft de kantonrechter de stelling van [eiseres sub 1] c.s. dat is afgesproken dat het loon van [gedaagde sub 1] voor haar aan [eiseres sub 2] in voormelde periode verleende diensten gelijk is aan de gebruiksvergoeding voor de auto, verworpen. Voorst is onder 5.15. en 5.16. overwogen en geoordeeld dat de verrekenafspraak ook na 1 januari 2024 heeft bestaan.


 Tweede verklaring van recht




5.27

De tweede tegen [gedaagde sub 1] gevorderde verklaring van recht wijst de kantonrechter af.
Gelet op wat onder 5.15. en 5.16. staat, is deze verklaring van recht niet juist en dus niet toewijsbaar.



 Derde verklaring van recht




5.28
De derde tegen [gedaagde sub 1] gevorderde verklaring van recht wijst de kantonrechter af. Daartoe overweegt zij het volgende. Om deze verklaring te kunnen uitspreken is onder meer nodig dat vaststaat dat [gedaagde sub 1] in een op haar rustende verbintenis uit de huurovereenkomst in verzuim is. [eiseres sub 1] c.s. hebben gesteld dat op grond van de tussen [eiseres sub 1] en [gedaagde sub 1] gesloten huurovereenkomst op [gedaagde sub 1] de verplichting rust om aan [eiseres sub 1] een rittenregistratie te verstrekken (ter voorkoming van een fiscale bijtelling) en dat zij in die verplichting tekort is geschoten. Niet is gesteld dan wel gebleken dat [gedaagde sub 1] niet meer aan deze verplichting zou kunnen voldoen. De auto beschikt immers over de door [eiseres sub 1] geïnstalleerde rittenregistratiesoftware aan de hand waarvan ritten ook achteraf kunnen worden uitgelezen, zoals [eiseres sub 1] dat blijkens de e-mail van haar toenmalige gemachtigde van 26 augustus 2025 heeft gedaan. Hoewel [gedaagde sub 1] niet meer over de auto beschikt, kan [eiseres sub 1] aan [gedaagde sub 1] wel toegang daartoe (in het bijzonder de rittenregistratiesoftware) verschaffen om alsnog een rittenregistratie op te stellen en aan [eiseres sub 1] te verstrekken. Omdat nakoming van voormelde verplichting van [gedaagde sub 1] niet blijvend onmogelijk is, is verzuim nodig om [gedaagde sub 1] aansprakelijk te kunnen te houden voor schade als gevolg voor het ontbreken van de door haar op te stellen en aan [eiseres sub 1] te verstrekken rittenregistratie. [gedaagde sub 1] c.s. hebben weersproken dat [gedaagde sub 1] in verzuim is.[eiseres sub 1] c.s. hebben in de dagvaarding weliswaar aangevoerd dat [eiseres sub 1] zowel schriftelijk als mondeling [gedaagde sub 1] heeft verzocht om een sluitende kilometerregistratie aan te leveren, maar gesteld noch gebleken is dat [eiseres sub 1] [gedaagde sub 1] daartoe schriftelijk in gebreke heeft gesteld. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt daar niet van. Ook tijdens de mondelinge behandeling hebben [eiseres sub 1] c.s. geen feiten en/of omstandigheden aangevoerd die, indien bewezen, tot de conclusie zouden kunnen leiden dat [gedaagde sub 1] wel schriftelijk in gebreke is gesteld om een rittenregistratie te verstrekken (en dat [gedaagde sub 1] de daarvoor gestelde termijn ongebruikt heeft laten verstrijken). Gelet op het voormelde, kan dan ook niet worden vastgesteld dat [gedaagde sub 1] in verzuim is met betrekking tot de nakoming van voormelde verplichting. Daarom wordt de derde gevorderde verklaring van recht afgewezen.




In reconventie





De vordering in reconventie wordt afgewezen





5.29

[gedaagde sub 2] heeft in reconventie voorwaardelijk gevorderd dat [eiseres sub 2] wordt veroordeeld om € 205.397,00 aan [gedaagde sub 2] te betalen, voor het geval de kantonrechter zich bevoegd acht om over de vorderingen te oordelen. Onder de kop ‘4. De beoordeling in het incident’ is overwogen en geoordeeld dat kantonrechter bevoegd is. Daarmee is voldaan aan de voorwaarde en is de vordering in reconventie onvoorwaardelijk is geworden.



5.30
De vordering van [gedaagde sub 2] wordt afgewezen. In conventie is overwogen en geoordeeld, dat hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, dat er geen contractuele relatie tussen [gedaagde sub 2] en [eiseres sub 2] heeft bestaan, zoals [gedaagde sub 2] ook zelf heeft betoogd. Enkel tussen [eiseres sub 2] en [gedaagde sub 1] heeft een overeenkomst van opdracht bestaan. Daarnaast is [eiseres sub 2] ook niet ten koste van [gedaagde sub 2] verrijkt, zoals [gedaagde sub 2] stelt, omdat er in de periode van 2018 tot 1 januari 2025 geen werkzaamheden zijn uitgevoerd door [gedaagde sub 2] maar door [gedaagde sub 1] . Dat [gedaagde sub 1] een vordering die zij eventueel zou hebben op [eiseres sub 2] heeft overgedragen aan [gedaagde sub 2] , heeft [gedaagde sub 2] niet gesteld. [gedaagde sub 2] heeft dus geen grondslag voor haar vordering op [eiseres sub 2] .



In conventie en in reconventie





Proceskosten





5.31
In conventie zijn [eiseres sub 1] c.s. wat betreft de vorderingen tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] geheel in het ongelijk gesteld en wat betreft de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] grotendeels in het ongelijk gesteld. Daarom worden [eiseres sub 1] c.s. in conventie in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat [eiseres sub 1] c.s. hun eigen proceskosten moeten dragen en dat zij de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde sub 1] c.s. in conventie moeten betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 1] c.s. worden begroot op:









- salaris gemachtigde


€


1.154,00


(2 punten × tarief € 577,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


1.298,00











5.32
De over deze proceskosten gevorderde wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW wordt toegewezen als in de beslissing staat.



5.33
In reconventie is [gedaagde sub 2] in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. De proceskosten van [eiseres sub 2] in reconventie worden begroot op ([ 1 punt × tarief € 1.155,00 × factor 0,5 vanwege de samenhang tussen de zaken in conventie en in reconventie] : 2 partijen ( [eiseres sub 1] en [eiseres sub 2] ) =) € 288,75 + € 144,00 (nakosten) en de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.




De beslissing wordt deels uitvoerbaar bij voorraad verklaard





5.34
De kantonrechter verklaart de beslissing in conventie wat betreft de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd door partijen. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.



5.35
De proceskostenveroordeling in reconventie wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiseres sub 2] dat niet heeft gevorderd.





6De beslissing


De kantonrechter:




in het incident:




6.1
wijst de incidentele vordering van [gedaagde sub 1] c.s. af,



6.2
veroordeelt [gedaagde sub 1] c.s. in de kosten in het incident; [gedaagde sub 1] c.s. moeten de kosten van het incident van [eiseres sub 1] c.s. aan hen betalen, die worden begroot op nihil,



in de hoofdzaak





in conventie





6.3
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiseres sub 1] van de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het bedrag van € 30.190,67 met ingang van 14 mei 2025 en tot 11 september 2025, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe



6.4
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling aan [eiseres sub 1] van de buitengerechtelijke incassokosten van € 190,06, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



6.5
veroordeelt [eiseres sub 1] c.s. in kosten; zij moeten de proceskosten van [gedaagde sub 1] c.s. van € 1.298,00 aan hen betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met i) de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW na die veertien dagen en tot de dag van volledige betaling en ii) de kosten van betekening als [eiseres sub 1] c.s. niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



6.6
verklaart de veroordelingen onder 6.3. tot en met 6.5. van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



6.7
wijst het meer of anders gevorderde af,



in reconventie





6.8
wijst de vorderingen van [gedaagde sub 2] af,




6.9
veroordeelt [gedaagde sub 2] in de kosten; zij moet de proceskosten van [eiseres sub 2] van (€ 288,75 + € 144,00 =) € 432,75 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe en de kosten van betekening als [gedaagde sub 2] niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna aan haar wordt betekend,



6.10
wijst het meer of anders gevorderde af.



Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 29 juli 2026.





Onder randnummer 29 van de dagvaarding.


Dit bedrag staat vermeld in de door [eiseres sub 1] opgestelde maar niet ondertekende gebruikersovereenkomst (productie 6 van [eiseres sub 1] c.s.), die [eiseres sub 1] op 18 oktober 2023 naar [gedaagde sub 1] heeft gemaild.


Zoals bedoeld in artikel 7:405 BW.


Zie productie 29 van [eiseres sub 1] c.s. De som van € 6.817,25 + € 11.686,71 + € 11.686,71 = € 30.190,67.


Zoals bedoeld in artikel 7:400 BW.


Die voldoet aan de vormvoorschrift die artikel 208 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) voorschrijft.


Zie het arrest van de Hoge Raad van 18 december 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3630).


Artikel 93 aanhef en onder a. Rv.


Artikel 93 aanhef en onder c. Rv.


Artikel 94 lid 2 Rv.


Artikel 71 lid 3 Rv.


Productie 8 bij de dagvaarding.


Zoals bedoeld in artikel 7:201 lid 1 BW.


Artikel 93 lid 1 sub c Rv.


Artikel 94 lid 2 Rv.


Artikel 94 lid 2 en 3 Rv.


Artikel 3:302 BW.


Zoals bedoeld in artikel 6:159 BW.


Zoals bedoeld in artikel 7:400 lid 1 BW.


Productie 17 bij dagvaarding.


Onder meer onder 4.25. van de aanvullende conclusie van antwoord.


Dit is dus geen verrekening als bedoeld in artikel 6:127 lid 2 BW.


Gelet op de laatste zin onder 23. van dagvaarding gaan [eiseres sub 1] c.s. er kennelijk zelf ook van uit dat [gedaagde sub 1] op 11 september 2025 de gebruiksvergoeding door verrekening heeft betaald.


Artikel 6:269 BW.


Productie 6 van [gedaagde sub 1] c.s.


Productie 5 van [gedaagde sub 1] c.s.


Artikel 7:405 lid 2 BW.


Artikel 6:119 lid 2 aanhef en onder a BW.


Productie 8 van [gedaagde sub 1] c.s.


Artikel 6:129 lid 1 BW bepaalt dat de verrekening terugwerkt tot het tijdstip, waarop de bevoegdheid tot verrekening is ontstaan. In dit geval heeft verrekening plaatsgevonden op het moment waarop is de bevoegdheid tot verrekening ontstaan, namelijk op het moment waarop het loon van [gedaagde sub 1] aan [eiseres sub 2] is gefactureerd.


Zie hiervoor onder 5.4. de door [eiseres sub 1] c.s. gevorderde verklaringen van recht.


Artikel 6:74 in verbinding met artikel 6:81 e.v. BW.


Productie 22 bij dagvaarding.


Zie onder 2.19 van de aanvullende conclusie van antwoord.


Zoals bedoeld in artikel 6:82 lid 1 BW.


Zoals bedoeld in 3:83 e.v. BW.


Zoals bedoeld in artikel 237 lid 1 Rv.



[eiseres sub 2] heeft geen schriftelijke conclusie van antwoord in voorwaardelijke reconventie genomen en krijgt daarom alleen een punt toegekend voor de mondelinge behandeling in voorwaardelijke reconventie.



TYP: 62938