Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Limburg

ECLI:NL:RBLIM:2026:9652

2026-09-09 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/03/346644 / HA ZA 25-459
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Limburg
Uitspraakdatum
2026-09-09
Publicatiedatum
2026-09-10
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/03/346644 / HA ZA 25-459
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Civiel recht. Bodemzaak. Bestuurdersaansprakelijkheid. Vorderingen (grotendeels) toegewezen.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.802 tekens)
RECHTBANK Limburg


Civiel recht



Zittingsplaats Maastricht



Zaaknummer: C/03/346644 / HA ZA 25-459




Vonnis van 9 september 2026




in de zaak van




mr. [curator] ,

in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap [b.v. 1] ,
gevestigd en kantoorhoudend te [plaats 2] , gemeente Sittard-Geleen,
eiser,
hierna: de curator,
advocaat: mr. M. Woisch,



tegen





[gedaagde]
,
wonende te [plaats 1] , gemeente Bergen,
gedaagde,
hierna: [gedaagde] ,
advocaat: mr. H.P.M. van Woensel en mr. L. Somhorst.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding, met de producties 1 tot en met 20, - de conclusie van antwoord, met de producties 1 tot en met 10,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte houdende overlegging producties 21 tot en met 23 van de curator,
- het B3-formulier met de volledige productie 4 van [gedaagde] ,- de mondelinge behandeling van 10 juni 2026 en de spreekaantekeningen van mr. Woisch.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald op vandaag.






2De feiten


2.1.
Op 4 januari 2017 heeft [b.v. 2] (hierna: [b.v. 2] ) haar aandelen (73,8%) in [b.v. 1] (voorheen [b.v. 3] en [b.v. 4] genoemd, hierna: [b.v. 1] ) verkocht aan [b.v. 5] (voorheen [b.v. 6] genoemd, hierna: [b.v. 5] ) (hierna: de koopovereenkomst).


2.2.

[b.v. 7] (hierna: [b.v. 7] ) is bestuurder en enig aandeelhouder van [b.v. 5] en [gedaagde] is bestuurder en enig aandeelhouder van [b.v. 7] en daarmee middellijk bestuurder van [b.v. 5] .



2.3.
In de koopovereenkomst is (onder andere) het volgende bepaald:



“(…) 2.3.1 Indien en voor zover de Stichting van Nederlandse zorgverzekeraars betaling ontvangt voor kaakchirurgische verrichtingen gedeclareerd op basis van de prestaties (heden begroot op circa € 200.000,-) zoals bedoeld in de beslissing d.d. 13 december 2016 van de Nederlandse Zorgautoriteit onder [kenmerk] (hierna: "NZa-beslissing"), is Koper (lees: [b.v. 5] ) daarvan de helft aan Verkoper (lees: [b.v. 2] ) verschuldigd onder aftrek van 50% van de externe kosten van rechtsbijstand, die door de Stichting en/of de Vennootschap (lees: [b.v. 1] ) worden gemaakt ter incasso van de aldus gedeclareerde prestaties.



2.3.2

Betaling aan Verkoper (lees: [b.v. 2] ) geschiedt door de Vennootschap (lees: [b.v. 1] ) namens Koper (lees: [b.v. 5] ) telkens binnen 30 dagen na ontvangst door de Stichting van een betaling door een zorgverzekeraar voor ingediende declaraties van de Stichting, zoals hiervoor sub 2.3.1. bedoeld.(…)”




2.4.
De levering van de aandelen heeft plaatsgevonden.



2.5.

[b.v. 5] heeft bij factuur van 2 januari 2018 onder vermelding van “Herstructurering/ Advisering (Marketing en Investeringen) Jaar 2017 / Voorschot 2018” een bedrag van € 217.800,00 (inclusief btw) bij [b.v. 1] in rekening gebracht (hierna: de factuur). Deze factuur is op 30 januari 2018 verrekend door middel van een boeking daarvan in de rekening-courant tussen [b.v. 5] en [b.v. 1] .



2.6.

[b.v. 1] is bij vonnis van deze rechtbank van 26 februari 2019 in staat van faillissement verklaard. Mr. [curator] is in het faillissement als curator aangesteld.



2.7.

Op 18 november 2020 en 19 mei 2021 heeft er tussen [gedaagde] enerzijds en
mr. Woisch en mr. Van Baar anderzijds in het kader van de afwikkeling van het faillissement een bespreking plaatsgevonden, waarvan twee gesprekverslagen zijn opgemaakt. Tijdens deze besprekingen hebben mr. Woisch en mr. Van Baar namens de curator aan [gedaagde] vragen gesteld over (onder andere) de factuur.




2.8.
In de procedure tussen [b.v. 2] tegen [gedaagde] en [b.v. 7] zijn betrokken partijen bij proces-verbaal van 18 december 2020 tot een regeling gekomen. Deze regeling houdt in dat [gedaagde] eenmalig een bedrag van € 25.000,00 (inclusief eventueel verschuldigde btw) aan [b.v. 2] dient te voldoen onder de voorwaarde dat:



“(…) na overboeking conform deze instructie aan [b.v. 2] BV en [gedaagde] zijn [b.v. 2] en [b.v. 2] BV te ener zijde, en [gedaagde] , [b.v. 5] en [b.v. 7] te andere zijde, over en weer finaal gekweten terzake de vorderingen die in de in de Procedure overgelegde stukken beschreven staan (inclusief. ter voorkoming van misverstanden. de vordering van [b.v. 2] BV op [b.v. 5] , en omgekeerd).(…)”






2.9.
Bij proces-verbaal van 14 april 2022 in de procedure tussen de curator tegen [b.v. 5] heeft de rechtbank Amsterdam beslist over de vraag of de factuur van [b.v. 5] aan [b.v. 1] bij gebrek aan een grondslag onverschuldigd is betaald en derhalve dient te worden terugbetaald. De rechtbank Amsterdam heeft [b.v. 5] veroordeeld om een bedrag van € 207.316,21 (te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 26 februari 2019 tot aan de dag van volledige betaling) aan de boedel van [b.v. 1] (terug) te betalen.



2.10.
De curator heeft bij e-mail van 25 april 2022 (de advocaat van) [b.v. 5] gesommeerd om het bedrag van € 207.316,21 te voldoen. De curator heeft het proces-verbaal van 14 april 2022 op 20 maart 2023 aan [b.v. 5] laten betekenen.



2.11.
Bij brief van 7 februari 2024 heeft mr. Woisch namens de curator [gedaagde] aansprakelijk gesteld voor de geleden schade waartoe [b.v. 5] bij proces-verbaal van 14 april 2022 toe is veroordeeld en niet (meer) toe in staat bleek te zijn. Bij e-mail van 13 mei 2024 is [gedaagde] opnieuw gesommeerd.






3Het geschil


3.1.
De curator vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:


I. [gedaagde] veroordeelt om aan de boedel te betalen een bedrag van € 207.316,21, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2018, althans vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
II. [gedaagde] veroordeelt om aan de boedel te betalen een bedrag van € 2.811,58 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening;
III. [gedaagde] veroordeelt in de proceskosten, waaronder begrepen de nakosten.




3.2.

[gedaagde] voert verweer.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.






4De beoordeling


4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of [gedaagde] als (middellijk) bestuurder van [b.v. 5] persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt, omdat [b.v. 5] op de rekening-courant met [b.v. 1] een bedrag van € 207.316,21 in mindering heeft gebracht.




Rechtsverwerking en schending klachtplicht





4.2.

[gedaagde] werpt het verweer op dat de curator zijn recht heeft verwerkt om deze vordering in de onderhavige procedure aan de orde te stellen (artikel 6:2 lid 2 BW). Daarnaast heeft de curator volgens [gedaagde] te laat geklaagd (artikel 6:89 BW). Volgens [gedaagde] heeft de curator door het tijdsverloop tussen het ontstaan van de gestelde schade op 2 januari 2018 en het moment van het uitspreken van het faillissement op 26 februari 2019 enerzijds en de persoonlijke aansprakelijkheidsstelling op 7 februari 2024 anderzijds, het gerechtvaardigd vertrouwen gewekt dat een persoonlijke aansprakelijkheidsstelling achterwege zou blijven. Bovendien heeft de curator niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken geprotesteerd. Nu de curator [gedaagde] op 7 februari 2024 alsnog persoonlijk aansprakelijk heeft gesteld, is [gedaagde] naar eigen zeggen in bewijsnood komen te verkeren. [gedaagde] stelt dat hij onevenredig is benadeeld in zijn mogelijkheden om zich tegen de vordering te verweren. De curator betwist dit.



4.3.
Naar het oordeel van de rechtbank faalt het beroep op rechtsverwerking. Om rechtsverwerking te kunnen aannemen is nodig dat de curator zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van zijn recht of bevoegdheid. Enkel tijdsverloop is daartoe onvoldoende. Er zullen bijkomende omstandigheden moeten blijken als gevolg waarvan bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de curator zijn aanspraak niet meer geldend zou maken, of waardoor de positie van [gedaagde] onredelijk zou worden benadeeld als de curator zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Van tijdsverloop en deze bijkomende omstandigheden is in de onderhavige procedure niet gebleken. Immers, de curator heeft tijdens de besprekingen op 18 november 2020 en 19 mei 2021 (productie 6 en 12, dagvaarding) om een onderbouwing van de factuur gevraagd en heeft daarna bij brief van 11 november 2021 (productie 14, dagvaarding), in de procedure tegen [b.v. 5] (productie 15, dagvaarding), bij sommatie op 25 april 2022 en door de betekening van het proces-verbaal van 20 maart 2023 (productie 16 en 17, dagvaarding) [b.v. 5] meermaals gesommeerd om het bedrag van € 207.316,21 aan hoofdsom (terug) te betalen (vermeerderd met een bedrag aan wettelijke rente en kosten). Nadat betaling door [b.v. 5] was uitgebleven, heeft de curator [gedaagde] daarna persoonlijk aansprakelijk gesteld. In het licht van dit feitencomplex kon [gedaagde] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet opmaken dat de curator de vordering niet meer jegens [gedaagde] persoonlijk geldend zou maken. Hiermee samenhangend is evenmin sprake van een onredelijke benadeling van [gedaagde] in zijn bewijspositie. Hij was een gewaarschuwd man, reeds toen hij voor de eerste keer in 2020, en later nog eens in 2021, door de curator was verzocht om bepaalde bescheiden ten aanzien van de factuur te overleggen. Voor zover al moet worden aangenomen dat [gedaagde] niet meer in het bezit was van relevante documenten, kan dit niet aan de curator worden tegengeworpen en ligt dit in de risicosfeer van [gedaagde] .



4.4.

Evenmin slaagt het beroep op de schending van de klachtplicht. Als uitgangspunt geldt dat artikel 6:89 BW van toepassing is op prestaties van een schuldenaar die niet aan diens verbintenis beantwoorden. Zij geldt dus in beginsel niet voor een vordering uit onrechtmatige daad zoals in de onderhavige procedure het geval is. Dit is alleen anders indien de vordering uit onrechtmatige daad gericht is tegen de schuldenaar en is gegrond op feiten die tevens de stelling zouden rechtvaardigen dat de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord. Dat deze situatie zich in de onderhavige procedure voordoet, is niet gebleken.

Gezag van gewijsde van en gerechtelijke erkentenis in een eerdere beslissing





4.5.
Voorts stelt de curator dat [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt treft, omdat gelet op het proces-verbaal van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2022 (productie 15, dagvaarding) in deze procedure vaststaat dat voor een bedrag van € 207.316,21 geen rechtsgrond bestaat. Volgens de curator komt aan deze beslissing gezag van gewijsde toe (artikel 236 Rv). Daarnaast stelt de curator dat [gedaagde] namens [b.v. 5] in de procedure tussen de curator en [b.v. 5] gerechtelijk heeft erkend (artikel 154 lid 1 Rv) dat het bedrag van € 207.316,21 van de factuur onverschuldigd is betaald (rechtsoverweging 1.2, productie 15, dagvaarding). [gedaagde] betwist dit.



4.6.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] terecht betoogd dat aan deze beslissing van de rechtbank Amsterdam geen gezag van gewijsde in de zin van artikel 236 lid 1 Rv toekomt. Gezag van gewijsde kan worden ingeroepen als in een geding tussen dezelfde (materiële) partijen eenzelfde geschilpunt wordt voorgelegd als in een eerder geding, en de in het dictum van de eerdere uitspraak gegeven beslissing (mede) berust op een beslissing over dat geschilpunt. Nu [gedaagde] in de procedure bij de rechtbank Amsterdam niet – zoals in de onderhavige procedure wel het geval is – als privépersoon was betrokken, kan niet worden gesproken van een geding tussen dezelfde (materiële) partijen. Het beroep op gezag van gewijsde slaagt derhalve niet. Voorts kunnen de uitlatingen van [b.v. 5] in de procedure bij de rechtbank Amsterdam niet als een gerechtelijke erkentenis in de zin van artikel 154 Rv worden aangemerkt. Een erkentenis geldt slechts als zodanig in het geding waarin zij is afgelegd (zowel binnen de instantie als in hoger beroep en cassatie). Nu de uitlatingen in een andere procedure zijn gedaan, kunnen deze in de onderhavige procedure niet als vaststaand worden aangemerkt.



Onrechtmatige daad





4.7.
De curator voert aan dat [gedaagde] als middellijk bestuurder van [b.v. 5] onrechtmatig heeft gehandeld door een bedrag van € 207.316,21 inclusief btw (€ 171.335,71 exclusief btw) zonder rechtsgrond op de rekening-courant met [b.v. 1] in mindering te brengen. Volgens de curator treft [gedaagde] persoonlijk een ernstig verwijt, omdat deze gelden [b.v. 5] ten goede zijn gekomen zonder dat zij daarvoor een tegenprestatie aan [b.v. 1] heeft geleverd. [b.v. 1] wordt hierdoor opzettelijk benadeeld, aldus de curator. [gedaagde] betwist dit.



4.8.
Als een vennootschap tekortschiet in de nakoming van een verbintenis of een onrechtmatige daad pleegt, dan is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor de daaruit voortvloeiende schade. Bij benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan naast de aansprakelijkheid van de vennootschap ook – afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval – grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. Daarbij geldt als maatstaf dat hij voor de schade van de schuldeiser aansprakelijk kan worden gehouden indien zijn handelen of nalaten als bestuurder ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt.


4.9.
Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de vennootschap tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan opgetreden schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Voor de ernstige verwijtbaarheid is geen absolute zekerheid omtrent het bestaan van de verplichting vereist. Voldoende is dat de bestuurder ten tijde van het hem verweten handelen of nalaten ernstig rekening had moeten houden met de mogelijkheid van het bestaan van de verplichting.



Ten aanzien van het bedrag van € 100.000,00 exclusief btw





4.10.
Nu [gedaagde] betoogt dat [b.v. 5] op grond van artikel 2.3.1 en 2.3.2 van de koopovereenkomst een rechtsgrond had om € 100.000,00 op de rekening-courant met [b.v. 1] in mindering te brengen, ligt de uitleg van deze artikelen ter beoordeling voor. Bij deze beoordeling komt het aan op een zuiver taalkundige uitleg en op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Anders dan [gedaagde] betoogt, volgt naar het oordeel van de rechtbank uit artikel 2.3.1. dat [b.v. 5] – en niet [b.v. 1] – verplicht is om dit bedrag aan [b.v. 2] te betalen. De omstandigheid dat deze betaling op grond van artikel 2.3.2 via [b.v. 1] aan [b.v. 2] dient te worden betaald, doet hier niet aan af. Dit betekent dat [b.v. 5] uit haar eigen vermogen dit bedrag aan [b.v. 2] had dienen te betalen en niet uit het vermogen van [b.v. 1] . Daarbij geldt dat van [b.v. 5] (als koper) mag worden verwacht dat de nadien door [b.v. 1] (of door de Stichting) ontvangen nabetalingen van zorgverzekeraars (over de periode voorafgaand aan de aandelenoverdracht) aan [b.v. 2] (als verkoper) zou uitkeren. Naar het oordeel van de rechtbank is van enige rechtsgrond derhalve niet gebleken.



4.11.

Voorts staat vast dat [b.v. 5] het op de rekening-courant met [b.v. 1] in mindering gebrachte bedrag van € 100.000,00 niet aan [b.v. 2] heeft betaald. [gedaagde] en [b.v. 2] zijn dienaangaande (onder andere) overeengekomen dat [gedaagde] een bedrag van
€ 25.000,00 aan [b.v. 2] dient te voldoen, waarbij finale kwijting over en weer is verleend ten aanzien van de vorderingen tussen [b.v. 2] en [b.v. 2] B.V. enerzijds en [gedaagde] , [b.v. 5] en [b.v. 7] anderzijds (productie 4, conclusie van antwoord). [b.v. 1] maakt geen deel hiervan uit, omdat er nooit een betalingsverplichting van [b.v. 1] aan [b.v. 2] heeft bestaan waar nu finale kwijting voor kan worden verleend. Anders dan [gedaagde] betoogt, is [b.v. 1] door deze regeling niet bevoordeeld en heeft zij derhalve geen tegenprestatie ontvangen voor het in mindering gebrachte bedrag van € 100.000,00.




4.12.
Gelet op het voorgaande heeft [gedaagde] als bestuurder van [b.v. 5] jegens [b.v. 1] onrechtmatig gehandeld waarvan hem een ernstig verwijt valt te maken. Hij heeft toegestaan dat [b.v. 5] een bedrag van € 100.000,00 aan het vermogen van [b.v. 1] heeft onttrokken zonder dat op [b.v. 1] een betalingsverplichting rustte. Hierdoor heeft [gedaagde] onzorgvuldig gehandeld. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat [gedaagde] een bedrag van € 100.000,00 exclusief btw aan de boedel van [b.v. 1] verschuldigd is.




Ten aanzien van het resterende bedrag van € 71.335,71 exclusief btw





4.13.

Wat betreft het (overige) gefactureerde bedrag van € 71.335,71 exclusief btw betoogt [gedaagde] dat deze kosten grotendeels ten behoeve van [b.v. 1] zijn gemaakt en door [b.v. 5] voor haar rekening zijn genomen. Dit bedrag bestaat volgens [gedaagde] (onder meer) uit (i) het bedrag van € 25.000,00 dat door [gedaagde] aan [b.v. 2] ten behoeve van de regeling (productie 4, conclusie van antwoord) is betaald, (ii) het bedrag van
€ 14.208,52 (inclusief btw) voor de kosten van rechtsbijstand in het geschil met [b.v. 2] B.V., (iii) het bedrag van € 1.992,00 (inclusief btw) voor de kosten van rechtsbijstand in het geschil met [chirurg] en (iv) het bedrag van € 7.260,00 voor de deelname aan het benefitdiner.




4.14.
De curator heeft terecht betoogd dat (i) het bedrag van € 25.000,00 dat door [gedaagde] aan [b.v. 2] is betaald, is verdisconteerd in het hiervoor genoemde bedrag van € 100.000,00 exclusief btw. Met de curator is de rechtbank van oordeel dat dit bedrag dus ten onrechte twee keer bij [b.v. 1] in rekening is gebracht. De rechtbank verwijst naar rechtsoverweging 4.11. zoals hiervoor is overwogen. [gedaagde] heeft dit tijdens de mondelinge behandeling niet weersproken.



4.15.
Voorts is niet gebleken dat de door [gedaagde] (ii) gestelde kosten van rechtsbijstand van € 14.208,52 (inclusief btw) ten behoeve van [b.v. 1] zijn gemaakt. [gedaagde] heeft weliswaar betoogd dat deze kosten uiteindelijk hebben geleid tot een regeling (productie 4, conclusie van antwoord), maar zoals reeds in rechtsoverweging 4.11 is overwogen, is [b.v. 1] door deze regeling niet bevoordeeld. De hiermee gemoeide kosten voor rechtsbijstand hadden derhalve niet ten laste mogen komen van het vermogen van [b.v. 1] .



4.16.

Anders ligt dit ten aanzien van (iii) de gemoeide kosten voor rechtsbijstand in het geschil met [chirurg] ten bedrage van € 1.992,00 (inclusief btw). [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat deze kosten destijds zijn gemaakt en nog niet eerder zijn ingebracht. Nu vaststaat dat deze kosten betrekking hebben op [chirurg] , (destijds) werkzaam in de [kliniek] die werd geëxploiteerd door [b.v. 1] , is de rechtbank van oordeel dat deze kosten terecht voor rekening van [b.v. 1] dienen te komen. Er bestond voor [b.v. 5] derhalve een rechtsgrond om
€ 1.992,00 (inclusief btw) bij [b.v. 1] in rekening te brengen.




4.17.

Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat ten aanzien van (iv) de kosten van
€ 7.260,00 voor de deelname aan het benefitdiner onvoldoende gebleken dat de daaruit volgens [gedaagde] voortgevloeide voordelen ten goede zijn gekomen aan [b.v. 1] . Onvoldoende duidelijk is derhalve dat deze kosten voor rekening van [b.v. 1] dienen te komen.




4.18.
Uit het voorgaande volgt dat [b.v. 5] voor het in rekening brengen van (iii) de kosten voor rechtsbijstand in het geschil met [chirurg] ten bedrage van € 1.992,00 (inclusief btw) een rechtsgrond had. Voor het overige is dit niet gebleken, zodat het ervoor moet worden gehouden dat voor dat deel van de gewraakte factuur geen rechtsgrond bestond. Gelet hierop is sprake van het onttrekken van gelden waarvan [gedaagde] , voor zover hij dat al niet wist, in elk geval redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat [b.v. 1] hiermee zou worden benadeeld. [gedaagde] heeft hiermee gehandeld in strijd met een op hem persoonlijk rustende zorgvuldigheidsnorm. Gelet hierop heeft de curator terecht gesteld dat [gedaagde] terzake hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en mitsdien aansprakelijk is voor de uit dit onrechtmatig handelen voortvloeiende schade. Die schade dient te worden begroot op een bedrag van € 205.324,21 (€ 207.316,21 inclusief btw – € 1.992,00 inclusief btw), tot betaling waarvan [gedaagde] zal worden veroordeeld.



Buitengerechtelijke incassokosten





4.19.
De curator vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De hoofdvordering valt niet onder het toepassingsbereik van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De rechtbank zal daarom de gevorderde vergoeding toetsen aan de oriëntatiepunten voor de beoordeling van dergelijke vorderingen uit het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn, zijnde € 2.801,62, te vermeerderen met de hierover gevorderde rente.



Proceskosten





4.20.

[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat de curator heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, zal [gedaagde] niet worden veroordeeld tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten. De proceskosten van de curator worden begroot op:









- griffierecht


€


90,00







- salaris advocaat


€


5.770,00


(2 punten × € 2.885,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


6.049,00














5De beslissing


De rechtbank



5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan de boedel een bedrag van € 205.324,21 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 2 januari 2018 tot aan de dag der algehele voldoening,



5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de boedel een bedrag van € 2.801,62 te betalen aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, tot aan de dag der algehele voldoening,



5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 6.049,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Provaas, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.







Productie 3 bij conclusie van antwoord.


Productie 4 bij conclusie van antwoord.


De factuur bestaat uit een totaalbedrag van € 217.800,- (inclusief btw). Voor een bedrag van € 10.483,79 is volgens de curator wel een tegenprestatie geleverd, waardoor dit bedrag buiten beschouwing blijft in de onderhavige procedure.


ECLI:NL:HR:2018:1176 r.o. 3.6.


ECLI:NL:HR:2020:2099 r.o. 3.1.3.


ECLI:NL:HR:2014:2627 r.o. 4.4.


ECLI:NL:HR:2014:829 r.o. 3.4.