Rechtbank Limburg
ECLI:NL:RBLIM:2026:8922
2026-09-16
Civiel recht
12201653 \ CV EXPL 26-2072
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Burenzaak; Verwijderen van hedera/heester; verboden zone. Vordering toewijsbaar.
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2024:7750 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-12-2024
- ECLI:NL:RBMNE:2025:1891 Rechtbank Midden-Nederland 23-04-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (16.095 tekens)
RECHTBANK
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12201653 \ CV EXPL 26-2072
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
1 [persoon 1] ,
te [plaats] ,2. [persoon 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. L.M. van den Broek, ARAG SE,
tegen
1 [persoon 3] ,
te [plaats] ,2. [persoon 4],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 2] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met bijlagen- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 2 juli 2026 met bijlagen van [partij 1]- het bericht van 2 juli 2026 met bijlagen van [partij 2]- de mondelinge behandeling van 21 juli 2026 en de toen aan de kant van [partij 1] overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[partij 1] is eigenaar van het perceel gelegen aan het [adres 1] .
[partij 2] is eigenaar van het perceel gelegen aan [adres 2] .
De tuinen van partijen grenzen aan elkaar.
2.2.
[partij 2] heeft eind 2020 dan wel begin 2021 tegen het hekwerk (van circa
40 meter lang) hedera geplant. Het hekwerk staat op de erfgrens.
2.3.
Na aanplant heeft [partij 2] aanvankelijk jaarlijks de overhangende takken gesnoeid. Sinds de zomer van 2024 is [partij 2] hiermee gestopt. [partij 1] heeft [partij 2] gevraagd de overhangende takken opnieuw te verwijderen. [partij 2] heeft niet voldaan aan dit verzoek. [partij 1] heeft de overhangende takken vervolgens laten verwijderen en [partij 2] gevraagd de kosten hiervan (€ 240,00 inclusief btw) te voldoen. [partij 2] heeft niet voldaan aan dit verzoek.
2.4.
Nadat de hedera opnieuw gegroeid was, heeft [partij 1] [partij 2] opnieuw gevraagd de hedera te snoeien. [partij 2] heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek.
2.5.
[partij 1] is daarom een procedure gestart.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[partij 1] vordert (na op de mondelinge behandeling gedane eisvermindering), bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - samengevat - :
Primair:
- [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot verwijdering en verwijderd houden van de hedera die zich binnen de verboden zone bevindt;
Subsidiair:
- [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot het inkorten en ingekort houden van de hedera die zich binnen de verboden zone bevindt, alsmede de door het hek groeiende takken te verwijderen en verwijderd te houden;
In alle gevallen:
op straffe van een dwangsom, indien niet voldaan wordt aan het primair dan wel subsidiair gevorderde;
[partij 2] te veroordelen tot betaling van snoeikosten van € 240,00 inclusief btw, te vermeerderen met rente;
[partij 1] te machtigen, indien [partij 2] met de inkorting in gebreke zal blijven, deze zelf te doen bewerkstelligen op kosten van [partij 2] ;
[partij 2] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40;
[partij 2] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
3.2.
[partij 1] legt aan de (hoofd)vorderingen het volgende ten grondslag.
[partij 1] stelt zich primair op het standpunt dat [partij 2] binnen een afstand van een halve meter hedera (die gekwalificeerd dient te worden als een haag/heester) heeft geplant. Gelet op artikel 5:42 BW levert dit een onrechtmatige situatie op, die beëindigd dient te worden door verwijdering van de hedera. Subsidiair dient [partij 2] de hedera in te korten (en ingekort te houden) tot de hoogte van de erfafscheiding. [partij 2] veroorzaakt namelijk onrechtmatige hinder (artikel 5:37 BW). Het oversteken van de takken levert bovendien een schending op van artikel 5:44 BW. [partij 1] maakt verder aanspraak op betaling van de snoeikosten. [partij 1] heeft [partij 2] gevraagd de overhangende beplanting te verwijderen. [partij 2] heeft hieraan geen gehoor gegeven. [partij 1] heeft de overhangende beplanting daarom zelf laten verwijderen. [partij 2] weigert ten onrechte de kosten daarvan te voldoen.
3.3.
[partij 2] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij 1] , met veroordeling van [partij 1] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[partij 2] vordert voor recht te verklaren dat [partij 2] geen onderhoudsverplichting heeft aan de zijde van [partij 1] .
3.6.
[partij 2] legt aan de vordering ten grondslag dat [partij 2] nooit heeft toegezegd of met [partij 1] afgesproken om structureel onderhoud te verrichten aan de hedera. De hedera is bovendien samen met het hekwerk mandelig.
3.7.
[partij 1] voert verweer. De hedera is in strijd met de wettelijke afstandsregels geplant, veroorzaakt blijvend overlast op het perceel van [partij 1] en [partij 2] weigert daarvoor verantwoordelijkheid te nemen, ondanks de toezegging bij aanplant om dat wel te doen. De kantonrechter begrijpt het zo, dat [partij 1] concludeert tot afwijzing van de vordering van [partij 2] .
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
4.1.
[partij 1] vordert primair verwijdering van de hedera op grond van artikel 5:42 BW.
4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat het op grond van de wet niet toegestaan is om heesters of heggen binnen een halve meter van de grenslijn te hebben (artikel 5:42 BW). Een kleinere afstand kan zijn toegelaten op grond van een verordening of een plaatselijke gewoonte.
4.3.
Tussen partijen staat vast dat het hekwerk op de erfgrens staat. De kantonrechter wijst in dit verband ook op artikel 5:36 BW, waarin onder meer is bepaald dat als een hek dient als afscheiding tussen twee erven, het midden van deze afscheiding wordt vermoed de grens tussen deze erven te zijn. Verder staat vast dat de hedera aan de zijde van [partij 2] is aangeplant. Het verweer van [partij 2] dat de hedera is geplant tussen de palen van het hekwerk op de erfgrens en daarom mandelig is, volgt de kantonrechter niet. Waar vaststaat dat - het raster van - het hekwerk op de erfgrens staat, kan de hedera, hoe dichtbij die ook bij - het raster van - het hekwerk staat, niet op de erfgrens zijn aangeplant. Het raster, waarvan moet worden aangenomen dat dit de grenslijn volgt, is daarbij leidend, en niet de ter ondersteuning daarvan aangebrachte palen. De kantonrechter stelt dus vast dat de hedera is aangeplant op het perceel van [partij 2] , zeer dicht tegen de erfgrens.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de hedera kwalificeert als heester. De kantonrechter volgt partijen hierin (zie ook: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024 en rechtbank Midden-Nederland van 23 april 2025).
4.5.
Dit leidt ertoe dat de hedera binnen de “verboden zone” staat van een halve meter van de erfgrens. De kantonrechter merkt hierbij op dat niet gesteld of gebleken is dat er een andere afstand volgt op grond van een eventuele verordening of plaatselijke gewoonte.
4.6.
Het verweer van [partij 2] dat de rechtsvoorganger van [partij 1] toestemming heeft gegeven om de hedera te planten, kan - indien juist - niet leiden tot een ander oordeel. Het geven van toestemming in de zin van artikel 5:42 lid 1 BW is een rechtshandeling die voor de rechtstoestand van een registergoed van belang is en zodoende vatbaar is voor inschrijving in de openbare registers. De kantonrechter overweegt dat indien de toestemming niet in de openbare registers is ingeschreven, deze niet werkt tegenover latere verkrijgers van het registergoed, die van de toestemming geen weet hebben. Van deze situatie is sprake. [partij 2] heeft immers verklaard dat de volgens hem verkregen toestemming niet is ingeschreven. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat [partij 1] weet heeft gehad van de volgens [partij 2] gekregen toestemming.
4.7.
De situatie is dus - zoals [partij 1] terecht aanvoert - ongeoorloofd. [partij 1] is daarom gerechtigd verwijdering van de hedera te vorderen. Dit deel van de vordering is toewijsbaar. Dit geldt ook voor de gevorderde dwangsom en de gevorderde hoofdelijke veroordeling.
4.8.
Nu de primaire vordering wordt toegewezen, hoeft de kantonrechter niet meer in te gaan op de subsidiaire vordering en wat daarvoor is aangevoerd.
4.9.
De door [partij 1] gevorderde snoeikosten zijn eveneens toewijsbaar. Niet in geschil is dat [partij 2] is aangemaand de overhangende takken te verwijderen en dat vervolgens niet heeft gedaan. [partij 1] was daarom gerechtigd om op grond van artikel 5:44 BW eigenmachtig de overhangende takken te (laten) verwijderen. [partij 1] kan dan ook aanspraak maken op vergoeding van de gemaakte snoeikosten. Tegen de hoogte daarvan is geen afzonderlijk verweer gevoerd. De gevorderde wettelijke rente wijst de kantonrechter wel af, omdat [partij 1] heeft verzuimd te stellen dat en vanaf wanneer hij daar recht op zou hebben.
4.10.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zal de kantonrechter ook afwijzen.
[partij 2] is een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (dus een consument). Ingevolge artikel 6:96 BW lid 6 BW dient [partij 2] in dat geval een kosteloze aanmaning te krijgen die voldoet aan de daarin genoemde eisen.
De in het dossier aangetroffen brieven met de daarin genoemde termijnen van “binnen 7 dagen na dagtekening” en “binnen veertien dagen na heden” voldoen niet aan dit artikel.
4.11.
[partij 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,59
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
968,59
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.13.
[partij 2] vordert voor recht te verklaren dat [partij 2] geen onderhoudsverplichting heeft aan de zijde van [partij 1] . Gelet op de beslissing in conventie heeft [partij 2] geen processueel belang meer bij zijn vordering. Deze vordering zal reeds hierom afgewezen worden.
4.14.
[partij 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op nihil.
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij 2] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de volledige hedera (circa 40 meter lang), die zich binnen de verboden zone bevindt op het perceel van [partij 2] aan [adres 2] , te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt;
5.2.
veroordeelt [partij 2] tot betaling aan [partij 1] van € 240,00 (inclusief btw),
5.3.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 968,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [partij 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
wijst de vordering van [partij 2] af,
5.8.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten, die aan de zijde van [partij 1] op nihil worden begroot.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
ECLI:NL:GHARL:2024:7750.
ECLI:NL:RBMNE:2025:1891.
LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12201653 \ CV EXPL 26-2072
Vonnis van 16 september 2026
in de zaak van
1 [persoon 1] ,
te [plaats] ,2. [persoon 2],
te [plaats] ,
eisende partijen in conventie,
verwerende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. L.M. van den Broek, ARAG SE,
tegen
1 [persoon 3] ,
te [plaats] ,2. [persoon 4],
te [plaats] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij 2] ,
procederend in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met bijlagen- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met bijlagen- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 2 juli 2026 met bijlagen van [partij 1]- het bericht van 2 juli 2026 met bijlagen van [partij 2]- de mondelinge behandeling van 21 juli 2026 en de toen aan de kant van [partij 1] overgelegde spreekaantekeningen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
[partij 1] is eigenaar van het perceel gelegen aan het [adres 1] .
[partij 2] is eigenaar van het perceel gelegen aan [adres 2] .
De tuinen van partijen grenzen aan elkaar.
2.2.
[partij 2] heeft eind 2020 dan wel begin 2021 tegen het hekwerk (van circa
40 meter lang) hedera geplant. Het hekwerk staat op de erfgrens.
2.3.
Na aanplant heeft [partij 2] aanvankelijk jaarlijks de overhangende takken gesnoeid. Sinds de zomer van 2024 is [partij 2] hiermee gestopt. [partij 1] heeft [partij 2] gevraagd de overhangende takken opnieuw te verwijderen. [partij 2] heeft niet voldaan aan dit verzoek. [partij 1] heeft de overhangende takken vervolgens laten verwijderen en [partij 2] gevraagd de kosten hiervan (€ 240,00 inclusief btw) te voldoen. [partij 2] heeft niet voldaan aan dit verzoek.
2.4.
Nadat de hedera opnieuw gegroeid was, heeft [partij 1] [partij 2] opnieuw gevraagd de hedera te snoeien. [partij 2] heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek.
2.5.
[partij 1] is daarom een procedure gestart.
3Het geschil
in conventie
3.1.
[partij 1] vordert (na op de mondelinge behandeling gedane eisvermindering), bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad - samengevat - :
Primair:
- [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot verwijdering en verwijderd houden van de hedera die zich binnen de verboden zone bevindt;
Subsidiair:
- [partij 2] hoofdelijk te veroordelen tot het inkorten en ingekort houden van de hedera die zich binnen de verboden zone bevindt, alsmede de door het hek groeiende takken te verwijderen en verwijderd te houden;
In alle gevallen:
op straffe van een dwangsom, indien niet voldaan wordt aan het primair dan wel subsidiair gevorderde;
[partij 2] te veroordelen tot betaling van snoeikosten van € 240,00 inclusief btw, te vermeerderen met rente;
[partij 1] te machtigen, indien [partij 2] met de inkorting in gebreke zal blijven, deze zelf te doen bewerkstelligen op kosten van [partij 2] ;
[partij 2] te veroordelen tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 48,40;
[partij 2] te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met rente.
3.2.
[partij 1] legt aan de (hoofd)vorderingen het volgende ten grondslag.
[partij 1] stelt zich primair op het standpunt dat [partij 2] binnen een afstand van een halve meter hedera (die gekwalificeerd dient te worden als een haag/heester) heeft geplant. Gelet op artikel 5:42 BW levert dit een onrechtmatige situatie op, die beëindigd dient te worden door verwijdering van de hedera. Subsidiair dient [partij 2] de hedera in te korten (en ingekort te houden) tot de hoogte van de erfafscheiding. [partij 2] veroorzaakt namelijk onrechtmatige hinder (artikel 5:37 BW). Het oversteken van de takken levert bovendien een schending op van artikel 5:44 BW. [partij 1] maakt verder aanspraak op betaling van de snoeikosten. [partij 1] heeft [partij 2] gevraagd de overhangende beplanting te verwijderen. [partij 2] heeft hieraan geen gehoor gegeven. [partij 1] heeft de overhangende beplanting daarom zelf laten verwijderen. [partij 2] weigert ten onrechte de kosten daarvan te voldoen.
3.3.
[partij 2] voert verweer. Hij concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [partij 1] , met veroordeling van [partij 1] in de proceskosten.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.5.
[partij 2] vordert voor recht te verklaren dat [partij 2] geen onderhoudsverplichting heeft aan de zijde van [partij 1] .
3.6.
[partij 2] legt aan de vordering ten grondslag dat [partij 2] nooit heeft toegezegd of met [partij 1] afgesproken om structureel onderhoud te verrichten aan de hedera. De hedera is bovendien samen met het hekwerk mandelig.
3.7.
[partij 1] voert verweer. De hedera is in strijd met de wettelijke afstandsregels geplant, veroorzaakt blijvend overlast op het perceel van [partij 1] en [partij 2] weigert daarvoor verantwoordelijkheid te nemen, ondanks de toezegging bij aanplant om dat wel te doen. De kantonrechter begrijpt het zo, dat [partij 1] concludeert tot afwijzing van de vordering van [partij 2] .
3.8.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
in conventie
4.1.
[partij 1] vordert primair verwijdering van de hedera op grond van artikel 5:42 BW.
4.2.
De kantonrechter stelt voorop dat het op grond van de wet niet toegestaan is om heesters of heggen binnen een halve meter van de grenslijn te hebben (artikel 5:42 BW). Een kleinere afstand kan zijn toegelaten op grond van een verordening of een plaatselijke gewoonte.
4.3.
Tussen partijen staat vast dat het hekwerk op de erfgrens staat. De kantonrechter wijst in dit verband ook op artikel 5:36 BW, waarin onder meer is bepaald dat als een hek dient als afscheiding tussen twee erven, het midden van deze afscheiding wordt vermoed de grens tussen deze erven te zijn. Verder staat vast dat de hedera aan de zijde van [partij 2] is aangeplant. Het verweer van [partij 2] dat de hedera is geplant tussen de palen van het hekwerk op de erfgrens en daarom mandelig is, volgt de kantonrechter niet. Waar vaststaat dat - het raster van - het hekwerk op de erfgrens staat, kan de hedera, hoe dichtbij die ook bij - het raster van - het hekwerk staat, niet op de erfgrens zijn aangeplant. Het raster, waarvan moet worden aangenomen dat dit de grenslijn volgt, is daarbij leidend, en niet de ter ondersteuning daarvan aangebrachte palen. De kantonrechter stelt dus vast dat de hedera is aangeplant op het perceel van [partij 2] , zeer dicht tegen de erfgrens.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat de hedera kwalificeert als heester. De kantonrechter volgt partijen hierin (zie ook: gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 december 2024 en rechtbank Midden-Nederland van 23 april 2025).
4.5.
Dit leidt ertoe dat de hedera binnen de “verboden zone” staat van een halve meter van de erfgrens. De kantonrechter merkt hierbij op dat niet gesteld of gebleken is dat er een andere afstand volgt op grond van een eventuele verordening of plaatselijke gewoonte.
4.6.
Het verweer van [partij 2] dat de rechtsvoorganger van [partij 1] toestemming heeft gegeven om de hedera te planten, kan - indien juist - niet leiden tot een ander oordeel. Het geven van toestemming in de zin van artikel 5:42 lid 1 BW is een rechtshandeling die voor de rechtstoestand van een registergoed van belang is en zodoende vatbaar is voor inschrijving in de openbare registers. De kantonrechter overweegt dat indien de toestemming niet in de openbare registers is ingeschreven, deze niet werkt tegenover latere verkrijgers van het registergoed, die van de toestemming geen weet hebben. Van deze situatie is sprake. [partij 2] heeft immers verklaard dat de volgens hem verkregen toestemming niet is ingeschreven. Daarnaast is gesteld noch gebleken dat [partij 1] weet heeft gehad van de volgens [partij 2] gekregen toestemming.
4.7.
De situatie is dus - zoals [partij 1] terecht aanvoert - ongeoorloofd. [partij 1] is daarom gerechtigd verwijdering van de hedera te vorderen. Dit deel van de vordering is toewijsbaar. Dit geldt ook voor de gevorderde dwangsom en de gevorderde hoofdelijke veroordeling.
4.8.
Nu de primaire vordering wordt toegewezen, hoeft de kantonrechter niet meer in te gaan op de subsidiaire vordering en wat daarvoor is aangevoerd.
4.9.
De door [partij 1] gevorderde snoeikosten zijn eveneens toewijsbaar. Niet in geschil is dat [partij 2] is aangemaand de overhangende takken te verwijderen en dat vervolgens niet heeft gedaan. [partij 1] was daarom gerechtigd om op grond van artikel 5:44 BW eigenmachtig de overhangende takken te (laten) verwijderen. [partij 1] kan dan ook aanspraak maken op vergoeding van de gemaakte snoeikosten. Tegen de hoogte daarvan is geen afzonderlijk verweer gevoerd. De gevorderde wettelijke rente wijst de kantonrechter wel af, omdat [partij 1] heeft verzuimd te stellen dat en vanaf wanneer hij daar recht op zou hebben.
4.10.
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zal de kantonrechter ook afwijzen.
[partij 2] is een natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf (dus een consument). Ingevolge artikel 6:96 BW lid 6 BW dient [partij 2] in dat geval een kosteloze aanmaning te krijgen die voldoet aan de daarin genoemde eisen.
De in het dossier aangetroffen brieven met de daarin genoemde termijnen van “binnen 7 dagen na dagtekening” en “binnen veertien dagen na heden” voldoen niet aan dit artikel.
4.11.
[partij 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,59
- griffierecht
€
93,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
968,59
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
in reconventie
4.13.
[partij 2] vordert voor recht te verklaren dat [partij 2] geen onderhoudsverplichting heeft aan de zijde van [partij 1] . Gelet op de beslissing in conventie heeft [partij 2] geen processueel belang meer bij zijn vordering. Deze vordering zal reeds hierom afgewezen worden.
4.14.
[partij 2] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op nihil.
5De beslissing
De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [partij 2] hoofdelijk om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de volledige hedera (circa 40 meter lang), die zich binnen de verboden zone bevindt op het perceel van [partij 2] aan [adres 2] , te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van een dwangsom van € 100,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 2.500,00 is bereikt;
5.2.
veroordeelt [partij 2] tot betaling aan [partij 1] van € 240,00 (inclusief btw),
5.3.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 968,59, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [partij 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in reconventie
5.7.
wijst de vordering van [partij 2] af,
5.8.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten, die aan de zijde van [partij 1] op nihil worden begroot.
Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.
ECLI:NL:GHARL:2024:7750.
ECLI:NL:RBMNE:2025:1891.