Rechtbank Gelderland
ECLI:NL:RBGEL:2026:6958
2026-07-17
Civiel recht; Verbintenissenrecht
K/5004/11536700
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Aanneming van werk. Vloer in een groothandel vertoont barsten. Aannemer die dekvloer heeft gelegd is onvoldoende in de gelegenheid gesteld om te herstellen. Aannemer die ondervloer heeft gelegd is al in een andere, nog lopende, procedure in hoger beroep betrokken. Strijd met goede procesorde.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:1836 Hoge Raad 09-12-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (20.398 tekens)
RECHTBANK
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummers: 11536700 \ CV EXPL 25-452 en 11774419 \ CV EXPL 25-1988
Vonnis van 17 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
, handelende onder de naam [handelsnaam],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I. van Leusden-Willemse,
tegen
ARBE HANDEL B.V.,
te Nijmegen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Arbe,
gemachtigde: mr. E. Yilmaz,
tegen
BG WINKELINVENTARIS B.V.,
te Nijmegen,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: BG,
gemachtigde: mr. D. Coskun.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure met nummer 11536700\25-452 blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 23 mei 2025;- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de akte overlegging producties, tevens vermeerdering van eis van Arbe;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 30 juni 2026 en de pleitaantekeningen van [eiser] en Arbe.
1.2.
Het verloop van de procedure met nummer 11774419\25-1988 blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;
- de akte overlegging producties, tevens vermeerdering van eis van Arbe;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 30 juni 2026 en de pleitaantekeningen van Arbe.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Arbe drijft een groothandel in levensmiddelen, met name gericht op de horeca.
2.2.
[eiser] heeft in opdracht van Arbe in een bedrijfspand van Arbe dekvloeren aangebracht. Dit betrof onder andere een PMMA vloer in de koel- en vriescel (hierna: de vriescel). De vriescel is geïnstalleerd door BG, die voor het storten van de onderliggende betonnen vloer een bedrijf heeft ingeschakeld. Vervolgens heeft [eiser] op de betonnen vloer een PMMA vloer aangebracht.
2.3.
[eiser] heeft haar werkzaamheden aan de vloeren in het pand, niet zijnde de vriescelvloer, gefactureerd aan Arbe met facturen ter hoogte van € 28.041,75 en € 21.417,00. Arbe heeft deze, na het uitvoeren van de werkzaamheden, ineens, voldaan.
2.4.
[eiser] heeft Arbe een offerte, gedateerd op 2 mei 2024, gestuurd ter zake de PMMA vloer in de vriescel. De werkzaamheden zijn met een factuur van 11 juni 2024 ter hoogte van € 17.242,50 inclusief btw gefactureerd. De factuur vermeldt dat een aanbetaling van 30% voor aanvang van de werkzaamheden moet plaatsvinden en verder een vervaldatum van 18 juni 2024 en daarnaast dat binnen 14 dagen moet worden betaald.
2.5.
De vloer in het pand van Arbe vertoont scheurvorming, ook in de vriescel.
2.6.
Naar de oorzaak van de scheurvorming in de vloer van de vriescel is door een aantal deskundigen onderzoek gedaan. Dit betreft de deskundigen Socotec (ingeschakeld door BG), [naam 1] Consultancy (ingeschakeld door Arbe), [naam 2] (eveneens ingeschakeld door Arbe) en Mijtech (ingeschakeld door [eiser] ). Uit de rapporten kan, kort gezegd, worden afgeleid dat sprake was van een dichte slikhuid en dat de temperatuur in de vriescel niet op juiste wijze, stapsgewijs, is verlaagd waardoor de vloer een thermische schok te verduren heeft gekregen. De combinatie van deze factoren heeft de scheurvorming veroorzaakt.
2.7.
Bij de rechtbank Amsterdam is een procedure gevoerd tussen BG en Arbe (zaaknummer 757375/24-1089). In die procedure heeft BG betaling van haar facturen gevorderd, waartegen Arbe zich heeft verweerd met de stelling dat BG op diverse punten toerekenbaar tekortgeschoten is, onder meer waar het de (vloer van de) vriescel betreft. In reconventie heeft Arbe schadevergoeding gevorderd. Bij vonnis van 25 juni 2025 zijn de vorderingen van BG toegewezen en die van Arbe grotendeels afgewezen. Van dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert de veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van Arbe tot betaling van € 17.242,50, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 947,40 en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 25 juni 2025, althans een door de kantonrechter te bepalen datum, met veroordeling van Arbe in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na de datum van dit vonnis.
3.2.
Arbe voert verweer. Arbe concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
In reconventie vordert Arbe, na wijziging van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser] te veroordelen tot betaling aan Arbe van € 147.740,00, bestaande uit € 24.020,00 exclusief btw aan herstelkosten van de vriescelvloer en € 93.720,00 exclusief btw aan herstelkosten van de overige vloeren, en € 30.000,00 aan gevolgschade, te vermeerderen met btw voor zover Arbe deze niet kan verrekenen, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de akte eisvermeerdering, althans een door de kantonrechter te bepalen datum en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en nakosten.
[eiser] en BG te veroordelen tot herstel van de vloer dan wel alle herstelkosten die gepaard gaan met het herstel van de vloer en de gevolgschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de akte eisvermeerdering, althans een door de kantonrechter te bepalen datum en met veroordeling van [eiser] en BG in de proceskosten en nakosten.
3.4.
[eiser] en BG voeren verweer. [eiser] en BG concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Arbe in de proceskosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Procedureel
4.1.
In het tussenvonnis van 23 mei 2025 heeft de kantonrechter Arbe toegestaan BG in het geding te roepen op grond van artikel 118 Rv. De kantonrechter blijft bij dat vonnis. Nadien is een (standaard) vonnis gewezen om de mondelinge behandeling in beide zaken, gelijktijdig, te bepalen. Daarin is de terminologie hoofdzaak en vrijwaring gebruikt, maar gelet op het tussenvonnis is dat niet juist. Er is in deze zaak sprake van een vordering in conventie van [eiser] tegen Arbe en een vordering in reconventie van Arbe tegen [eiser] en BG.
Ten aanzien van [eiser]
4.2.
Er is sprake van een overeenkomst van aanneming van werk. De overeenkomst is door geen van partijen (gedeeltelijk) ontbonden en geldt dus nog tussen hen.
4.3.
[eiser] vordert betaling van haar factuur ter zake de vloer van de vriescel en Arbe verweert zich hiertegen door te stellen dat [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van haar werkzaamheden. De tegenvordering van Arbe is ook gegrond op deze stelling en daarnaast op de stelling dat de tekortkoming zich ook uitstrekt tot de vloer in de rest van het pand (buiten de vriescel).
4.4.
[eiser] heeft gesteld dat zij niet in verzuim is geraakt. Zij heeft dit gegrond op de stelling dat (eerst) sprake was van (schuldeisers)verzuim van Arbe, omdat zij niet binnen de in de factuur genoemde betalingstermijn van veertien dagen heeft betaald. Echter is onvoldoende onderbouwd dat de in de factuur genoemde betalingsvoorwaarden tussen partijen zijn overeengekomen. Daartoe is met name redengevend dat vaststaat dat deze betalingsvoorwaarden onweersproken op alle facturen van [eiser] zijn vermeld, terwijl de betaling vooraf van 30% nimmer door Arbe is verricht in het geval van de twee eerdere facturen en dat [eiser] daarop ook geen beroep heeft gedaan jegens Arbe. Het is bovendien niet duidelijk wat [eiser] bedoelt met de vervaldatum van de factuur, die ligt voor het einde van de gestelde betalingstermijn.
4.5.
Het beroep op ontbreken van verzuim slaagt in zoverre dat niet is gebleken dat Arbe [eiser] de gelegenheid heeft geboden tot herstel van de door haar gestelde gebreken en evenmin dat [eiser] in gebreke is gesteld ter zake de gevorderde schadevergoeding. Ter zitting daarnaar gevraagd is door Arbe gesteld dat dit waarschijnlijk wel is gebeurd in confraternele correspondentie. Dit is door [eiser] echter niet bevestigd. Het was naar het oordeel van de kantonrechter aan Arbe om op dit cruciale onderdeel haar stelplicht invulling te geven door ofwel – zo nodig met toestemming van de deken – de correspondentie over te leggen ofwel – tenminste – te stellen aan wie zij op welke datum een brief heeft gestuurd en of deze aan de vereisten van de wet voldeed.
4.6.
Het door Arbe overgelegde appbericht is in elk geval onvoldoende. Het betreft aan [eiser] gestuurde foto’s van scheuren in de vloer met daarbij een tekst in het Turks, waarvan geen vertaling is overgelegd. Gesteld noch gebleken is dat het bericht kan worden opgevat als een mededeling inhoudende dat gelegenheid tot herstel wordt geboden als bedoeld in artikel 7:759 BW of aan de vereisten van de ingebrekestelling voldoet.
4.7.
De kantonrechter beschikt alleen over een brief van de advocaat van [eiser] van 26 augustus 2024 waarin zij namens [eiser] betaling van de factuur vordert en waarin verder wordt geschreven dat [eiser] aanbiedt eventuele gebreken aan de vloer(en) te herstellen, onder bepaalde voorwaarden. Dit spreekt het benodigde verzuim van [eiser] dus temeer tegen, nu [eiser] zelf heeft aangeboden te herstellen. Dit aanbod heeft zij tijdens de zitting herhaald, maar Arbe stelt thans dat zij geen vertrouwen meer heeft in [eiser] en alleen schadeverhouding wil zodat een derde kan herstellen. Hoe zich dit verhoudt tot de ook in het gewijzigde petitum genoemde (en ter zitting gehandhaafde) vordering tot herstel en het uitblijven van (gedeeltelijke) ontbinding, is onduidelijk.
4.8.
Het voorgaande kan wel schuldeisersverzuim van Arbe opleveren aangezien zij [eiser] immers niet (voldoende) in de gelegenheid stelt om te herstellen, maar in elk geval geen verzuim van [eiser] . De vordering tot herstel is daarbij onduidelijk geformuleerd, nu niet duidelijk is wat er precies moet worden hersteld door welke partij en wie daarvan de kosten moet dragen. Arbe maakt daarbij ook geen onderscheid tussen de vriescelvloer waarvan uit de deskundigenberichten kan worden afgeleid wat de oorzaak van de gebreken is, en de overige vloeren waarover door Arbe niets is gesteld met betrekking tot de schadeoorzaak en aan wie de gebreken te wijten zijn.
4.9.
Reeds hierop strandt het verweer van Arbe tegen de vordering van [eiser] en ook de tegenvordering. De verder onweersproken hoofdsom en handelsrente worden toegewezen.
4.10.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering zal worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 947,40 worden toegewezen.
4.11.
Arbe is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] in conventie en in reconventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
2.452,00
(1 punten × € 432,00 en 2 punten × € 1.010,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.450,35
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Ten aanzien van BG
4.13.
BG heeft bij haar conclusie van antwoord het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2025 overgelegd. Hoewel dit voor de hand had gelegen, heeft Arbe op geen enkele wijze in de processtukken vermeldt dat tegen BG reeds een procedure aanhangig was ter zake van (onder meer) de vloer van de vriescel. Dit had kunnen leiden tot een ander oordeel in het incident, omdat dit evident gevolgen heeft voor het belang van Arbe om BG in deze procedure te betrekken.
4.14.
Bij de huidige stand van zaken moet het in Amsterdam gegeven oordeel leiden tot afwijzing van de vordering van Arbe tegen BG in deze procedure. Er is geen sprake van gezag van gewijsde gezien het ingestelde hoger beroep, maar naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van strijd met de goede procesorde, omdat de wijze van procederen van Arbe het risico met zich brengt dat tegenstrijdige uitspraken worden gedaan met betrekking tot dezelfde vordering. Desgevraagd heeft Arbe immers niet gesteld dat in deze procedure andere grondslagen of vorderingen voorliggen dan in de procedure in Amsterdam. Wel wil zij aanvullende feitelijke stellingen betrekken, maar dit kan zij in de procedure in hoger beroep doen.
4.15.
Arbe is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BG worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
2.020,00
(2 punten × € 1.010,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.164,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
In de procedure tussen [eiser] en Arbe
in conventie
5.1.
veroordeelt Arbe om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.242,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Arbe om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 947,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van Arbe af,
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt Arbe in de proceskosten van [eiser] van € 3.450,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Arbe niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt Arbe tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
In de procedure tussen Arbe en BG
5.8.
wijst de vorderingen van Arbe af;
5.9.
veroordeelt Arbe in de proceskosten van BG van € 2.164,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Arbe niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.10.
veroordeelt Arbe tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.11.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
17 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
560
Artikel 7:750 BW
Artikel 7:759 BW
Artikel 6:74 BW in verband met artikel 6:82 BW
Artikel 3:303 BW
Artikel 236 Rv
Parket bij de Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:PHR 2022:826, leidend tot Hoge Raad
9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1836
GELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummers: 11536700 \ CV EXPL 25-452 en 11774419 \ CV EXPL 25-1988
Vonnis van 17 juli 2026
in de zaak van
[eiser]
, handelende onder de naam [handelsnaam],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. I. van Leusden-Willemse,
tegen
ARBE HANDEL B.V.,
te Nijmegen,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Arbe,
gemachtigde: mr. E. Yilmaz,
tegen
BG WINKELINVENTARIS B.V.,
te Nijmegen,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: BG,
gemachtigde: mr. D. Coskun.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure met nummer 11536700\25-452 blijkt uit:
- het vonnis in het incident van 23 mei 2025;- de conclusie van antwoord in reconventie;
- de akte overlegging producties, tevens vermeerdering van eis van Arbe;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 30 juni 2026 en de pleitaantekeningen van [eiser] en Arbe.
1.2.
Het verloop van de procedure met nummer 11774419\25-1988 blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;
- de akte overlegging producties, tevens vermeerdering van eis van Arbe;
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 30 juni 2026 en de pleitaantekeningen van Arbe.
1.3.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
Arbe drijft een groothandel in levensmiddelen, met name gericht op de horeca.
2.2.
[eiser] heeft in opdracht van Arbe in een bedrijfspand van Arbe dekvloeren aangebracht. Dit betrof onder andere een PMMA vloer in de koel- en vriescel (hierna: de vriescel). De vriescel is geïnstalleerd door BG, die voor het storten van de onderliggende betonnen vloer een bedrijf heeft ingeschakeld. Vervolgens heeft [eiser] op de betonnen vloer een PMMA vloer aangebracht.
2.3.
[eiser] heeft haar werkzaamheden aan de vloeren in het pand, niet zijnde de vriescelvloer, gefactureerd aan Arbe met facturen ter hoogte van € 28.041,75 en € 21.417,00. Arbe heeft deze, na het uitvoeren van de werkzaamheden, ineens, voldaan.
2.4.
[eiser] heeft Arbe een offerte, gedateerd op 2 mei 2024, gestuurd ter zake de PMMA vloer in de vriescel. De werkzaamheden zijn met een factuur van 11 juni 2024 ter hoogte van € 17.242,50 inclusief btw gefactureerd. De factuur vermeldt dat een aanbetaling van 30% voor aanvang van de werkzaamheden moet plaatsvinden en verder een vervaldatum van 18 juni 2024 en daarnaast dat binnen 14 dagen moet worden betaald.
2.5.
De vloer in het pand van Arbe vertoont scheurvorming, ook in de vriescel.
2.6.
Naar de oorzaak van de scheurvorming in de vloer van de vriescel is door een aantal deskundigen onderzoek gedaan. Dit betreft de deskundigen Socotec (ingeschakeld door BG), [naam 1] Consultancy (ingeschakeld door Arbe), [naam 2] (eveneens ingeschakeld door Arbe) en Mijtech (ingeschakeld door [eiser] ). Uit de rapporten kan, kort gezegd, worden afgeleid dat sprake was van een dichte slikhuid en dat de temperatuur in de vriescel niet op juiste wijze, stapsgewijs, is verlaagd waardoor de vloer een thermische schok te verduren heeft gekregen. De combinatie van deze factoren heeft de scheurvorming veroorzaakt.
2.7.
Bij de rechtbank Amsterdam is een procedure gevoerd tussen BG en Arbe (zaaknummer 757375/24-1089). In die procedure heeft BG betaling van haar facturen gevorderd, waartegen Arbe zich heeft verweerd met de stelling dat BG op diverse punten toerekenbaar tekortgeschoten is, onder meer waar het de (vloer van de) vriescel betreft. In reconventie heeft Arbe schadevergoeding gevorderd. Bij vonnis van 25 juni 2025 zijn de vorderingen van BG toegewezen en die van Arbe grotendeels afgewezen. Van dit vonnis is hoger beroep ingesteld.
3Het geschil
3.1.
[eiser] vordert de veroordeling bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, van Arbe tot betaling van € 17.242,50, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de buitengerechtelijke kosten van € 947,40 en te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 25 juni 2025, althans een door de kantonrechter te bepalen datum, met veroordeling van Arbe in de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf acht dagen na de datum van dit vonnis.
3.2.
Arbe voert verweer. Arbe concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.3.
In reconventie vordert Arbe, na wijziging van eis, om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
[eiser] te veroordelen tot betaling aan Arbe van € 147.740,00, bestaande uit € 24.020,00 exclusief btw aan herstelkosten van de vriescelvloer en € 93.720,00 exclusief btw aan herstelkosten van de overige vloeren, en € 30.000,00 aan gevolgschade, te vermeerderen met btw voor zover Arbe deze niet kan verrekenen, althans een door de kantonrechter te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de akte eisvermeerdering, althans een door de kantonrechter te bepalen datum en met veroordeling van [eiser] in de proceskosten en nakosten.
[eiser] en BG te veroordelen tot herstel van de vloer dan wel alle herstelkosten die gepaard gaan met het herstel van de vloer en de gevolgschade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van de akte eisvermeerdering, althans een door de kantonrechter te bepalen datum en met veroordeling van [eiser] en BG in de proceskosten en nakosten.
3.4.
[eiser] en BG voeren verweer. [eiser] en BG concluderen tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Arbe in de proceskosten.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
Procedureel
4.1.
In het tussenvonnis van 23 mei 2025 heeft de kantonrechter Arbe toegestaan BG in het geding te roepen op grond van artikel 118 Rv. De kantonrechter blijft bij dat vonnis. Nadien is een (standaard) vonnis gewezen om de mondelinge behandeling in beide zaken, gelijktijdig, te bepalen. Daarin is de terminologie hoofdzaak en vrijwaring gebruikt, maar gelet op het tussenvonnis is dat niet juist. Er is in deze zaak sprake van een vordering in conventie van [eiser] tegen Arbe en een vordering in reconventie van Arbe tegen [eiser] en BG.
Ten aanzien van [eiser]
4.2.
Er is sprake van een overeenkomst van aanneming van werk. De overeenkomst is door geen van partijen (gedeeltelijk) ontbonden en geldt dus nog tussen hen.
4.3.
[eiser] vordert betaling van haar factuur ter zake de vloer van de vriescel en Arbe verweert zich hiertegen door te stellen dat [eiser] toerekenbaar tekortgeschoten is in de uitvoering van haar werkzaamheden. De tegenvordering van Arbe is ook gegrond op deze stelling en daarnaast op de stelling dat de tekortkoming zich ook uitstrekt tot de vloer in de rest van het pand (buiten de vriescel).
4.4.
[eiser] heeft gesteld dat zij niet in verzuim is geraakt. Zij heeft dit gegrond op de stelling dat (eerst) sprake was van (schuldeisers)verzuim van Arbe, omdat zij niet binnen de in de factuur genoemde betalingstermijn van veertien dagen heeft betaald. Echter is onvoldoende onderbouwd dat de in de factuur genoemde betalingsvoorwaarden tussen partijen zijn overeengekomen. Daartoe is met name redengevend dat vaststaat dat deze betalingsvoorwaarden onweersproken op alle facturen van [eiser] zijn vermeld, terwijl de betaling vooraf van 30% nimmer door Arbe is verricht in het geval van de twee eerdere facturen en dat [eiser] daarop ook geen beroep heeft gedaan jegens Arbe. Het is bovendien niet duidelijk wat [eiser] bedoelt met de vervaldatum van de factuur, die ligt voor het einde van de gestelde betalingstermijn.
4.5.
Het beroep op ontbreken van verzuim slaagt in zoverre dat niet is gebleken dat Arbe [eiser] de gelegenheid heeft geboden tot herstel van de door haar gestelde gebreken en evenmin dat [eiser] in gebreke is gesteld ter zake de gevorderde schadevergoeding. Ter zitting daarnaar gevraagd is door Arbe gesteld dat dit waarschijnlijk wel is gebeurd in confraternele correspondentie. Dit is door [eiser] echter niet bevestigd. Het was naar het oordeel van de kantonrechter aan Arbe om op dit cruciale onderdeel haar stelplicht invulling te geven door ofwel – zo nodig met toestemming van de deken – de correspondentie over te leggen ofwel – tenminste – te stellen aan wie zij op welke datum een brief heeft gestuurd en of deze aan de vereisten van de wet voldeed.
4.6.
Het door Arbe overgelegde appbericht is in elk geval onvoldoende. Het betreft aan [eiser] gestuurde foto’s van scheuren in de vloer met daarbij een tekst in het Turks, waarvan geen vertaling is overgelegd. Gesteld noch gebleken is dat het bericht kan worden opgevat als een mededeling inhoudende dat gelegenheid tot herstel wordt geboden als bedoeld in artikel 7:759 BW of aan de vereisten van de ingebrekestelling voldoet.
4.7.
De kantonrechter beschikt alleen over een brief van de advocaat van [eiser] van 26 augustus 2024 waarin zij namens [eiser] betaling van de factuur vordert en waarin verder wordt geschreven dat [eiser] aanbiedt eventuele gebreken aan de vloer(en) te herstellen, onder bepaalde voorwaarden. Dit spreekt het benodigde verzuim van [eiser] dus temeer tegen, nu [eiser] zelf heeft aangeboden te herstellen. Dit aanbod heeft zij tijdens de zitting herhaald, maar Arbe stelt thans dat zij geen vertrouwen meer heeft in [eiser] en alleen schadeverhouding wil zodat een derde kan herstellen. Hoe zich dit verhoudt tot de ook in het gewijzigde petitum genoemde (en ter zitting gehandhaafde) vordering tot herstel en het uitblijven van (gedeeltelijke) ontbinding, is onduidelijk.
4.8.
Het voorgaande kan wel schuldeisersverzuim van Arbe opleveren aangezien zij [eiser] immers niet (voldoende) in de gelegenheid stelt om te herstellen, maar in elk geval geen verzuim van [eiser] . De vordering tot herstel is daarbij onduidelijk geformuleerd, nu niet duidelijk is wat er precies moet worden hersteld door welke partij en wie daarvan de kosten moet dragen. Arbe maakt daarbij ook geen onderscheid tussen de vriescelvloer waarvan uit de deskundigenberichten kan worden afgeleid wat de oorzaak van de gebreken is, en de overige vloeren waarover door Arbe niets is gesteld met betrekking tot de schadeoorzaak en aan wie de gebreken te wijten zijn.
4.9.
Reeds hierop strandt het verweer van Arbe tegen de vordering van [eiser] en ook de tegenvordering. De verder onweersproken hoofdsom en handelsrente worden toegewezen.
4.10.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering zal worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiser] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 947,40 worden toegewezen.
4.11.
Arbe is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] in conventie en in reconventie worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
122,35
- griffierecht
€
732,00
- salaris gemachtigde
€
2.452,00
(1 punten × € 432,00 en 2 punten × € 1.010,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
3.450,35
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
Ten aanzien van BG
4.13.
BG heeft bij haar conclusie van antwoord het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 25 juni 2025 overgelegd. Hoewel dit voor de hand had gelegen, heeft Arbe op geen enkele wijze in de processtukken vermeldt dat tegen BG reeds een procedure aanhangig was ter zake van (onder meer) de vloer van de vriescel. Dit had kunnen leiden tot een ander oordeel in het incident, omdat dit evident gevolgen heeft voor het belang van Arbe om BG in deze procedure te betrekken.
4.14.
Bij de huidige stand van zaken moet het in Amsterdam gegeven oordeel leiden tot afwijzing van de vordering van Arbe tegen BG in deze procedure. Er is geen sprake van gezag van gewijsde gezien het ingestelde hoger beroep, maar naar het oordeel van de kantonrechter is sprake van strijd met de goede procesorde, omdat de wijze van procederen van Arbe het risico met zich brengt dat tegenstrijdige uitspraken worden gedaan met betrekking tot dezelfde vordering. Desgevraagd heeft Arbe immers niet gesteld dat in deze procedure andere grondslagen of vorderingen voorliggen dan in de procedure in Amsterdam. Wel wil zij aanvullende feitelijke stellingen betrekken, maar dit kan zij in de procedure in hoger beroep doen.
4.15.
Arbe is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BG worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
2.020,00
(2 punten × € 1.010,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.164,00
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5De beslissing
De kantonrechter
In de procedure tussen [eiser] en Arbe
in conventie
5.1.
veroordeelt Arbe om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 17.242,50, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 juni 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt Arbe om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 947,00 aan buitengerechtelijke kosten,
5.3.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van Arbe af,
in conventie en in reconventie
5.5.
veroordeelt Arbe in de proceskosten van [eiser] van € 3.450,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Arbe niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt Arbe tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
In de procedure tussen Arbe en BG
5.8.
wijst de vorderingen van Arbe af;
5.9.
veroordeelt Arbe in de proceskosten van BG van € 2.164,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Arbe niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.10.
veroordeelt Arbe tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.11.
verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J.C. van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op
17 juli 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
560
Artikel 7:750 BW
Artikel 7:759 BW
Artikel 6:74 BW in verband met artikel 6:82 BW
Artikel 3:303 BW
Artikel 236 Rv
Parket bij de Hoge Raad 9 september 2022, ECLI:NL:PHR 2022:826, leidend tot Hoge Raad
9 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1836