Rechtbank Den Haag
ECLI:NL:RBDHA:2026:27570
2026-09-17
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
K/4502/12086478
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Overgang van onderneming. Niewe werkgever vordert verklaring voor recht dat werknemer in dienst van oude werkgever is gebleven. Vordering wordt afgewezen, omdat eiseres geen onmiddellijk betrokken persoon in de zin van artikel 3:302 BW is. Voorbouwende vorderingen worden ook afgewezen.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2012:BV7828 Hoge Raad 06-04-2012
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.878 tekens)
RECHTBANK
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JvdL/C
Zaaknummer: 12086478 \ RL EXPL 26-3455
Vonnis van 17 september 2026
in de zaak van
GENUS DIENSTEN B.V.,
te Wateringen,
eisende partij,
hierna te noemen: Genus,
gemachtigde: mr. J.M. Geerdes,
tegen
DE FACILITAIRE PARTNER SCHOON B.V.,
te Zoetermeer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DFPS,
gemachtigde: mr. R.L.G. Odekerken.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 januari 2026, met producties 1 tot en met 7;- de conclusie van antwoord van 7 april 2026, met producties 1 tot en met 3;- de brief van 11 februari 2026, waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van Genus van 17 augustus 2026, met een toelichting op productie 6;- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De heer [werknemer] sinds 2006 werkzaam als conciërge op basisschool [schoolnaam] , onderdeel van Stichting Lucas Onderwijs (hierna: Lucas). Daarnaast verrichtte hij schoonmaakwerkzaamheden op deze school. Van augustus 2016 tot 1 oktober 2023 verrichtte hij deze werkzaamheden in dienst van Genus.
2.2.
Lucas heeft de schoonmaakwerkzaamheden op onder meer de [schoolnaam] aanbesteed en met ingang van 1 oktober 2023 aan DFPS gegund. Vanaf die datum was [werknemer] in dienst van DFPS.
2.3.
Omdat Lucas ontevreden was over de kwaliteit van de schoonmaakwerkzaamheden op de [schoolnaam] , heeft DFPS daar vanaf 20 mei 2024 Genus ingeschakeld om als onderaannemer schoonmaakwerkzaamheden te verrichten.
2.4.
Op 21 mei 2024 informeerde DFPS [werknemer] over de gewijzigde situatie en bood hem een alternatieve werkplek in de regio aan. [werknemer] heeft dit aanbod geweigerd. Per 31 mei 2024 heeft DFPS de loonbetaling aan [werknemer] wegens werkweigering gestaakt.
2.5.
Op 10 februari 2025 heeft [werknemer] een kort geding tegen Genus en DFPS aanhangig gemaakt. Daarin stelde hij zich op het standpunt dat hij zijn werk op de [schoolnaam] mocht blijven verrichten, omdat er op 20 mei 2024 sprake was van overgang van onderneming van DFPS naar Genus dan wel van contractovername door Genus in de zin van artikel 38 van de cao schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (hierna: Cao). [werknemer] vorderde van Genus onder meer betaling van achterstallig salaris. Voor zover de vorderingen tegen Genus zouden worden afgewezen, vorderde hij van DFPS nakoming van de arbeidsovereenkomst.
2.6.
Op 24 april 2025 heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in het voornoemde kort geding. De kantonrechter oordeelde voorshands dat sprake is van een overgang van onderneming en dat alle rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en DFPS op 20 mei 2024 zijn overgegaan op Genus. Verder veroordeelde de kantonrechter Genus onder meer tot betaling aan [werknemer] van zijn salaris, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De kantonrechter wees de vorderingen tegen DFPS af, omdat hij voorshands aannemelijk achtte dat [werknemer] vanaf 20 mei 2020 bij Genus in dienst was.
2.7.
Genus heeft aan het kortgedingvonnis voldaan.
2.8.
In de op 6 november 2025 ondertekende ‘Overeenkomst van Cessie (artikel 3:94 BW)’ tussen Genus als ‘Koper’ en [werknemer] als ‘Verkoper’ staat het volgende:
“(…)
OVERWEGENDE:
1. Dat door de rechtbank Den Haag op 24 april 2025 vonnis is gewezen in kort geding (kenmerk 11509877 RL EXPL 24-1634) waarbij door de rechter in kort geding is geoordeeld dat Verkoper op basis van overgang van onderneming bij Koper in dienst zou zijn gekomen vanaf 20 mei 2024 en waarbij Koper is veroordeeld tot betaling aan Verkoper van:
- achterstallig salaris inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering over de periode 20 mei 2024 tot en met 31 december 2024 (€ 5961,73);
- de wettelijke verhoging (€ 2.981,86 bruto);
- de wettelijke rente (€ 422,92);
- betaling van salaris vanaf 1 januari 2025. Nu de opdrachtovereenkomst per 1 juni 2025 is beëindigd betekent dit het salaris tot 1 juni 2025.
- de buitengerechtelijke incassokosten (€ 801,21);
- de proceskosten in kort geding € 1.183,47.
In totaal een bedrag van € 21.742,87.
(…)
6. Dat indien en voor zover de rechter in de bodemprocedure tot het oordeel komt dat Verkoper op en na 20 mei 2024 in dienst is gebleven van DFPS, Koper onverschuldigd heeft betaald aan Verkoper en Verkoper een vordering heeft op DFPS die hij alsdan wenst te verkopen aan koper;
(…)
Artikel 1 De vordering
Koper koopt van verkoper, gelijk verkoper levert aan koper, de vordering van verkoper op DFPS zoals hiervoor bedoeld.
Partijen menen dat de hoofdsom van de vordering van verkoper op DFPS in ieder geval gelijk is aan het bedrag dat koper aan Verkoper heeft voldaan, te weten € 21.742,87.
(…)”
3Het geschil
3.1.
Genus vordert – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad (i) voor recht verklaart dat [werknemer] op en na 20 mei 2025 in dienst is gebleven van DFPS, (ii) DFPS veroordeelt tot betaling aan Genus van € 19.758,19 voor het aan [werknemer] betaalde salaris over de periode 20 mei 2024 tot 1 juni 2025 (inclusief eindejaarsuitkering, vakantietoeslag, transitievergoeding, uitbetaalde verlofuren, wettelijke verhoging en wettelijke rente), € 1.183,47 voor de proceskosten in kort geding, € 801,21 voor de buitengerechtelijke incassokosten en € 483,75 (exclusief BTW) voor de kosten van de arbodienst en (iii) DFPS veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
DFPS voert verweer. DFPS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Genus, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Genus, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Genus in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen
4.1.
Genus betoogt dat in het kortgedingvonnis ten onrechte is geoordeeld dat er sprake is van een overgang van onderneming. Voor een overgang van onderneming is op grond van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vereist dat er een overgang is van een economische eenheid die haar identiteit heeft behouden. Daarvan is volgens Genus in dit geval geen sprake. Ook zou er geen contractovername in de zin van artikel 38 Cao hebben plaatsgevonden, omdat er geen sprake was van een heraanbesteding maar van onderaanneming. [werknemer] zou daarom op 20 mei 2024 niet bij Genus in dienst zijn gekomen. Daarom vordert Genus een verklaring voor recht dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 in dienst van DFPS is gebleven.
4.2.
Voordat aan een inhoudelijke beoordeling van deze vordering kan worden toegekomen, moet de kantonrechter eerst vaststellen dat hij de gevorderde verklaring voor recht kan uitspreken. Op grond van artikel 3:302 BW kan de rechter dit doen op vordering van een persoon die onmiddellijk betrokken is bij de rechtsverhouding waarover de verklaring voor recht gaat. Genus beoogt met de gevorderde verklaring voor recht te laten vaststellen dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 in dienst van DFPS is gebleven. De rechtsverhouding waarover Genus een verklaring voor recht vordert is dus de (vermeende) arbeidsovereenkomst tussen DFPS en [werknemer] . Dit betekent dat de kantonrechter moet beoordelen of Genus onmiddellijk betrokken is bij die arbeidsovereenkomst.
4.3.
Ter zitting heeft Genus desgevraagd toegelicht waarom zij meent onmiddellijk betrokken te zijn bij de arbeidsovereenkomst tussen DFPS en [werknemer] . Volgens Genus is dat het geval omdat zij belang heeft bij de beantwoording van de vraag wie na 20 mei 2024 de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst met [werknemer] moet nakomen. Dat Genus belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht is weliswaar vereist op grond van artikel 3:303 BW, maar is niet voldoende om aan het vereiste van artikel 3:302 BW te voldoen. Genus is geen partij bij die overeenkomst. Bovendien vloeien uit de (vermeende) arbeidsovereenkomst tussen DFPS en [werknemer] geen rechten of verplichtingen voor Genus voort. Daarom is Genus niet onmiddellijk betrokken bij deze overeenkomst. Dit betekent dat Genus niet aan het vereiste van artikel 3:302 BW voldoet. De gevorderde verklaring voor recht zal dus worden afgewezen.
De vorderingen tot betaling van de in het kortgedingvonnis toegewezen bedragen en betaling van de kosten voor de arbodienst zullen ook worden afgewezen
4.4.
De vordering van Genus tot betaling van de aan [werknemer] in het kortgedingvonnis toegewezen bedragen voor salaris, buitengerechtelijke kosten en proceskosten bouwt volgens Genus voort op de gevorderde verklaring voor recht. Als de kantonrechter namelijk vaststelt dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 in dienst van DFPS is gebleven, zou [werknemer] deze bedragen van DFPS kunnen vorderen. Omdat [werknemer] zijn vordering aan Genus heeft gecedeerd, kan Genus dit dus in zijn plaats doen. Ook de vordering van Genus tot betaling van de kosten voor de arbodienst, die zij heeft ingeschakeld toen [werknemer] op 6 januari 2025 arbeidsongeschikt werd, bouwt volgens Genus voort op de gevorderde verklaring van recht. Als namelijk wordt vastgesteld dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 in dienst van DFPS is gebleven, zou DFPS als werkgever van [werknemer] wettelijk verplicht zijn geweest om een arbodienst in te schakelen.
4.5.
Uit rov. 4.3 volgt dat de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht zal afwijzen en dus niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. Dit brengt mee dat in deze procedure niet wordt vastgesteld dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 bij DFPS in dienst is gebleven. Deze vaststelling kan dus ook niet ten grondslag worden gelegd aan de vorderingen van Genus tot betaling van de in het kortgedingvonnis aan [werknemer] toegewezen bedragen en tot betaling van de kosten voor de arbodienst. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
Genus moet de forfaitaire proceskosten betalen
4.6.
DFPS verzoekt de kantonrechter om Genus te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten, omdat Genus misbruik van procesrecht heeft gemaakt dan wel onrechtmatig heeft geprocedeerd. Volgens DFPS is sprake van een evident ongegronde vordering. Genus zou zich namelijk baseren op een cessie-akte die in overweging 6 zelf erkent dat de gecedeerde vordering niet bestaat. Bovendien heeft Genus [werknemer] niet in deze procedure betrokken. Verder zou Genus de gevorderde bedragen niet voldoende hebben gespecificeerd, omdat de gevorderde bedragen niet onderbouwd en (deels) niet aan [werknemer] verschuldigd zouden zijn.
4.7.
Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Hiervan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.
4.8.
De gevorderde verklaring wordt afgewezen omdat Genus niet aan het vereiste van artikel 3:302 BW voldoet. De vorderingen tot betaling van de in het kortgedingvonnis aan [werknemer] toegewezen bedragen en tot betaling van de kosten voor de arbodienst worden afgewezen omdat deze voortbouwen op de gevorderde verklaring voor recht. Uit rov. 4.2 tot en met rov. 4.5 volgt dat een juridisch debat over de vorderingen van Genus mogelijk was. Aan de in rov. 4.7 genoemde strenge maatstaf is dus niet voldaan. Daarom is van misbruik van procesrecht geen sprake. Genus zal dus niet worden veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten van DFPS.
4.9.
Genus is echter wel in het ongelijk gesteld en moet daarom de forfaitaire proceskosten (inclusief nakosten) van DFPS betalen. Deze kosten worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.154
(2 punten × € 577)
- nakosten
€
144
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.298
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Genus af,
5.2.
veroordeelt Genus in de proceskosten van € 1.298, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Genus niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Lee en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
Vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag ex artikel 254 Rv van 24 april 2025, zaak-/rolnummer 11509877 RL EXPL 24-1634.
HR 22 januari 1993, NJ 1994, 734 (Staat/Stichting Herwaardering Pensioenen NSB-Kamerleden) en HR 14 oktober 2011, NJ 2012, 110 (X/M.E. Beheer), r.o. 7.5.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, r.o. 5.1.
DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Den Haag
JvdL/C
Zaaknummer: 12086478 \ RL EXPL 26-3455
Vonnis van 17 september 2026
in de zaak van
GENUS DIENSTEN B.V.,
te Wateringen,
eisende partij,
hierna te noemen: Genus,
gemachtigde: mr. J.M. Geerdes,
tegen
DE FACILITAIRE PARTNER SCHOON B.V.,
te Zoetermeer,
gedaagde partij,
hierna te noemen: DFPS,
gemachtigde: mr. R.L.G. Odekerken.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 27 januari 2026, met producties 1 tot en met 7;- de conclusie van antwoord van 7 april 2026, met producties 1 tot en met 3;- de brief van 11 februari 2026, waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van Genus van 17 augustus 2026, met een toelichting op productie 6;- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De feiten
2.1.
De heer [werknemer] sinds 2006 werkzaam als conciërge op basisschool [schoolnaam] , onderdeel van Stichting Lucas Onderwijs (hierna: Lucas). Daarnaast verrichtte hij schoonmaakwerkzaamheden op deze school. Van augustus 2016 tot 1 oktober 2023 verrichtte hij deze werkzaamheden in dienst van Genus.
2.2.
Lucas heeft de schoonmaakwerkzaamheden op onder meer de [schoolnaam] aanbesteed en met ingang van 1 oktober 2023 aan DFPS gegund. Vanaf die datum was [werknemer] in dienst van DFPS.
2.3.
Omdat Lucas ontevreden was over de kwaliteit van de schoonmaakwerkzaamheden op de [schoolnaam] , heeft DFPS daar vanaf 20 mei 2024 Genus ingeschakeld om als onderaannemer schoonmaakwerkzaamheden te verrichten.
2.4.
Op 21 mei 2024 informeerde DFPS [werknemer] over de gewijzigde situatie en bood hem een alternatieve werkplek in de regio aan. [werknemer] heeft dit aanbod geweigerd. Per 31 mei 2024 heeft DFPS de loonbetaling aan [werknemer] wegens werkweigering gestaakt.
2.5.
Op 10 februari 2025 heeft [werknemer] een kort geding tegen Genus en DFPS aanhangig gemaakt. Daarin stelde hij zich op het standpunt dat hij zijn werk op de [schoolnaam] mocht blijven verrichten, omdat er op 20 mei 2024 sprake was van overgang van onderneming van DFPS naar Genus dan wel van contractovername door Genus in de zin van artikel 38 van de cao schoonmaak- en glazenwassersbedrijf (hierna: Cao). [werknemer] vorderde van Genus onder meer betaling van achterstallig salaris. Voor zover de vorderingen tegen Genus zouden worden afgewezen, vorderde hij van DFPS nakoming van de arbeidsovereenkomst.
2.6.
Op 24 april 2025 heeft de kantonrechter van de rechtbank Den Haag vonnis gewezen in het voornoemde kort geding. De kantonrechter oordeelde voorshands dat sprake is van een overgang van onderneming en dat alle rechten en verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst tussen [werknemer] en DFPS op 20 mei 2024 zijn overgegaan op Genus. Verder veroordeelde de kantonrechter Genus onder meer tot betaling aan [werknemer] van zijn salaris, buitengerechtelijke kosten en proceskosten. De kantonrechter wees de vorderingen tegen DFPS af, omdat hij voorshands aannemelijk achtte dat [werknemer] vanaf 20 mei 2020 bij Genus in dienst was.
2.7.
Genus heeft aan het kortgedingvonnis voldaan.
2.8.
In de op 6 november 2025 ondertekende ‘Overeenkomst van Cessie (artikel 3:94 BW)’ tussen Genus als ‘Koper’ en [werknemer] als ‘Verkoper’ staat het volgende:
“(…)
OVERWEGENDE:
1. Dat door de rechtbank Den Haag op 24 april 2025 vonnis is gewezen in kort geding (kenmerk 11509877 RL EXPL 24-1634) waarbij door de rechter in kort geding is geoordeeld dat Verkoper op basis van overgang van onderneming bij Koper in dienst zou zijn gekomen vanaf 20 mei 2024 en waarbij Koper is veroordeeld tot betaling aan Verkoper van:
- achterstallig salaris inclusief vakantietoeslag en eindejaarsuitkering over de periode 20 mei 2024 tot en met 31 december 2024 (€ 5961,73);
- de wettelijke verhoging (€ 2.981,86 bruto);
- de wettelijke rente (€ 422,92);
- betaling van salaris vanaf 1 januari 2025. Nu de opdrachtovereenkomst per 1 juni 2025 is beëindigd betekent dit het salaris tot 1 juni 2025.
- de buitengerechtelijke incassokosten (€ 801,21);
- de proceskosten in kort geding € 1.183,47.
In totaal een bedrag van € 21.742,87.
(…)
6. Dat indien en voor zover de rechter in de bodemprocedure tot het oordeel komt dat Verkoper op en na 20 mei 2024 in dienst is gebleven van DFPS, Koper onverschuldigd heeft betaald aan Verkoper en Verkoper een vordering heeft op DFPS die hij alsdan wenst te verkopen aan koper;
(…)
Artikel 1 De vordering
Koper koopt van verkoper, gelijk verkoper levert aan koper, de vordering van verkoper op DFPS zoals hiervoor bedoeld.
Partijen menen dat de hoofdsom van de vordering van verkoper op DFPS in ieder geval gelijk is aan het bedrag dat koper aan Verkoper heeft voldaan, te weten € 21.742,87.
(…)”
3Het geschil
3.1.
Genus vordert – samengevat – dat de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad (i) voor recht verklaart dat [werknemer] op en na 20 mei 2025 in dienst is gebleven van DFPS, (ii) DFPS veroordeelt tot betaling aan Genus van € 19.758,19 voor het aan [werknemer] betaalde salaris over de periode 20 mei 2024 tot 1 juni 2025 (inclusief eindejaarsuitkering, vakantietoeslag, transitievergoeding, uitbetaalde verlofuren, wettelijke verhoging en wettelijke rente), € 1.183,47 voor de proceskosten in kort geding, € 801,21 voor de buitengerechtelijke incassokosten en € 483,75 (exclusief BTW) voor de kosten van de arbodienst en (iii) DFPS veroordeelt in de proceskosten en de nakosten.
3.2.
DFPS voert verweer. DFPS concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Genus, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van Genus, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Genus in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4De beoordeling
De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen
4.1.
Genus betoogt dat in het kortgedingvonnis ten onrechte is geoordeeld dat er sprake is van een overgang van onderneming. Voor een overgang van onderneming is op grond van artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) vereist dat er een overgang is van een economische eenheid die haar identiteit heeft behouden. Daarvan is volgens Genus in dit geval geen sprake. Ook zou er geen contractovername in de zin van artikel 38 Cao hebben plaatsgevonden, omdat er geen sprake was van een heraanbesteding maar van onderaanneming. [werknemer] zou daarom op 20 mei 2024 niet bij Genus in dienst zijn gekomen. Daarom vordert Genus een verklaring voor recht dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 in dienst van DFPS is gebleven.
4.2.
Voordat aan een inhoudelijke beoordeling van deze vordering kan worden toegekomen, moet de kantonrechter eerst vaststellen dat hij de gevorderde verklaring voor recht kan uitspreken. Op grond van artikel 3:302 BW kan de rechter dit doen op vordering van een persoon die onmiddellijk betrokken is bij de rechtsverhouding waarover de verklaring voor recht gaat. Genus beoogt met de gevorderde verklaring voor recht te laten vaststellen dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 in dienst van DFPS is gebleven. De rechtsverhouding waarover Genus een verklaring voor recht vordert is dus de (vermeende) arbeidsovereenkomst tussen DFPS en [werknemer] . Dit betekent dat de kantonrechter moet beoordelen of Genus onmiddellijk betrokken is bij die arbeidsovereenkomst.
4.3.
Ter zitting heeft Genus desgevraagd toegelicht waarom zij meent onmiddellijk betrokken te zijn bij de arbeidsovereenkomst tussen DFPS en [werknemer] . Volgens Genus is dat het geval omdat zij belang heeft bij de beantwoording van de vraag wie na 20 mei 2024 de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst met [werknemer] moet nakomen. Dat Genus belang heeft bij de gevorderde verklaring voor recht is weliswaar vereist op grond van artikel 3:303 BW, maar is niet voldoende om aan het vereiste van artikel 3:302 BW te voldoen. Genus is geen partij bij die overeenkomst. Bovendien vloeien uit de (vermeende) arbeidsovereenkomst tussen DFPS en [werknemer] geen rechten of verplichtingen voor Genus voort. Daarom is Genus niet onmiddellijk betrokken bij deze overeenkomst. Dit betekent dat Genus niet aan het vereiste van artikel 3:302 BW voldoet. De gevorderde verklaring voor recht zal dus worden afgewezen.
De vorderingen tot betaling van de in het kortgedingvonnis toegewezen bedragen en betaling van de kosten voor de arbodienst zullen ook worden afgewezen
4.4.
De vordering van Genus tot betaling van de aan [werknemer] in het kortgedingvonnis toegewezen bedragen voor salaris, buitengerechtelijke kosten en proceskosten bouwt volgens Genus voort op de gevorderde verklaring voor recht. Als de kantonrechter namelijk vaststelt dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 in dienst van DFPS is gebleven, zou [werknemer] deze bedragen van DFPS kunnen vorderen. Omdat [werknemer] zijn vordering aan Genus heeft gecedeerd, kan Genus dit dus in zijn plaats doen. Ook de vordering van Genus tot betaling van de kosten voor de arbodienst, die zij heeft ingeschakeld toen [werknemer] op 6 januari 2025 arbeidsongeschikt werd, bouwt volgens Genus voort op de gevorderde verklaring van recht. Als namelijk wordt vastgesteld dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 in dienst van DFPS is gebleven, zou DFPS als werkgever van [werknemer] wettelijk verplicht zijn geweest om een arbodienst in te schakelen.
4.5.
Uit rov. 4.3 volgt dat de kantonrechter de gevorderde verklaring voor recht zal afwijzen en dus niet toekomt aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. Dit brengt mee dat in deze procedure niet wordt vastgesteld dat [werknemer] ook na 20 mei 2024 bij DFPS in dienst is gebleven. Deze vaststelling kan dus ook niet ten grondslag worden gelegd aan de vorderingen van Genus tot betaling van de in het kortgedingvonnis aan [werknemer] toegewezen bedragen en tot betaling van de kosten voor de arbodienst. Deze vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
Genus moet de forfaitaire proceskosten betalen
4.6.
DFPS verzoekt de kantonrechter om Genus te veroordelen tot betaling van de werkelijke proceskosten, omdat Genus misbruik van procesrecht heeft gemaakt dan wel onrechtmatig heeft geprocedeerd. Volgens DFPS is sprake van een evident ongegronde vordering. Genus zou zich namelijk baseren op een cessie-akte die in overweging 6 zelf erkent dat de gecedeerde vordering niet bestaat. Bovendien heeft Genus [werknemer] niet in deze procedure betrokken. Verder zou Genus de gevorderde bedragen niet voldoende hebben gespecificeerd, omdat de gevorderde bedragen niet onderbouwd en (deels) niet aan [werknemer] verschuldigd zouden zijn.
4.7.
Van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen is sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had moeten blijven. Hiervan kan sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door artikel 6 EVRM.
4.8.
De gevorderde verklaring wordt afgewezen omdat Genus niet aan het vereiste van artikel 3:302 BW voldoet. De vorderingen tot betaling van de in het kortgedingvonnis aan [werknemer] toegewezen bedragen en tot betaling van de kosten voor de arbodienst worden afgewezen omdat deze voortbouwen op de gevorderde verklaring voor recht. Uit rov. 4.2 tot en met rov. 4.5 volgt dat een juridisch debat over de vorderingen van Genus mogelijk was. Aan de in rov. 4.7 genoemde strenge maatstaf is dus niet voldaan. Daarom is van misbruik van procesrecht geen sprake. Genus zal dus niet worden veroordeeld tot betaling van de werkelijke proceskosten van DFPS.
4.9.
Genus is echter wel in het ongelijk gesteld en moet daarom de forfaitaire proceskosten (inclusief nakosten) van DFPS betalen. Deze kosten worden begroot op:
- salaris gemachtigde
€
1.154
(2 punten × € 577)
- nakosten
€
144
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.298
5De beslissing
De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van Genus af,
5.2.
veroordeelt Genus in de proceskosten van € 1.298, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als Genus niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van der Lee en in het openbaar uitgesproken op 17 september 2026.
Vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Den Haag ex artikel 254 Rv van 24 april 2025, zaak-/rolnummer 11509877 RL EXPL 24-1634.
HR 22 januari 1993, NJ 1994, 734 (Staat/Stichting Herwaardering Pensioenen NSB-Kamerleden) en HR 14 oktober 2011, NJ 2012, 110 (X/M.E. Beheer), r.o. 7.5.
HR 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828, r.o. 5.1.