Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:22381

2026-07-23 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.20411
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-23
Publicatiedatum
2026-08-10
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.20411
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Dublin/Frankrijk, Interstatelijk vertrouwensbeginsel, C.K., Tarakhel, Bijzondere individuele omstandigheden, artikel 17 Dublinverordening.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.566 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Rotterdam



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.20411


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [nummer] , eiseres
(gemachtigde: mr. M. Khababi),


en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Procesverloop


Bij besluit van 9 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling ervan.



Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.



De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.20412), op 16 juli 2026 op zitting behandeld. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk was aanwezig [tolk] . De gemachtigde van verweerder heeft zich afgemeld.





Overwegingen



Inleiding



1. Eiseres stelt van Sierra Leoonse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op 7 juli 1998. Zij heeft haar asielaanvraag in Nederland op 8 januari 2026 ingediend.

2. Uit Eurodac is gebleken dat eiseres op 12 april 2023 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Frankrijk. Nederland heeft op 21 februari 2026 Frankrijk verzocht om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening). Frankrijk heeft dit verzoek op 9 maart 2026 op dezelfde grondslag aanvaard.



Totstandkoming van het besluit



3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Verweerder stelt dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij overdracht aan Frankrijk een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiseres volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om haar asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.



De beroepsgronden van eiseres



4. Eiseres voert aan dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, omdat zij geen toegang zal krijgen tot de medische zorg. Verder stelt eiseres dat zij als bijzonder kwetsbaar dient te worden aangemerkt, gelet op de overgelegde medische informatie en het AIDA-rapport. Volgens eiseres is sprake van een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang in haar gezondheidssituatie. Deze omstandigheden hadden moeten leiden tot de toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, nu een overdracht naar Frankrijk zou getuigen van een onevenredige hardheid.



Het oordeel van de rechtbank





Interstatelijk vertrouwensbeginsel



5. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft in onder meer de uitspraken van 30 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3552, en 31 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3623, geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Dit vermoeden is weerlegbaar.


5.1.
Gelet hierop is het aan eiseres om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat zij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan zij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen of verklaringen afleggen over eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in het geval dat eiseres aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218).



5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiseres niet in haar bewijslast geslaagd. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar het AIDA-rapport over Frankrijk van 2025 (update 2024). Verder stelt eiseres dat zij ernstige gezondheidsklachten heeft, waarvoor zij in Nederland behandeld wordt. Zo heeft zij last van heftige bloedingen, een cyste, schildklierproblemen en is zij gediagnostiseerd met PCOS. Ook wordt gezocht naar een instelling waar zij kan starten met EMDR-therapie als gevolg van haar ervaringen in Sierra Leone. De rechtbank merkt op dat eiseres zich niet op het standpunt stelt dat de medische zorg in Frankrijk niet van hetzelfde niveau is als in Nederland of dat noodzakelijke behandeling in Frankrijk niet mogelijk is, maar zij betwist dat deze zorg feitelijk toegankelijk is voor haar. Eiseres verklaart zelf te hebben ervaren dat haar medische zorg werd onthouden in Frankrijk gedurende de drie jaar dat ze daar was. Zij stelt dat ze bij verschillende instanties om medische hulp heeft gevraagd, maar dat de ernst van haar klachten niet werd onderkend en dat zij is weggestuurd zonder dat zij hiervan documenten ontving. De rechtbank ziet in het AIDA-rapport van 2025 en de eigen ervaringen van eiseres geen reden om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in de hiervoor genoemde uitspraak van 31 juli 2025. In deze uitspraak is de Afdeling ingegaan op de opvangomstandigheden in Frankrijk en heeft onder andere geoordeeld dat het AIDA-rapport over Frankrijk, update 2024, geen wezenlijk ander beeld schetst dan eerder al is beoordeeld. Eiseres heeft, ook in combinatie met haar eigen ervaringen, niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van structurele tekortkomingen. Dat haar noodzakelijke medische zorg is geweigerd, heeft eiseres niet met stukken onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt. Wat betreft het betoog van eiseres dat gedurende de eerste drie maanden enkel in een noodsituatie aanspraak zal bestaan op medische behandeling, wijst de rechtbank nog op wat hierna wordt overwogen over de medische situatie van eiseres. Verder blijkt uit de door eiseres op de zitting overgelegde brief dat zij gedurende de eerdere asielprocedure en ook nog enkele weken nadat zij een afwijzende beslissing op haar aanvraag had gekregen, opvang in Frankrijk heeft gekregen. Dat zij na een overdracht als Dublinclaimant geen opvang zal krijgen in Frankrijk, is door eiseres onvoldoende aannemelijk gemaakt. Bovendien heeft Frankrijk met het claimakkoord gegarandeerd de opvolgende asielaanvraag van eiseres in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asiel- en opvangrichtlijnen. Als eiseres na overdracht aan Frankrijk problemen ondervindt, dient zij zich te beklagen bij de Franse autoriteiten of daar om hulp te vragen (vgl. het arrest van het EHRM van 2 december 2008, ECLI:CE:ECHR:2008:1202DEC003273308, in de zaak K.R.S. tegen het Verenigd Koninkrijk). Niet is gebleken dat de Franse autoriteiten eiseres niet kunnen of willen helpen. De stelling van eiseres dat klagen niet mogelijk is vanwege de omvang van de opvangproblemen, volgt de rechtbank niet. Ook de afwijzing van haar eerdere asielaanvraag in Frankrijk, doet niet af aan dit oordeel. De beroepsgrond slaagt niet.



C.K.




6. Uit het arrest C.K. (arrest van het Hof van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127) volgt dat wanneer een asielzoeker objectieve gegevens overlegt die de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen aantonen waartoe een overdracht zou kunnen leiden, verweerder bij het nemen van het overdrachtsbesluit moet beoordelen wat het risico is dat die gevolgen zich voordoen. Die vergewisplicht treedt onder meer in wanneer het risico dat een asielzoeker suïcide zal plegen als gevolg van zijn of haar overdracht door een medisch deskundige als reëel of hoog is ingeschat.




6.1.
Naar het oordeel van de rechtbank kan eiseres geen geslaagd beroep doen op dit arrest. Eiseres heeft wel medische informatie overgelegd over haar gezondheidstoestand, maar uit deze informatie blijkt niet dat er door een medisch deskundige een inschatting is gemaakt van de gevolgen van een overdracht aan Frankrijk voor de gezondheidstoestand van eiseres. De rechtbank ziet in de overgelegde medische informatie ook geen objectieve onderbouwing voor de stelling van eiseres ter zitting dat het onthouden van medische zorg in Frankrijk traumatiserend is geweest voor haar en dat zij daarom niet naar Frankrijk kan terugkeren. Voor zover eiseres stelt dat een overdracht naar Frankrijk een ernstige achteruitgang van haar gezondheidstoestand teweeg zal brengen doordat haar huidige behandelingen niet kunnen worden voortgezet, is de rechtbank van oordeel dat dit ook niet volgt uit de overgelegde medische informatie en dat eiseres met die enkele niet onderbouwde stelling niet aannemelijk heeft gemaakt dat een overdracht zal leiden tot onomkeerbare gevolgen in de zin van het arrest C.K.. De beroepsgrond slaagt niet.



Tarakhel



7. Eiseres voert aan dat zij als bijzonder kwetsbaar dient te worden aangemerkt en dat verweerder daarom individuele garanties aan Frankrijk dient te vragen voor het verkrijgen van opvang en medische zorg na overdracht. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Vooropgesteld wordt dat asielzoekers enkel onder bijzondere omstandigheden als bijzonder kwetsbaar worden aangemerkt. Hoewel de rechtbank op basis van de verstrekte medische gegevens aanneemt dat eiseres medische problemen heeft, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zij om die reden niet zelfredzaam is en niet in staat is om hulp in te schakelen van de autoriteiten mocht dat nodig zijn. Dat het voor eiseres lastiger is om hulp te vragen in Frankrijk wegens een taalbarrière kan de rechtbank volgen, maar dat is onvoldoende om aan te nemen dat eiseres niet in staat zou zijn om hulp in te schakelen. Eiseres heeft naar eigen zeggen eerder in Frankrijk ook om hulp gevraagd. Daarnaast is het zo dat er voorafgaand aan een overdracht een uitwisseling van medische gegevens van eiseres kan plaatsvinden tussen Nederland en Frankrijk, waardoor de autoriteiten van Frankrijk voor de overdracht over eventuele bijzondere (medische) behoeften worden geïnformeerd zodat zij daar bij aankomst van eiseres in Frankrijk rekening mee kunnen houden. Voor zover eiseres een beroep doet op het arrest Tarakhel, slaagt dit beroep daarom niet.



Bijzondere individuele omstandigheden



8. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening in verbinding met paragraaf C2/5, tweede gedachtestreepje (onder ‘discretionaire bepalingen’), van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) trekt verweerder een asielaanvraag onverplicht aan zich indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de vreemdeling aan de voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming verantwoordelijke lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt.



8.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat om de asielaanvraag van eiseres op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich toe te trekken. Voor zover eiseres betoogt dat de door haar naar voren gebrachte problemen met betrekking tot haar ervaringen in Frankrijk en haar gestelde medische problematiek ook moeten worden meegenomen in de motivering in het kader van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening, verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717. Daarin is geoordeeld dat als verweerder de omstandigheden waar de vreemdeling zich op heeft beroepen al heeft betrokken bij de beoordeling of hij van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan, dit in beginsel ook een deugdelijke motivering is waarom hij zijn discretionaire bevoegdheid niet gebruikt. Alles bij elkaar heeft verweerder in de omstandigheden die eiseres naar voren heeft gebracht in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. De beroepsgrond slaagt niet.





Conclusie en gevolgen


9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.




Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.



De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:





Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.