Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:19429

2026-07-14 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.36848
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-07-14
Publicatiedatum
2026-07-14
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.36848
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Volgberoep, 59-1-a, zicht op uitzetting, voortvarend handelen, ongegrond.

Citeert (7)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.696 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Groningen


Bestuursrecht


zaaknummer: NL26.36848


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen



[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),



en




de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).



Inleiding


1. De minister heeft op 14 april 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.



1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.



1.3.
De minister heeft een verweerschrift ingediend.



1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juli 2026 schriftelijk behandeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op 13 juli 2026 gesloten.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 april 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 24 april 2026 de maatregel van bewaring rechtmatig is.

3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.



Wat vindt eiser?



4. Eiser betoogt dat de voortduring van de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser aan dat er geen zicht is op uitzetting en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt ten aanzien van zijn uitzetting. Er is op 27 maart 2026 een lp-aanvraag ingediend bij de Algerijnse ambassade en sindsdien is uitsluitend elke drie weken gerappelleerd. Er hebben weliswaar standaard vertrekgesprekken plaatsgevonden, maar op individueel niveau ontbreekt elke actie. Hiernaast heeft eiser nooit over enig identiteitsdocument beschikt, waardoor er evenmin zicht op uitzetting bestaat.



Oordeel van de rechtbank



5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het geval van eiser anders te oordelen. Niet is gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen verstrekken. Dat nog geen reactie is ontvangen op de rappels en nog geen presentatie bij de Algerijnse autoriteiten heeft plaatsgevonden, rechtvaardigt niet de conclusie dat geen zicht op uitzetting bestaat. De rechtbank betrekt hierbij dat een lp-aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd in beslag neemt, zeker wanneer de vreemdeling, zoals in het geval van eiser, geen documenten ter onderbouwing van zijn identiteit en nationaliteit heeft overgelegd. Dat eiser nooit in het bezit zou zijn geweest van identificerende documenten, doet hier evenmin aan af.


5.1.
Bovendien rust op eiser de rechtsplicht Nederland te verlaten. Deze plicht brengt onder meer met zich mee dat eiser actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting moet verlenen. De rechtbank constateert dat eiser deze medewerking niet verleent. Zo heeft eiser tijdens het vertrekgesprek van 8 juni 2026 aangegeven niet in gesprek te willen met de Algerijnse ambassade. Hiermee bevestigt eiser dat hij bewust niet meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit, omdat hij niet wil terugkeren naar Algerije.



5.2.

De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure op 23 april 2026, op 4 juni 2026 en op 26 juni 2026 schriftelijk rappels zijn verzonden ten aanzien van de ingediende lp-aanvraag. Ook zijn op
7 mei 2026 en 8 juni 2026 vertrekgesprekken met eiser gevoerd. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.




5.3.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen aanleiding voor het oordeel dat de voortduring van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op 13 juli 2026 op enig moment onrechtmatig was. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiser nog geen zes maanden in bewaring zit.




Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van
E.S. Tiggelaar, griffier.



De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:





Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Vreemdelingenwet 2000.


NL26.21255, ECLI:NL:RBDHA:2026:10225.


Laissez-passer.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:NL:RVS:2024:1892 en ECLI:NL:RVS:2024:2842.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:85) en van 2 augustus 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:2210).


Zie ook het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647).


Zie ook het arrest Aroja van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 maart 2026 (ECLI:EU:C:2026:148).