Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:85
2022-01-13
Bestuursrecht
202107180/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 19 oktober 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld. Bij uitspraak van 9 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (223)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:26434 Rechtbank Den Haag 11-09-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24226 Rechtbank Den Haag 26-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:19429 Rechtbank Den Haag 14-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9255 Rechtbank Den Haag 16-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:318 Rechtbank Den Haag 09-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:456 Rechtbank Den Haag 05-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22864 Rechtbank Den Haag 03-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20472 Rechtbank Den Haag 04-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20271 Rechtbank Den Haag 31-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19952 Rechtbank Den Haag 30-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18760 Rechtbank Den Haag 11-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16774 Rechtbank Den Haag 10-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16408 Rechtbank Den Haag 04-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16494 Rechtbank Den Haag 04-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16491 Rechtbank Den Haag 04-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16419 Rechtbank Den Haag 04-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:16411 Rechtbank Den Haag 04-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11465 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11468 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11466 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11469 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11467 Rechtbank Den Haag 27-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9755 Rechtbank Den Haag 03-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9698 Rechtbank Den Haag 02-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9699 Rechtbank Den Haag 02-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9167 Rechtbank Den Haag 23-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:8009 Rechtbank Den Haag 02-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6993 Rechtbank Den Haag 25-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6991 Rechtbank Den Haag 25-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6749 Rechtbank Den Haag 18-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4878 Rechtbank Den Haag 25-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4876 Rechtbank Den Haag 25-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4869 Rechtbank Den Haag 25-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:3416 Rechtbank Den Haag 06-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1111 Rechtbank Den Haag 30-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1106 Rechtbank Den Haag 30-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:1115 Rechtbank Den Haag 30-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:764 Rechtbank Den Haag 23-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:477 Rechtbank Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:479 Rechtbank Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:478 Rechtbank Den Haag 16-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:410 Rechtbank Den Haag 14-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:20809 Rechtbank Den Haag 11-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19364 Rechtbank Den Haag 22-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:18691 Rechtbank Den Haag 13-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17843 Rechtbank Den Haag 31-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17844 Rechtbank Den Haag 31-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17368 Rechtbank Den Haag 24-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16870 Rechtbank Den Haag 17-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16877 Rechtbank Den Haag 17-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16873 Rechtbank Den Haag 17-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16513 Rechtbank Den Haag 10-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15879 Rechtbank Den Haag 03-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15440 Rechtbank Den Haag 26-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15305 Rechtbank Den Haag 26-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:15317 Rechtbank Den Haag 20-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14865 Rechtbank Den Haag 19-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14880 Rechtbank Den Haag 19-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14475 Rechtbank Den Haag 11-09-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14013 Rechtbank Den Haag 03-09-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (2.886 tekens)
202107180/1/V3.
Datum uitspraak: 13 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 november 2021 in zaak nr. NL21.16748 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 9 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Spijkstra, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling betoogt in zijn enige grief dat zicht op overdracht onder de Dublinverordening ontbreekt, omdat hij weigert de voor overdracht noodzakelijke coronatest te ondergaan. De vreemdeling stelt daarbij dat het vereisen van een PCR-test in strijd is met zijn recht op lichamelijke integriteit. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op dat recht, dat beschermd wordt door artikel 8 van het EVRM, is echter geen sprake. Daarbij is vooral van belang dat de staatssecretaris de vreemdeling niet dwingt om een coronatest te ondergaan en een PCR-test voorafgaand aan een overdracht noodzakelijk is voor een goede bestrijding van de pandemie. Door de coronatest te weigeren voldoet de vreemdeling evenwel niet aan de op hem rustende plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn overdracht. Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de weigering voor risico van de vreemdeling komt.
1.1. De enkele weigering van een coronatest brengt bovendien nog niet met zich dat inbewaringstelling niet zou mogen plaatsvinden. Daarmee is namelijk niet ook gegeven dat overdracht niet binnen de in artikel 28, derde lid van de Dublinverordening genoemde termijn zal kunnen plaatsvinden. Deze termijn was niet verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak deed. Daarom deed zich in dit geval niet de situatie voor dat zicht op overdracht binnen de in aanmerking te nemen termijn ontbrak.
De grief faalt.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2022
18-962
Datum uitspraak: 13 januari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 9 november 2021 in zaak nr. NL21.16748 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 19 oktober 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 9 november 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. W. Spijkstra, advocaat te Leeuwarden, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling betoogt in zijn enige grief dat zicht op overdracht onder de Dublinverordening ontbreekt, omdat hij weigert de voor overdracht noodzakelijke coronatest te ondergaan. De vreemdeling stelt daarbij dat het vereisen van een PCR-test in strijd is met zijn recht op lichamelijke integriteit. Van een ongerechtvaardigde inbreuk op dat recht, dat beschermd wordt door artikel 8 van het EVRM, is echter geen sprake. Daarbij is vooral van belang dat de staatssecretaris de vreemdeling niet dwingt om een coronatest te ondergaan en een PCR-test voorafgaand aan een overdracht noodzakelijk is voor een goede bestrijding van de pandemie. Door de coronatest te weigeren voldoet de vreemdeling evenwel niet aan de op hem rustende plicht om actief en volledig mee te werken aan zijn overdracht. Daarom heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de weigering voor risico van de vreemdeling komt.
1.1. De enkele weigering van een coronatest brengt bovendien nog niet met zich dat inbewaringstelling niet zou mogen plaatsvinden. Daarmee is namelijk niet ook gegeven dat overdracht niet binnen de in artikel 28, derde lid van de Dublinverordening genoemde termijn zal kunnen plaatsvinden. Deze termijn was niet verstreken op het moment dat de rechtbank uitspraak deed. Daarom deed zich in dit geval niet de situatie voor dat zicht op overdracht binnen de in aanmerking te nemen termijn ontbrak.
De grief faalt.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. A. Kuijer en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.H.L. Dallinga, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Dallinga
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 13 januari 2022
18-962