Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:15904

2026-06-12 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.30133
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-06-12
Publicatiedatum
2026-06-12
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.30133
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring; artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b Vw; ongegrond.

Citeert (3)

Geciteerd door (1)

Volledige tekst

Volledige tekst (6.775 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: NL26.30133


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M.M. van Daalhuizen),



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. G.T. Cambier)




Procesverloop


Bij besluit van 21 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.



Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.



Eiser heeft zich desgevraagd akkoord verklaard met schriftelijke afdoening van het beroep.
Op 3 juni 2026 heeft hij de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hier op 4 juni 2026 op gereageerd. Op 8 juni 2026 heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.





Overwegingen

1. Eiser stelt de Marokkaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedag] 1989.



Grondslagwijziging



2. Eiser stelt dat de voorgaande maatregel d.d. 9 april 2026 niet tijdig is omgezet. Op 18 mei 2026 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Pas op 21 mei 2026 heeft verweerder de grondslag van de maatregel gewijzigd en de onderhavige maatregel aan eiser opgelegd. Dit is niet binnen de vereiste 48 uur.

3. In dit beroep wordt alleen de rechtmatigheid beoordeeld van de maatregel die op 21 mei 2026 aan eiser is opgelegd. Dat de eerder op 9 april 2026 opgelegde maatregel van bewaring volgens eiser niet tijdig is opgeheven en omgezet staat in deze procedure niet ter beoordeling.



Maatregel van bewaring



4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser alsmede dat de bewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van een aanvraag voor een verblijfsvergunning, wegens risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4f. arbeid heeft verricht in strijd met de Wet arbeid vreemdelingen.

5. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd niet heeft betwist. De zware en lichte gronden zijn feitelijk juist en voor zover nodig voldoende toegelicht in de maatregel van bewaring. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen en zijn voldoende om aan te nemen dat een risico op onttrekking bestaat.



Zicht op uitzetting



6. Eiser voert aan dat geen zicht bestaat op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn. In het algemeen is sprake van zicht op uitzetting naar Marokko. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dat voor hem niet zo is. Eiser is daarin niet geslaagd. De beroepsgrond van eiser over het zicht op uitzetting slaagt daarom niet.



Lichter middel



7. Eiser voert verder aan dat verweerder kan volstaan met een lichter middel, zoals plaatsing in een asielzoekerscentrum met oplegging van een meldplicht. Eiser stelt bereid te zijn zich aan toezicht te onderwerpen en mee te werken aan terugkeer indien zijn asielaanvraag wordt afgewezen. Daarnaast voelt hij zich niet prettig in detentie. Daarom dient zijn belang bij invrijheidstelling zwaarder te wegen dan het belang van verweerder bij voortduring van de bewaring.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser, ondanks dat hij wist dat hij gedurende zes maanden niet in Nederland mocht verblijven, op 9 april 2026 opnieuw in Nederland is aangetroffen. Ook heeft eiser geen melding gemaakt van zijn illegale verblijf als bedoeld in artikel 4.39 van het Vb 2000. Verweerder heeft hieruit mogen afleiden dat eiser zijn illegale verblijf wilde voortzetten en zich aan het vreemdelingentoezicht zou onttrekken. Gelet hierop heeft verweerder mogen oordelen dat een lichter middel niet doeltreffend was. Eiser heeft verder geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die maken dat de bewaring onevenredig bezwarend is.



Ambtshalve toets



9. Tot slot leidt ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.



Conclusie



10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing


De rechtbank:



- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan op 12 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:






Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.







Zie de uitspraken van de Afdeling van 14 nov 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en 8 aug
2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033 en de uitspraak van de rechtbank Den Haag,
zittingsplaats Middelburg van 1 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:14557.