Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Den Haag

ECLI:NL:RBDHA:2026:24215

2026-08-26 Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht NL26.47560
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Den Haag
Uitspraakdatum
2026-08-26
Publicatiedatum
2026-08-26
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
NL26.47560
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Bewaring o.g.v. artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw – vervolgberoep – voortvarend handelen – zicht op uitzetting – ambtshalve toets – beroep ongegrond.

Citeert (4)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.414 tekens)
RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



Zaaknummer: NL26.47560


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] eiser,

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. N. Vollebergh)



en


de minister van Asiel en Migratie, verweerder.




Procesverloop


Verweerder heeft op 21 mei 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.



De rechtbank heeft op 19 augustus 2026 een kennisgeving ontvangen over het voortduren van de maatregel. Daarmee wordt eiser geacht tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om een schadevergoeding.



Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.



De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 25 augustus 2026.





Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1989 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.

2. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 12 juni 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, 8 juni 2026, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds 8 juni 2026.

4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt ten aanzien van de uitzetting. Sinds het laatste vertrekgesprek zijn ruim twee maanden verstreken. Ook is er niet op dossierniveau gerappelleerd bij de Marokkaanse autoriteiten, terwijl algemene rappels niet tot resultaat hebben geleid. Deze beperkte inspanningen zijn onvoldoende om van voortvarend handelen te kunnen spreken. Nu eiser inmiddels ruim vier maanden in bewaring verblijft en geen concrete vooruitgang in het verwijderingsproces zichtbaar is, voert hij aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt.

5. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunten. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat zicht op uitzetting geen voorwaarde is voor bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw. Verder blijkt uit vaste jurisprudentie van de Afdeling dat de termijn van artikel 59b, tweede lid, van de Vw moet worden gezien als maximale termijn waarbinnen verweerder voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. De asielbewaring duurt maximaal zes maanden blijkens voornoemd artikel. Eiser heeft op 18 mei 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze vervolgens op 6 juni 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Op 7 juni 2026 heeft eiser tegen deze afwijzing beroep ingesteld en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend. Verweerder is in het geval dat eiser in een asielprocedure is verwikkeld niet gehouden om voortvarende handelingen te verrichten ter voorbereiding van de uitzetting. De vrijheidsontneming is niet gericht op eisers terugkeer naar zijn land van herkomst. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld aan zijn uitzetting in de te toetsen periode. De beroepsgronden slagen niet.

6. Ook overigens is er geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is.

7. Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

8. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing


De rechtbank:


- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.



Deze uitspraak is gedaan op 26 augustus 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.




De uitspraak is bekendgemaakt op:








Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.




Vreemdelingenwet 2000.


Dit volgt uit artikel 96, derde lid, van de Vw.


ECLI:NL:RBDHA:2026:15904.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 30 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2194, en 8 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1553.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 2 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1157.