Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:8142

2026-08-12 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/13/778132 / HA ZA 25-1668
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-08-12
Publicatiedatum
2026-08-13
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/13/778132 / HA ZA 25-1668
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Vorderingen van twee bestuurders van geldleners tegenover geldgevers en hun bestuurder. Deel van gevorderde verklaringen kan niet door de twee bestuurders worden ingesteld, zij zijn slechts middellijk bij de rechtsverhouding betrokken. De door de twee bestuurders getekende persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen zijn niet nietig of vernietigbaar wegens strijd met goede zeden, dwaling, misbruik van omstandigheden of bedrog. Geen bestuurdersaansprakelijkheid van bestuurder geldgevers.

Citeert (6)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (48.220 tekens)
RECHTBANK Amsterdam


Civiel recht



Zaaknummer: C/13/778132 / HA ZA 25-1668




Vonnis van 12 augustus 2026




in de zaak van





1 [eiser 1] ,

wonende te [woonplaats 1] (Zwitserland),2. [eiser 2],
wonende te [woonplaats 2] ,
eisers,
hierna te noemen: [eiser 1] en [eiser 2] (gezamenlijk: [eisers] ),
advocaat: mr. M. Straus,



tegen





1 [gedaagde 1] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,2. [gedaagde 2] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,3. [gedaagde 3],
gevestigd te [woonplaats 3] ,
gedaagden,
hierna te noemen: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] (gezamenlijk: [gedaagden] ),
advocaat: mr. W.P. Wijers.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding (vervangend processtuk) van 10 november 2025, met producties,
- de akte wijziging van eis van 19 november 2025,
- de conclusie van antwoord van 7 januari 2026, met producties,
- het tussenvonnis van 25 maart 2026, waarbij een mondelinge behandeling is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 juni 2026 en de daarin vermelde stukken.



1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten


2.1.

[eiser 1] was aandeelhouder en (samen met [naam] ) bestuurder van de Zwitserse vennootschap [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). [eiser 1] was ook bestuurder van de Zwitserse vennootschap [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ).



2.2.

[eiser 2] was bestuurder van [bedrijf 3] (hierna: [bedrijf 3] ). [bedrijf 3] hield tot 7 augustus 2023 alle aandelen in het kapitaal van [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ).



2.3.

[gedaagde 3] is bestuurder en (indirect) enig aandeelhouder van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .



2.4.

[gedaagde 2] heeft op 30 mei 2023 een lening van € 425.000,- verstrekt aan [bedrijf 3] en [bedrijf 2] (hierna: [lening 1] ), waarbij [bedrijf 3] en [bedrijf 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn. Partijen hebben een return on investment afgesproken van € 75.000,- en een contractuele rente van 8% over de hoofdsom.



2.5.

[gedaagde 1] heeft op 15 juni 2023 een lening van € 1.500.000,- verstrekt aan [bedrijf 3] en [bedrijf 1] (hierna: [lening 2] ), waarbij [bedrijf 3] en [bedrijf 1] hoofdelijk aansprakelijk zijn. Partijen hebben een return on investment afgesproken van € 150.000,-.



2.6.
Beide leningen waren bedoeld om [bedrijf 3] en [bedrijf 1] in staat te stellen een investering te doen in Neuroplast Beheer B.V. (hierna: Neuroplast). In [lening 2] zijn partijen specifieke betaaldata overeengekomen waarop bepaalde (door)betalingen moesten worden gedaan ten einde te verzekeren dat de investering in Neuroplast uiterlijk 30 juni 2023 zou zijn gerealiseerd. Voor elke specifieke betaling moest een betaalbewijs aan [gedaagde 1] worden verstrekt en voor elke specifieke betaaldatum die niet gehaald werd, was een boete van € 100.000,- overeengekomen.



2.7.
De leningen zijn niet tijdig terugbetaald. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben [bedrijf 3] bij brief van 4 augustus 2023 gesommeerd alle bedragen uit beide leningen, inclusief return on investment en boetes terug te betalen.



2.8.
Omdat [bedrijf 3] haar verplichtingen jegens [gedaagde 1] uit hoofde van [lening 2] niet (tijdig) nakwam, was zij gehouden haar aandelen in [bedrijf 4] over te dragen aan [gedaagde 1] . In de notariële akte van levering van de aandelen van 7 augustus 2023 is vermeld dat de door [gedaagde 1] verschuldigde koopprijs voor de aandelen van € 1.513.791,47 wordt verrekend met de vordering van [gedaagde 1] op [bedrijf 3] uit hoofde van [lening 2] :


“De koopprijs van de Aandelen wordt door koper aan verkoper voldaan als volgt. Koper heeft een vordering op verkoper van twee miljoen tweehonderdvijftigduizend euro (€ 2.250.000,-), exclusief verschuldigde rente, uit hoofde van een geldleningsovereenkomst van vijftien juni tweeduizend drieëntwintig, waarvan een kopie aan deze akte wordt gehecht.
De opbouw van deze vordering is als volgt:



de hoofdsom van de geldlening ad een miljoen vijfhonderdduizend euro (€ 1.500.000,-)


de zogenaamde return on investment, als ROI gedefinieerd in gemelde geldleningsovereenkomst ad eenhonderdvijftigduizend (€ 150.000,-)


zes (6) verschuldigd geworden boetes, op grond van gemelde geldleningsovereenkomst elke groot eenhonderdduizend euro (€ 100.000,-) wegens het niet tijdig nakomen van verplichtingen, een en ander zoals nader gespecificeerd in een stuk dat aan deze akte wordt gehecht.


Koper verrekent hierbij als bedoeld in artikel 6:127 van het Burgerlijk Wetboek haar gemelde schuld aan verkoper uit hoofde van de koopprijs van de Aandelen met haar gemelde vordering op verkoper tot een beloop van een miljoen vijfhonderddertienduizend zevenhonderd eenennegentig euro en zevenenveertig eurocent (€ 1.513.791,47), waarbij de verrekening eerst plaatsvindt met de vorderingen uit hoofde van gemelde boetes, daarna met de vordering uit hoofde van gemelde zogenaamde return on investment en ten slotte met gemelde hoofdsom van de geldlening. Koper verleent hierbij kwijting aan verkoper voor de betaling van gemelde boetes, gemelde zogenaamde return on investment en de terugbetaling op gemelde hoofdsom van de geldlening (…), zodat een hoofdsom uit hoofde van geldlening van zevenhonderddrieënzestigduizend zevenhonderd eenennegentig euro en zevenenveertig eurocent (€ 763.791,47) resteert.”



2.9.
In de periode van 15 augustus 2023 tot oktober 2023 heeft [eiser 2] namens [bedrijf 3] meerdere keren toegezegd betalingen te doen. Op 27 oktober 2023 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verlof gevraagd en gekregen om ten laste van [bedrijf 3] conservatoir derdenbeslag te leggen. Op 29 oktober 2023 heeft een bespreking tussen partijen plaatsgevonden, waarna [eiser 2] (namens [bedrijf 3] ) bij e-mail van 30 oktober 2023, met [eiser 1] (namens [bedrijf 1] ) in de cc, wederom toezegt dat betalingen zullen worden gedaan. Ook wordt een ‘account statement’ van Zürcher Kantonalbank toegezonden waaruit een betaling van € 250.000,- aan Neuroplast zou blijken.



2.10.
Op 10 november 2023 hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] conservatoir beslag gelegd ten laste van [bedrijf 3] . Bij brief van 24 november 2023 heeft mr. Wijers namens [gedaagde 1] [bedrijf 1] gesommeerd tot terugbetaling (uiterlijk 8 december 2023) van de resterende hoofdsom van [lening 2] van € 736.208,53, exclusief rente. Bij dezelfde brief heeft mr. Wijers namens [gedaagde 2] [bedrijf 2] gesommeerd tot terugbetaling van [lening 1] van € 500.000,- exclusief rente, eveneens voor 8 december 2023.



2.11.
Bij verstekvonnis van 13 maart 2024 (hierna: het verstekvonnis) heeft de rechtbank Amsterdam, uitvoerbaar bij voorraad:
- [bedrijf 3] en [bedrijf 2] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan eiseressen ( [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) van € 500.000,- vermeerderd met de contractuele rente van 8% per jaar met ingang van 1 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
- [bedrijf 3] en [bedrijf 1] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan eiseressen ( [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ) van € 736.208,53, vermeerderd met de wettelijke handelsrente (art. 6:119a BW) met ingang van 1 augustus 2023 tot de dag van volledige betaling,
- [bedrijf 3] veroordeeld in de beslagkosten van € 4.689,-
- [bedrijf 3] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 14.057,51, vermeerderd met wettelijke rente als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan.



2.12.
Het verstekvonnis is vervolgens betekend aan [bedrijf 3] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . [gedaagden] hebben executoriaal beslag gelegd ten laste [bedrijf 1] en [bedrijf 2] . [bedrijf 3] , [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn niet (tijdig) in verzet gekomen tegen het verstekvonnis.



2.13.
Bij e-mail van 12 juni 2024 heeft [eiser 2] aan [gedaagde 3] bericht:


“Zoals wij gister bespraken zijn de betalingen vanuit de VS deze week te verwachten, waarmee wij direct [gedaagde 1] betalen.
(…)
Bij geen betaling deze week, zal ik [eiser 2] , een persoonlijke aansprakelijkheid aangaan voor uitstaande bedrag, rechterlijke uitspraak tegen [bedrijf 3] BV zal als referentie genomen worden. (…)”




2.14.
Bij e-mail van 7 juli 2024 heeft [eiser 2] aan [gedaagde 3] bericht:


“We hadden nog wat discussies over de persoonlijke aansprakelijkheid, intern – wat zich met name uit op de verschillen tussen [eiser 1] [ [eiser 1] , rechtbank] en ik hebben ontvangen en de hoogte van de aansprakelijkheid van hetgeen we donderdag bespraken en wat we herleiden uit het vonnis.
Echter gezien ook naar jou toe te onderstrepen dat deze situatie een opeenstapeling is geweest van ongelukkige samenkomsten, hebben we unaniem besloten dat het gehele bedrag ook als persoonlijke aansprakelijkheid zal gelden.”




2.15.
Bij e-mail van 8 juli 2024 heeft [eiser 1] aan [gedaagde 3] bericht:


“I can confirm my full commitment and support to what [eiser 2] [ [eiser 2] , rechtbank] writes here. Although liabilities are covered of course offering the [bedrijf 1] shares additionally I will commit myself to! Repayment will happen this time and Neuroplast investment is secured.”




2.16.
Op 8 juli 2024 heeft [eiser 2] de volgende passage uit een brief van mr. Wijers van 27 juni 2024 ondertekend:


“Wij begrijpen dat u, de heer [eiser 2] , middels ondertekening van deze brief uw persoonlijke aansprakelijkheid erkent voor de schade die [gedaagde 2] en [gedaagde 1] hebben geleden en nog zullen lijden als gevolg van (i) het niet terugbetalen van de leningen en (ii) het niet voldoen waartoe [bedrijf 3] is veroordeeld van de rechtbank Amsterdam bij vonnis van 13 maart 2024. Dat betekent dat [gedaagde 2] en [gedaagde 1] alle schade die zij hebben geleden en nog zullen lijden op u persoonlijk en uw persoonlijke goederen kunnen verhalen. Deze schade bedraagt tot op heden minimaal EUR 1.374.983,02. [gedaagde 2] en [gedaagde 1] behouden zich uitdrukkelijk het recht voor aanvullende schadevergoeding te vorderen in een later stadium. Door ondertekening van deze aansprakelijkstelling doet u afstand van het recht om in of buiten rechte tegen die aansprakelijkheidstelling verweer te voeren. U berust in die aansprakelijkheid.”




2.17.
Bij e-mail van 9 juli 2024 heeft [eiser 1] aan [gedaagde 3] , met [eiser 2] in cc, bericht:


“Therefore as we confirmed already yesterday, we have take the full outstanding on [gedaagde 2] / [gedaagde 1] as private liability and of course we are committed to bring ourselves to the debit side of the line, to offer additionally my [bedrijf 1] shares for now.”




2.18.
Bij brief van 10 juli 2024 heeft mr. Wijers namens [gedaagde 2] en [gedaagde 1] aan [eiser 1] (in hoedanigheid van bestuurder van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] ) onder meer het volgende bericht:


“On 13 March 2024, the Amsterdam District Court delivered a default judgment in the dispute between [gedaagde 2] and [gedaagde 1] against [bedrijf 3] , [bedrijf 2] and [bedrijf 1] (…) That judgment was served on [bedrijf 2] and [bedrijf 1] on 25 March 2024. (…) To date, the judgment has not been complied with. (…) Therefore, the total amount payable by [bedrijf 3] , [bedrijf 2] and [bedrijf 1] to [gedaagde 2] and [gedaagde 1] as at 25 June 2024 is EUR 1,374,983,02.



We understand that by signing this letter, you, Mr [eiser 1] , acknowledge and accept – both under Dutch law and under Swiss law, and any other law as applicable – your personal liability for the damages suffered and to be suffered by [gedaagde 2] and [gedaagde 1] as a result of (i) the non-repayment of the loans and (ii) the non-fulfillment of which [bedrijf 2] and [bedrijf 1] were ordered by the District Court of Amsterdam by judgment dated 13 March 2024, including interest. This means that [gedaagde 2] and [gedaagde 1] may recover from you personally and your personal property all damages they have suffered and will suffer. These damages, to date, amount to a minimum of EUR 1,374,983,02. [gedaagde 2] and [gedaagde 1] expressly reserve the right to claim additional damages at a later stage.



By signing this liability notice, you waive any and all right to defend yourself in or out of court against that acknowledgement and acceptance of liability.”




[eiser 1] heeft deze verklaring op 10 juli 2024 getekend.




2.19.

[bedrijf 3] is op verzoek van [gedaagde 2] bij vonnis van de rechtbank Gelderland van 18 februari 2025 in staat van faillissement verklaard.



2.20.
Op 19 maart 2025 hebben [gedaagde 2] en [bedrijf 2] een schikking getroffen, uit hoofde waarvan [bedrijf 2] een bedrag van CHF 529.991,05 aan [gedaagde 2] heeft betaald.



2.21.

[bedrijf 1] is op 15 april 2025 ontbonden en in staat van faillissement verklaard door Kantonsgericht Kanton Zug (Zwitserland).



2.22.
Op 9 mei 2025 heeft mr. Straus namens [bedrijf 1] een dagvaarding uitgebracht strekkende tot herroeping van het verstekvonnis wegens bedrog (artikel 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). [eiser 1] en [naam] waren op dat moment niet meer bevoegd (de failliete vennootschap) [bedrijf 1] te vertegenwoordigen. Deze dagvaarding is niet aangebracht.





3Het geschil


3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] vorderen, na wijziging van eis - samengevat - bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:


een verklaring voor recht dat [eiser 1] en [eiser 2] niet persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,


vernietiging dan wel nietigverklaring op grond van dwaling/bedrog/misbruik van omstandigheden/misbruik van recht van de verklaring van [eiser 2] waarin hij enige schuld jegens [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] zou erkennen,


vernietiging dan wel nietigverklaring op grond van dwaling/bedrog/misbruik van omstandigheden/misbruik van recht van de verklaring van [eiser 1] waarin hij enige schuld jegens [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] zou erkennen,


een verklaring voor recht dat [gedaagde 1] jegens de geldnemers, waaronder [bedrijf 1] , toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van [lening 2] ,


en verklaring voor recht dat [lening 2] , vermeerderd met rente en return on investment, geheel is verrekend met de koopprijs van de aandelen in [bedrijf 4] ,


vernietiging dan wel nietigverklaring van het verbintenisrechtelijke deel van de akte van levering van 7 aug 2023 betreffende [lening 2] ,


een verklaring voor recht dat geen boetes uit hoofde van [lening 2] jegens geldnemers toegekend kunnen worden en deze niet verschuldigd zijn door geldnemers en evenmin door [eiser 1] en [eiser 2] . Voor zover geldnemers een boete verschuldigd mochten zijn, deze te matigen tot nihil,


een verklaring voor recht dat [gedaagde 3] in zijn hoedanigheid als bestuurder van [gedaagde 1] een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven en onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] respectievelijk [eiser 2] ,


veroordeling van [gedaagde 1] , en indien de vordering onder h) wordt toegewezen, tevens [gedaagde 3] , tot vergoeding van de schade van [eiser 1] respectievelijk [eiser 2] , nader op te maken bij staat,


hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en/of [gedaagde 3] in de proceskosten, vermeerderd met de nakosten en de wettelijke rente vanaf veertien dagen na vonnisdatum.





3.2.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun vorderingen samengevat het volgende ten grondslag. [gedaagde 1] heeft in de akte van levering van aandelen (zie 2.8) [lening 2] zonder instemming van [bedrijf 1] gewijzigd. Hoewel geen boetes verschuldigd waren, en deze niet door [bedrijf 3] zijn aanvaard, zijn in strijd met de wettelijke volgorde van verrekening eerst de boetes verrekend met de lening. [eiser 2] heeft als bestuurder van [bedrijf 3] terzake gedwaald, omdat [gedaagde 3] en de notaris hem ten onrechte niet hebben geïnformeerd. Op basis van een onjuiste voorstelling van zaken (dan wel bedrog) hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] het verstekvonnis van 13 maart 2024 verkregen. Zij hebben dit verstekvonnis, dat niet voor tenuitvoerlegging in Zwitserland vatbaar is, gebruikt om [bedrijf 1] en [bedrijf 3] failliet te laten verklaren. [gedaagde 3] is bovendien persoonlijk aansprakelijk voor de schade van [eiser 1] en [eiser 2] , omdat hij als bestuurder van [gedaagde 1] bewust heeft meegewerkt aan hiervoor beschreven onrechtmatige handelswijze. Tot slot zijn de persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen die [eiser 1] en [eiser 2] hebben getekend nietig vanwege strijd met de goede zeden, dan wel vernietigbaar vanwege dwaling, bedrog of misbruik van omstandigheden. [eiser 1] en [eiser 2] zijn daarom niet persoonlijk aansprakelijk jegens [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] , aldus steeds [eisers]



3.3.

[gedaagden] voert verweer. [gedaagden] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser 1] en [eiser 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren hoofdelijke veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de (daadwerkelijke) proceskosten, vermeerderd met nakosten en wettelijke rente.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling



Rechtsmacht in de zaak tussen [eiser 1] en gedaagden




4.1.
Dit is een internationale zaak, nu [eiser 1] in Zwitserland woont en de gedaagden in Nederland woonachtig/gevestigd zijn. De rechtbank zal dus eerst beoordelen of de Nederlandse rechter internationaal bevoegd is om van de vorderingen van [eiser 1] kennis te nemen. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van het Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Lugano, 30 oktober 2007, PbEU 2007, L 339/3, Trb. 2009, 223, hierna: EVEX II), omdat Nederland en Zwitserland aan dat Verdrag gebonden zijn en het Verdrag van toepassing is op burgerlijke en handelszaken (artikel 1 lid 1 EVEX II). Bij de toepassing en uitleg van het EVEX II moet worden gelet op de uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie over de relevante (grotendeels gelijkluidende) bepalingen van de Brussel I-bis Verordening.



4.2.
Op grond van de hoofdregel van artikel 2 lid 1 EVEX II is de rechter van de woonplaats van de gedaagde(n) bevoegd. Deze rechtbank heeft dus rechtsmacht.



Litispendentie in de zaak tussen [eiser 1] en gedaagden





4.3.
Als twee gerechtelijke procedures tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp en met dezelfde oorzaak in verschillende landen aanhangig zijn, moet het gerecht waar de zaak het laatst is aangebracht zijn uitspraak ambtshalve aanhouden totdat de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat (artikel 27 lid 1 EVEX II). Wanneer de bevoegdheid van het gerecht waarbij de zaak het eerst is aangebracht, vaststaat, verklaart het gerecht waarbij de zaak het laatst is aangebracht, zich onbevoegd (artikel 27 lid 2 EVEX II). Deze litispendentieregeling strekt ertoe, in het belang van een goede rechtsbedeling, parallelle procedures voor gerechten van verschillende lidstaten en tegenstrijdige beslissingen die daarvan het gevolg kunnen zijn te voorkomen. De regeling is gebaseerd op de chronologische volgorde waarin de betrokken gerechten zijn aangezocht.



4.4.
In deze Nederlandse procedure wordt een verklaring voor recht gevorderd dat [eiser 1] niet (op grond van de persoonlijke aansprakelijkheidsverklaring, zie 2.18) aansprakelijk is jegens (onder meer) [gedaagde 1] . In de Zwitserse procedure is het spiegelbeeld aan de orde: [gedaagde 1] vordert in die procedure veroordeling van [eiser 1] op grond van dezelfde persoonlijke aansprakelijkheidsverklaring. In zoverre gaan beide procedures over hetzelfde onderwerp en berusten op dezelfde oorzaak. Partijen zijn het erover eens dat de procedure bij deze rechtbank aanhangig is sinds de dagvaarding van 10 november 2025 en dat de thans lopende Zwitserse procedure later aanhangig is gemaakt. Er is dan ook geen reden voor deze rechtbank om de zaak aan te houden dan wel zich onbevoegd te verklaren.



Afwijzing vorderingen onder d), e) en g)





4.5.
Deze vorderingen strekken ertoe een verklaring voor recht te krijgen over de rechtstoestand die geldt tussen [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] als geldleners en [bedrijf 1] en [bedrijf 3] als geldnemers anderzijds ( [bedrijf 3] tevens als verkoper van de aandelen in het kapitaal van [bedrijf 3] [bedrijf 4]). [bedrijf 1] en [bedrijf 3] zijn echter geen partij in dit geding. [bedrijf 3] is in staat van faillissement verklaard zodat alleen de curator dergelijke vorderingen tegen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kan instellen (artikel 25 Faillissementswet). [bedrijf 1] is ontbonden en in staat van faillissement verklaard en kan dergelijke vorderingen evenmin instellen. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat partijen het erover eens zijn dat het verstekvonnis tussen de daarbij betrokken partijen gezag van gewijsde heeft. Ook indien de vorderingen onder d), e) en g) door [bedrijf 1] en [bedrijf 3] dan wel haar curator(en) zouden zijn ingesteld, zouden deze niet toewijsbaar zijn.



4.6.

[eiser 1] en [eiser 2] voeren aan dat het verstekvonnis geen gezag van gewijsde heeft jegens hen en dat zij er, gelet op hun persoonlijke aansprakelijkheidsverklaring, belang bij hebben de onder d), e) en g) gevorderde verklaringen voor recht te vragen.



4.7.
Artikel 3:302 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat een persoon die onmiddellijk bij een rechtsverhouding is betrokken de rechter kan vragen om over die rechtsverhouding een verklaring voor recht uit te spreken. Het artikel eist dus dat de partij die een verklaring voor recht vordert rechtstreeks betrokken is bij de verhouding waar de verklaring voor recht over gaat. Dit zelfstandige vereiste geldt naast het vereiste van voldoende belang bij het instellen van de rechtsvordering (artikel 3:303 BW).



4.8.
De rechtbank is van oordeel dat [eiser 1] en [eiser 2] niet onmiddellijk betrokken zijn bij de rechtsverhouding tussen enerzijds [gedaagde 1] respectievelijk [gedaagde 2] als geldleners en anderzijds [bedrijf 1] en [bedrijf 3] als geldnemers. [eiser 1] en [eiser 2] zijn geen partij bij [lening 2] en [lening 1] en daaruit vloei(d)en voor hen niet rechtstreeks rechten of verplichtingen voort. [eiser 1] en [eiser 2] zijn als bestuurders van [bedrijf 1] en [bedrijf 3] slechts middellijk betrokken. De vorderingen onder d), e) en g) zullen daarom worden afgewezen.



4.9.
Dat zij, in verband met een persoonlijke aansprakelijkstelling (op grond van de hiervoor in 2.16 en 2.18 vermelde verklaringen c.q. op grond van bestuurdersaansprakelijkheid) mogelijk een indirect belang hebben bij een inhoudelijke beoordeling door de rechtbank van de (hoogte van de) vorderingen op [bedrijf 3] en [bedrijf 1] , staat hier los van. [eiser 1] en [eiser 2] kunnen uiteraard wel een verklaring voor recht vragen dat zij niet persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [gedaagden] , hetgeen zij ook hebben gedaan (zie de vordering onder a): bij die rechtsverhouding zijn zij immers wel onmiddellijk betrokken. Bij de beoordeling van die rechtsverhouding kan de rechtbank acht slaan op verweren die betrekking hebben op (de hoogte van) de vorderingen van [gedaagden] op [bedrijf 1] en [bedrijf 3] . Het verstekvonnis heeft immers geen gezag van gewijsde jegens [eiser 1] en [eiser 2] , zoals zij terecht aanvoeren.



Afwijzing vordering onder f)





4.10.
Ook bij de verkoop en levering van aandelen door [bedrijf 3] aan [gedaagde 1] (zie 2.8) en de verrekening van de koopprijs met de vordering van [gedaagde 1] op [bedrijf 3] zijn [eiser 1] en [eiser 2] geen partij. Zij kunnen derhalve ook geen (gedeeltelijke) vernietiging van die rechtshandeling(en) vorderen. Van nietigheid van deze rechtshandelingen is geen sprake nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:40 BW. Deze rechtshandelingen zijn immers niet naar hun inhoud of strekking in strijd met de goede zeden. Evenmin is sprake van strijd met fundamentele beginselen van de rechtsorde of met algemene belangen van fundamentele aard. Ook van strijd met een dwingende wetsbepaling, die de strekking heeft de geldigheid van een daarmee strijdige rechtshandeling aan te tasten (artikel 3:40 lid 3 BW) is geen sprake. Artikel 6:137 BW is van regelend recht en geldt slechts indien partijen geen andere volgorde van toerekening hebben bepaald. De vordering onder f) zal dan ook worden afgewezen.



Vordering onder a) deels toewijsbaar





4.11.
Tussen partijen is niet in geschil dat de vordering van [gedaagde 2] op [bedrijf 3] en [bedrijf 2] (uit hoofde van [lening 1] ) inmiddels volledig is voldaan (zie 2.20), zodat [gedaagde 2] geen schade (meer) lijdt waarvoor [eiser 2] of [eiser 1] persoonlijk aansprakelijk zouden kunnen zijn. Ook is niet in geschil dat [eiser 2] en [eiser 1] op grond van de persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen niet persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [gedaagde 3] . In zoverre is de gevorderde verklaring voor recht onder a) toewijsbaar. [gedaagden] heeft aangevoerd dat [eiser 1] en [eiser 2] geen belang hebben bij deze verklaring voor recht omdat [gedaagde 2] (na de betaling door [bedrijf 2] ) en [gedaagde 3] hen ook nimmer persoonlijk aansprakelijk hebben gesteld. Daartegenover heeft [eiser 1] aangevoerd dat [gedaagde 2] in een eerdere Zwitserse procedure weldegelijk aanspraken jegens hem persoonlijk heeft getracht geldend te maken. Ter voorkoming van geschil in de toekomst zal de rechtbank deze verklaring voor recht wel geven.



Afwijzing vorderingen onder b) en c)





4.12.
De rechtbank stelt voorop dat [eiser 1] en [eiser 2] beiden in de door hen ondertekende persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen afstand hebben gedaan van het recht om in en buiten rechte verweer te voeren tegen hun persoonlijke aansprakelijkheid (voor de schade van [gedaagden] ten gevolge van het, door [bedrijf 3] en [bedrijf 1] , niet terugbetalen van de leningen en het niet voldoen aan het verstekvonnis). De rechtbank is van oordeel dat het voeren van verweer zoals hiervoor bedoeld in beginsel ook omvat het instellen van een vordering teneinde in rechte te doen vaststellen dat geen sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid (de gevorderde negatieve verklaring voor recht).



4.13.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen echter dat de gehele persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen (zoals geciteerd in 2.16 en 2.18) nietig dan wel vernietigbaar zijn (inclusief de daarin opgenomen afstand van het recht om verweer te voeren). Gelet op de nauwe samenhang tussen enerzijds de persoonlijke aansprakelijkheid en anderzijds de afstand van het recht om daartegen verweer te voeren, zal de rechtbank hieronder de gestelde (ver)nietig(baar)heid beoordelen. In het midden kan blijven of deze persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen kunnen worden gekwalificeerd als vaststellingsovereenkomsten (artikel 7:900 BW) zoals [gedaagden] stelt of eenzijdige rechtshandelingen zoals [eiser 1] en [eiser 2] stellen. Hoe dan ook is vernietiging wegens de wilsgebreken uit artikel 3:44 BW (daarin) immers niet uitgesloten.



Geen nietigheid




4.14.
Van nietigheid van de persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen is geen sprake nu niet is voldaan aan de vereisten van artikel 3:40 BW. Deze rechtshandelingen zijn niet naar hun inhoud of strekking in strijd met de goede zeden. Evenmin is sprake van strijd met fundamentele beginselen van de rechtsorde of met algemene belangen van fundamentele aard. Ook van strijd met een dwingende wetsbepaling (die de strekking heeft de geldigheid van een daarmee strijdige rechtshandeling aan te tasten, artikel 3:40 lid 3 BW) is geen sprake.



Geen vernietiging op grond van dwaling




4.15.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat zij hebben ‘gedwaald’ omtrent de aard van de schuld waarvoor zij zich persoonlijk aansprakelijk hebben verklaard. Dat verweer komt neer op een beroep op oneigenlijke dwaling (artikelen 3:33-35 BW). [eiser 1] en [eiser 2] stellen immers dat zij zich niet persoonlijk aansprakelijk hebben willen verklaren voor de door [gedaagde 1] geleden schade van (ten tijde van de verklaring) ruim € 1,3 miljoen maar alleen voor de terugbetaling van de leningen (met rente en kosten). Zij kunnen zich echter tegenover [gedaagde 1] niet beroepen op het ontbreken van de wil om persoonlijke aansprakelijkheid te aanvaarden voor deze schade. Zij hebben in de voorafgaande correspondentie zelf aangegeven zich persoonlijk aansprakelijk te willen stellen. Zij hebben de verklaringen zonder voorbehoud ondertekend, daarin is vermeld dat het gaat om een persoonlijke aansprakelijkheid voor schade. Die schade is, inclusief berekening van de hoogte daarvan, vermeld in de verklaringen en berekend aan de hand van de veroordelingen in het als bijlage aan die verklaringen toegevoegde verstekvonnis. Ter zitting heeft [gedaagden] bovendien onbetwist gesteld dat [eiser 1] de persoonlijke aansprakelijkheidsverklaring inclusief bijlage op alle pagina’s heeft geparafeerd. De aard van de schuld is dus letterlijk weergegeven in de verklaringen en het schadebedrag is gebaseerd op het verstekvonnis waarmee [eiser 1] en [eiser 2] bekend waren. [gedaagde 1] hoefde er dan ook, bij gebreke van overige feiten en omstandigheden, geen rekening mee te houden dat [eiser 1] en [eiser 2] niet de bedoeling hadden zich persoonlijk aansprakelijk te stellen. In de omstandigheden van dit geval, en met name gelet op de aan de ondertekening van de aansprakelijkheidsverklaringen voorafgaande correspondentie (zie 2.13 t/m 2.15 en 2.17) mocht [gedaagde 1] er gerechtvaardigd op vertrouwen dat de door [eiser 1] en [eiser 2] geuite verklaring overeenstemde met hun wil (artikel 3:35 BW).



Geen misbruik van omstandigheden




4.16.
In artikel 3:44 lid 1 BW is bepaald dat een rechtshandeling vernietigbaar is wanneer zij door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen. Misbruik van omstandigheden is aanwezig, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, terwijl hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden (artikel 3:44 lid 4 BW). Bij de beoordeling of dat zich voordoet, komt het aan op alle omstandigheden die een rol hebben gespeeld bij de totstandkoming van die rechtshandeling, in onderling verband en samenhang bezien. Voor een geslaagd beroep op misbruik van omstandigheden is dus in ieder geval vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden. Het gaat dan om omstandigheden die maken dat degene die daarin verkeert, als gevolg daarvan onvrij is en daardoor in een zwakke positie verkeert waarvan misbruik wordt gemaakt.



4.17.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat van dergelijke omstandigheden sprake is. De verklaring werd hen aangeboden toen er geen rechtsmiddelen meer openstonden tegen het verstekvonnis. Ook werd gedreigd met executie van het verstekvonnis, waardoor zij afhankelijk waren van de voorwaarden die [gedaagden] stelde voor uitstel daarvan. Verder waren [eiser 1] en [eiser 2] onervaren op juridisch gebied en was er geen gelegenheid voor juridisch advies.



4.18.
Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van bijzondere omstandigheden waarvan misbruik is gemaakt. Voor zover [eiser 1] en [eiser 2] zich beroepen op penibele financiële omstandigheden geldt dat volgens vaste jurisprudentie het enkele feit dat een partij zich in geldnood bevindt waarvan de wederpartij op de hoogte is, niet zonder meer de conclusie wettigt dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Voorts volgt uit de hiervoor in 2.13 t/m 2.15 en 2.17 weergeven correspondentie en hetgeen zij ter zitting zelf hebben verklaard dat [eiser 1] en [eiser 2] om hen moverende redenen het initiatief hebben genomen om zich persoonlijk aansprakelijk te stellen. Zij hebben de verklaringen ondertekend nadat zij onderling overleg hebben gevoerd (zie 2.14) en de nodige (bedenk)tijd is verstreken. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat [gedaagden] misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden waarin [eiser 1] en [eiser 2] zich bevonden (nog daargelaten dat zij zichzelf in die omstandigheden hebben gebracht). Dat er een zekere executiedreiging was ten tijde van het ondertekenen van de verklaringen, maakt dat niet anders, mede gezien de (vele) niet-nagekomen betalingsbeloftes van [eisers] Tot slot heeft [gedaagden] onbetwist aangevoerd dat zij [eiser 1] en [eiser 2] heeft geadviseerd om juridische bijstand te nemen, zodat het ontbreken hiervan niet kan worden tegengeworpen aan [gedaagden]



Geen bedrog




4.19.
Bedrog is aanwezig wanneer iemand een ander tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling beweegt door enige opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededeling, door het opzettelijk verzwijgen van enig feit dat de verzwijger verplicht was mede te delen, of een andere kunstgreep (artikel 3:44 lid 3 BW). [eiser 1] en [eiser 2] stellen dat het verzwijgen van de aard van de schuld in de aansprakelijkheidsverklaring (zie 4.15) tegenover niet-juristen bedrog oplevert. De rechtbank gaat hier niet in mee. Nog afgezien van het feit dat de aard van de schuld duidelijk uit de verklaringen blijkt - zoals hiervoor ook overwogen - is gesteld noch gebleken dat sprake is van opzettelijke onjuiste mededelingen door [gedaagden] of verzwijging van relevante feiten. [eiser 1] en [eiser 2] hebben dan ook onvoldoende gesteld voor een geslaagd beroep op bedrog.



Slotsom ten aanzien van de vorderingen onder b) en c)




4.20.
Uit het voorgaande volgt dat de persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen niet nietig zijn of vernietigbaar zijn op grond van dwaling, misbruik van omstandigheden of bedrog. Een beroep op de aansprakelijkheidsverklaringen is evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar (artikel 6:248 lid 2 BW). De inhoud en totstandkoming van de aansprakelijkheidsverklaringen leveren ook geen misbruik van recht op (artikel 3:13 BW). De vorderingen onder b) en c) worden dan ook afgewezen.



Afwijzing vordering onder a)





4.21.
Nu de persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen niet vernietigbaar of nietig zijn, staat vast dat [eiser 1] en [eiser 2] zich jegens [gedaagde 1] aansprakelijk hebben gesteld voor de schade die [gedaagde 1] lijdt doordat [lening 2] niet is terugbetaald en evenmin door [bedrijf 3] en [bedrijf 1] is voldaan aan de veroordeling in het verstekvonnis betreffende [lening 2] . De gevorderde verklaring voor recht onder a) dat [eiser 1] en [eiser 2] niet persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [gedaagde 1] zal daarom worden afgewezen.



Afwijzing vordering onder h)





4.22.

[eiser 1] en [eiser 2] stellen dat [gedaagde 3] in zijn hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens hen. Daartoe voeren zij aan dat [gedaagde 3] [lening 2] heeft gewijzigd door de verschuldigde bedragen en de volgorde van verrekening aan te passen in de notariële akte (zie 2.8), zonder [bedrijf 1] of [eiser 1] daarover te informeren. Ook heeft [gedaagde 3] in de verstekprocedure feiten achtergehouden voor de rechtbank en vervolgens het verstekvonnis geëxecuteerd en gebruikt om [bedrijf 3] en [bedrijf 1] failliet te laten gaan, aldus [eisers]



4.23.
De rechtbank stelt voorop dat [gedaagde 3] steeds alleen in hoedanigheid van bestuurder van [gedaagde 1] heeft gehandeld namens [gedaagde 1] . Indien een vennootschap (zoals [gedaagde 1] ) een onrechtmatige daad pleegt, is het uitgangspunt dat alleen de vennootschap aansprakelijk is voor daaruit voortvloeiende schade. Onder bijzondere omstandigheden is evenwel, naast aansprakelijkheid van die vennootschap, ook ruimte voor aansprakelijkheid van een bestuurder van de vennootschap. Voor het aannemen van zodanige aansprakelijkheid is vereist dat die bestuurder een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.



4.24.
De rechtbank stelt voorop dat niet is komen vast te staan dat [gedaagde 1] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eiser 1] en [eiser 2] . De boetes vloeiden rechtstreeks voort uit [lening 2] en de afspraken tussen partijen. Het stond [gedaagde 1] verder vrij om bij de aandelenoverdracht van [bedrijf 4] afspraken te maken met [bedrijf 3] over de wijze van verrekening. [eiser 1] en [eiser 2] hebben in dat licht onvoldoende onderbouwd waarom dit alles zou gelden als ‘wijziging’ van [lening 2] waarin [bedrijf 1] (of [eiser 1] ) gekend zouden moeten worden. Gezien het voorgaande staat ook niet vast dat [gedaagde 1] de rechtbank verkeerd heeft geïnformeerd in de verstekprocedure. Tot slot zijn partijen het erover eens dat het verstekvonnis een fout bevat, omdat de vorderingen van [gedaagde 1] uit hoofde van [lening 2] ook zijn toegewezen jegens [gedaagde 2] (en vice versa). Echter is gesteld noch gebleken dat [gedaagde 1] hiervan misbruik heeft gemaakt. Voor het overige had het op de weg van [bedrijf 3] en [bedrijf 1] (en hun bestuurders [eiser 2] respectievelijk [eiser 1] ) gelegen om verweer te voeren dan wel tijdig rechtsmiddelen in te stellen indien zij het niet eens waren met het verstekvonnis.



4.25.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat [eiser 1] en [eiser 2] onvoldoende hebben onderbouwd dat aan de hoge drempel voor bestuurdersaansprakelijkheid is voldaan. [gedaagde 3] heeft als bestuurder van [gedaagde 1] bepaalde (rechts)maatregelen genomen toen terugbetaling van de verstrekte lening uitbleef. Daaronder viel het verrekenen van de contractueel verbeurde boetes uit hoofde van [lening 2] en het verkrijgen van het verstekvonnis. [gedaagde 3] heeft vervolgens namens [gedaagde 1] op verschillende manieren geprobeerd het verstekvonnis te (laten) executeren. Uit niets blijkt dat [gedaagde 3] door deze handelswijze een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Dat [bedrijf 3] en [bedrijf 1] kennelijk niet meer over het uitgeleende geld beschikten en failliet zijn gegaan, maakt dat niet anders. Tegen deze achtergrond hebben [eiser 1] en [eiser 2] dan ook onvoldoende onderbouwd dat [gedaagde 3] een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt.



Afwijzing vordering onder i)





4.26.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben hun vordering onder i) ingesteld op voorwaarde dat de vordering onder h) wordt toegewezen. Aan die voorwaarde is niet voldaan zodat de rechtbank ook niet toekomt aan de beoordeling van deze vordering.



Proceskosten





4.27.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten van [gedaagden] betalen.



4.28.

[gedaagden] vordert veroordeling in de daadwerkelijke proceskosten, omdat [eiser 1] en [eiser 2] misbruik van procesrecht zouden hebben gemaakt. Zij hebben verzwegen dat zij de persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen vrijwillig zijn aangegaan en hebben meerdere keren gefalsificeerde betalingsbewijzen verstrekt. Verder hebben [eiser 1] en [eiser 2] de openstaande schulden in volle omvang erkend en procederen ze ondanks het feit dat ze afstand gedaan hebben van het recht om zich tegen aansprakelijkheid voor deze schulden te verweren.



4.29.
De rechtbank stelt voorop dat de artikelen 237-240 Rv, behoudens bijzondere omstandigheden, een limitatieve en exclusieve regeling bevatten van de kosten waarin de partij die bij vonnis in het ongelijk wordt gesteld, kan worden veroordeeld. Voor een volledige proceskostenveroordeling is alleen plaats in buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan misbruik van procesrecht en onrechtmatige daad. Daarvan is pas sprake als het instellen van de vordering, gelet op de evidente ongegrondheid ervan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij achterwege had behoren te blijven. Hiervan kan eerst sprake zijn als eiser zijn vordering baseert op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen door het aanspannen van een procedure past terughoudendheid, gelet op het recht op toegang tot de rechter dat mede gewaarborgd wordt door art. 6 EVRM.



4.30.
Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval niet aan deze strenge maatstaf voldaan. Dat [eiser 1] en [eiser 2] niet alle (in 2.13 t/m 2.15 en 2.17 vermelde) correspondentie in het geding hebben gebracht betekent nog niet dat zij hun vorderingen hebben gebaseerd op feiten of omstandigheden waarvan zij de onjuistheid kenden of behoorden te kennen. Of (vóórdat [eiser 1] en [eiser 2] zich persoonlijk aansprakelijk hebben verklaard) gebruik is gemaakt van gefalsificeerde betalingsbewijzen ligt in deze procedure niet ter beoordeling voor en kan derhalve ook geen grond vormen voor toewijzing van de volledige proceskosten. Ten aanzien van het argument dat [eiser 1] en [eiser 2] afstand hebben gedaan van het recht om verweer te voeren verwijst de rechtbank naar hetgeen zij onder 4.13 heeft overwogen. Hoewel aan [gedaagden] kan worden toegegeven dat de vorderingen niet erg kansrijk waren, kan niet worden gezegd dat [eiser 1] en [eiser 2] ten aanzien van alle vorderingen op voorhand hadden moeten begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden. Wel ziet de rechtbank aanleiding om bij de begroting van de proceskosten aan te sluiten bij het tarief dat past bij het bedrag waarvoor [eiser 1] en [eiser 2] aansprakelijk zijn jegens [gedaagde 1] , namelijk tarief VII (€ 3.723,-). Hoewel de vorderingen (negatieve verklaring voor recht, schadevergoeding nader op te maken bij staat) van onbepaalde waarde zijn, bestaan er duidelijke aanwijzingen dat de zaak onder een ander tarief valt.



4.31.
De proceskosten van [gedaagden] worden begroot op:









- griffierecht


€


714,00







- salaris advocaat


€


7.446,00


(2 punten × € 3.723,00)




- nakosten


€


189,00


(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


8.349,00











4.32.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.



4.33.
De veroordeling wordt (deels) hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.





5De beslissing


De rechtbank



5.1.
verklaart voor recht dat [eiser 1] en [eiser 2] niet (op grond van de persoonlijke aansprakelijkheidsverklaringen vermeld in 2.18 en 2.16) persoonlijk aansprakelijk zijn jegens [gedaagde 2] en [gedaagde 3] ,



5.2.
wijst de overige vorderingen van [eiser 1] en [eiser 2] af,



5.3.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 8.349,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser 1] en [eiser 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



5.4.
veroordeelt [eiser 1] en [eiser 2] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



5.5.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M. James-Pater en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.




HvJ EG 9 december 2003, C-116/02, ECLI:EU:C:2003:657 (Gasser/MISAT).


Vgl. gerechtshof Amsterdam 14 juli 2020, ECLI:NL:GHAMS:2020:2014


HR 23 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:963, r.o. 3.1.2.


HR 8 december 2006, ECLI:NL:HR:2006:AZ0758 (Ontvanger/Roelofsen) en HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2627 (RCI/Kastrop).


HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2366