Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Amsterdam

ECLI:NL:RBAMS:2026:4945

2026-01-23 Civiel recht; Personen- en familierecht 781512 en 781515
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Amsterdam
Uitspraakdatum
2026-01-23
Publicatiedatum
2026-05-21
Rechtsgebied
Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure
Eerste aanleg - enkelvoudig
Zaaknummer
781512 en 781515
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

schorsing van het ouderlijk gezag en het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing (ongeboren) baby. rechtsmacht en toepasselijk recht

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.213 tekens)
RECHTBANK AMSTERDAM


Familie- en Jeugdrecht



Zaaknummer: C/13/781512 / JE RK 26-18 (vots en uhp) en
C/13/781515 / FA RK 26-148 (gezag)



Datum uitspraak: 23 januari 2026




Beschikking over het verzoek tot schorsing van het ouderlijk gezag en het verzoek tot ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing




in de zaak van




de Raad voor de Kinderbescherming,
Regio Amsterdam,
hierna te noemen de Raad,



over




het (on)geboren kind [het (on)geboren kind],
hierna te noemen het (on)geboren kind.



De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:


1. [de moeder],
hierna te noemen de moeder, en

2. [de vader],

hierna te noemen de vader,
beiden zonder bekende verblijfplaats,
advocaat mr. B.A. Huijgen te Amsterdam,


3 Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming en Reclassering,

gevestigd te [plaats] ,
hierna te noemen LdH.





1Het verdere verloop van de procedure


1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:


het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 8 januari 2026;


de beschikking van deze rechtbank van 9 januari 2026;


de herstelbeschikking van deze rechtbank van 14 januari 2026.





1.2.
De kinderrechter heeft bij voornoemde beschikking van 9 januari 2026 (samengevat weergegeven) het toen nog ongeboren kind voorlopig onder toezicht gesteld van het LdH voor de duur van twee weken en het LdH gemachtigd om het ongeboren kind uit huis te plaatsen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling. De kinderrechter heeft de beslissing op het verzoek van de Raad om het gezag van de ouders over het ongeboren kind te schorsen aangehouden. De kinderrechter heeft daarnaast bepaald dat de belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om op een zitting binnen twee weken te worden gehoord op de verzoeken tot de voorlopige ondertoezichtstelling, de voorlopige machtiging tot uithuisplaatsing en de schorsing van de ouders in het gezag.



1.3.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 23 januari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de heer [persoon 1] namens de Raad;
- mr. Huijgen;
- mevrouw. [persoon 2] namens LdH.





2De feiten


2.1.
De rechtbank gaat bij de beoordeling van het verzoek uit van de volgende feiten, die blijken uit de onweersproken gebleven inhoud van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling onbetwist naar voren is gebracht.



2.2.
De ouders hebben vier kinderen die allen uithuisgeplaatst zijn en opgroeien in verschillende pleeggezinnen. De ouders zijn uit het contact met de kinderen getreden.



2.3.
De moeder is zwanger en kan op elk moment bevallen dan wel is recentelijk bevallen.





3Het verzoek


3.1.

De Raad heeft de rechtbank verzocht:

in de zaak C/13/781515 / FA RK 26-148


- primair de ouders te schorsen in de uitoefening van het gezag met de benoeming van LdH tot voogd, met toepassing van artikel 1:2 BW;



in de zaak C/13/781512 / JE RK 26-18


- subsidiair de voorlopige ondertoezichtstelling van de nog ongeboren baby voor de duur van drie maanden en een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing na de geboorte te verlenen voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, zodat LdH gemachtigd is de nog ongeboren minderjarige vanaf de geboorte in een neutraal pleeggezin te plaatsen.



3.2.
De Raad heeft aangevoerd dat in december 2025 is gebleken dat de moeder zwanger was van een vijfde kind. De ouders, die uit Frankrijk komen, hebben geen financiële middelen, zijn dakloos, althans wonen volgens eigen opgave in een caravan. Het is onbekend of de caravan is voorzien van elektriciteit en andere voorzieningen en geschikt is voor het opvangen van een pasgeboren baby. De ouders gebruiken drugs, er is sprake van structureel huiselijk geweld en crimineel gedrag. Zij hebben langere tijd rondgezworven en in hun auto geslapen. Ouders bagatelliseren de zorgen die geuit zijn. Zij hebben als Franse staatsburgers geen recht op voorzieningen in Nederland. Zij hebben recent in detentie gezeten. In maart 2025 is hun kind [minderjarige] geboren die kort na de geboorte onder toezicht is gesteld en uit huis is geplaatst, inmiddels bij een perspectief biedend pleeggezin. De ouders hebben nog drie kinderen die in Frankrijk in pleeggezinnen wonen. Er is gedurende de afgelopen maanden nauwelijks contact geweest tussen LdH en de ouders en zij zijn uit contact met de gezinsmanager. Deze situatie is een hoog risico voor de nog ongeboren baby. De ouders zijn wisselend en onvoorspelbaar in wat zij willen en het lukt niet om afspraken te maken. Ouders hebben de afgelopen periode onvoldoende laten zien dat zij verantwoordelijkheid kunnen nemen en bereikbaar kunnen zijn voor hun kinderen. Ten aanzien van hun jongste baby, [minderjarige] , zijn zij inmiddels niet meer bereikbaar voor de gezinsvoogd. [minderjarige] heeft geen contact meer met zijn ouders en het is bijvoorbeeld ook niet gelukt om ouders destijds te bereiken voor het geven van toestemming voor de hielprik van [minderjarige] . Met de kinderen in Frankrijk hebben ouders ook geen contact en de verwaarlozende omstandigheden waaronder de kinderen zijn aangetroffen bij de ouders zijn buitengewoon zorgelijk. De Raad ziet een patroon dat de ouders afstand nemen in het contact met al hun kinderen en betrokken hulpverlening. De Raad verwacht, gelet op de gang van zaken bij de eerdere vier kinderen, niet dat de ouders zich in het contact met de hulpverlening na de geboorte anders zullen gaan gedragen. De Raad is daarom van mening dat schorsing van het ouderlijk gezag het meest passend is in deze situatie. Een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is immers gericht op terugplaatsing, maar dit is niet meer realistisch.





4De standpunten


4.1.
Namens de ouders is tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat dat de baby inmiddels is geboren. Zij vinden dat een schorsing van het gezag te vergaand is. De Raad heeft daarvoor onvoldoende naar voren gebracht. Ook een uithuisplaatsing is te vergaand. Een ondertoezichtstelling is iets waar de ouders mogelijk aan mee zouden kunnen werken. Verder hebben de ouders aangevoerd dat zij niet meer in Nederland verblijven en dat de Nederlandse rechter daarom niet bevoegd is. Zij willen niet zeggen waar zij wel verblijven.





5De beoordeling



Rechtsmacht en toepasselijk recht



5.1.
De ouders hebben de Franse nationaliteit. Dit internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter en het toepasselijk recht. De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht heeft, nu de gewone verblijfplaats van het (on)geboren kind in Nederland gelegen is. Dit is immers de laatst bekende verblijfplaats van de ouders. Weliswaar stellen ouders dat zij niet meer in Nederland verblijven, maar aangezien zij niet vertellen waar zij zijn, is dit niet verifieerbaar. Daarvoor zijn ook geen concrete aanknopingspunten gebleken. Het Nederlands recht is van toepassing op het verzoek.



Waar gaat het om in deze zaken




5.2.
Het gaat in deze zaken om de vraag of het gezag van de ouders over hun (on)geboren kind moet worden geschorst en of een (voorlopige) ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing van het (on)geboren kind moeten worden uitgesproken.



Het wettelijk kader




5.3.
Op grond van artikel 1:2 BW wordt een ongeboren kind als reeds geboren beschouwd, voor zover dat in zijn belang is.



5.4.
Op grond van artikel 1:268, eerste lid, sub a BW kan de rechtbank het gezag van een ouder schorsen als er een ernstig vermoeden bestaat dat een grond voor het beëindigen van het gezag is vervuld en de maatregel noodzakelijk is om een acute en ernstige bedreiging voor de minderjarige weg te nemen. Op grond van artikel 1:266, eerste lid, BW kan het gezag van een ouder worden beëindigd, als een minderjarige zo opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet in staat is de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247, tweede lid, BW te dragen binnen een voor de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn of als de ouder het gezag misbruikt.



5.5.
Op grond van artikel 1:255, eerste lid, BW kan de kinderrechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling, als de minderjarige (i) zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, (ii) de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige niet of onvoldoende wordt geaccepteerd door de ouders en (iii) de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders (of één van hen) binnen een voor de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn weer in staat zal zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen.



5.6.
Een machtiging tot uithuisplaatsing vereist op grond van artikel 1:265b BW, samengevat weergegeven, dat een uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van het kind of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.



5.7.
Op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens moeten de maatregelen in de gegeven omstandigheden ook voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.



Inhoudelijke beoordeling




5.8.
Uit het rapport van de Raad en de door de Raad overgelegde en onbetwiste stukken van de Franse autoriteiten blijkt dat de vier andere kinderen van de ouders in een pleeggezin zijn geplaatst en dat de ouders geen contact met deze kinderen onderhouden. Drie kinderen wonen in een pleeggezin in Frankrijk en het vierde kind, dat in maart 2026 één jaar wordt, woont bij een pleegoma in Nederland. De ouders beschikken niet over een stabiele woonomgeving voor henzelf en de baby, maar verblijven in hun auto of op zijn best in een caravan, waarvan het niet duidelijk is of deze elektriciteit en andere voorzieningen heeft. De ouders beschikken niet over financiële middelen en hebben in het verleden en recent in detentie gezeten. Er is sprake van een structureel patroon van drugsgebruik door in ieder geval vader, ernstig huiselijk geweld door de vader richting in elk geval de moeder, en zeer ernstige verwaarlozing van de kinderen wanneer deze aan de zorg van de ouders zijn toevertrouwd. De ouders mijden zorg en willen geen contact hebben met hulpverlening. Bij de geboorte van [minderjarige] hebben de ouders in woord en daad getoond geen inzicht te hebben in de basale behoeften van een pasgeboren baby. Zij blijven niet in contact met de hulpverlening en geven geen openheid, waardoor de zorgen rondom de veiligheid en opvoedsituatie alleen maar zijn toegenomen.



5.9.
Op dit moment is er geen enkel zicht op de situatie van het (on)geboren kind. Er is/was geen enkele controle op de zwangerschap. Het lukt hulpverleners ook niet om in contact te komen met de ouders, ouders hebben de gezinsmanager van het LdH geblokkeerd.



5.10.
Gelet op al het voorgaande volgt de kinderrechter de Raad in het ernstige vermoeden dat er geen sprake is van leerbaarheid bij de ouders en dat zij niet in staat zijn anders te handelen dan zij tot op heden hebben gedaan. Om die reden is een ondertoezichtstelling of uithuisplaatsing niet op zijn plek. Het doel zou dan immers terugplaatsing zijn. De ouders zijn echter al vier keer niet in staat gebleken basale verantwoordelijkheid te dragen voor de zorg voor de kinderen die ter wereld komen.



5.11.
Gelet op de zeer ernstige, al jaren bestaande zorgen over de wijze waarop de ouders leven en op de specifieke situatie die zich nu tijdens de zwangerschap voordoet, is het duidelijk dat het niet verantwoord is dat het kind na de geboorte bij de ouders blijft, en dat terugkeer van het kind naar de ouders naar alle verwachting ook niet aan de orde is. De rechtbank is, gelet hierop, van oordeel dat aan de criteria van artikel 1:268, eerste lid, sub a BW is voldaan en zal daarom het verzoek tot schorsing van het gezag van de ouders over het kind toewijzen, vanaf de geboorte van het kind. Dit is een verstrekkende beslissing maar het belang van het kind om te worden beschermd tegen de bedreigingen die van de situatie uitgaan, is ook groot. De beslissing is in de gegeven omstandigheden dan ook proportioneel te noemen. Ook is voldaan aan het vereiste van subsidiariteit, onder meer vanwege het feit dat de ouders niet willen meewerken aan enige vorm van hulpverlening, die hen wel is aangeboden.



5.12.
Omdat de schorsing van het gezag van de ouders ertoe zal leiden dat na geboorte van het kind een gezagsvoorziening ontbreekt, dient de rechtbank op grond van artikel 1:275 eerste lid BW een voogd te benoemen. Het LdH heeft zich bereid verklaard de voogdij op zich te nemen. De rechtbank is van oordeel dat het LdH moet worden belast met de voogdij.



5.13.
Er bestaat geen belang meer bij de bespreking van het verzoek tot ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van het (on)geboren kind. Er wordt immers, zo zegt de Raad ook zelf, niet voldaan aan de voorwaarde dat de ouders binnen een aanvaardbare termijn in staat zijn om de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige te dragen.



5.14.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.



5.15.
Een en ander brengt met zich dat de volgende beslissing wordt genomen.










6De beslissing



in de zaak C/13/781515 / FA RK 26-148:




6.1.
schorst [de vader] , geboren op [geboortedag 1] 1984 en [de moeder] , geboren op [geboortedag 2] 1998 in de uitoefening van het ouderlijk gezag over hun ongeboren, dan wel in de maanden december 2025 of januari 2026 geboren kind, met ingang van heden;



6.2.
belast Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering met de voorlopige voogdij over het (on)geboren kind;



6.3.
bepaalt dat aan Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering alle bevoegdheden ten aanzien van de persoon en het vermogen van de minderjarige die in het belang van de minderjarige noodzakelijk zijn, worden toegekend;



in de zaak C/13/781512 / JE RK 26-18:





6.4.
wijst de verzoeken af.










Deze beschikking is gegeven door mr. V. Zuiderbaan, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026, in aanwezigheid van mr. K.E. Luijckx als griffier, en op schrift gezet op 29 januari 2026.














































Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:



degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;


andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.





Artikel 2 Besluit gezagsregisters.