Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:928
2026-09-08
Strafrecht
24/02300
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Conclusie AG. Veroordeling wegens (gekwalificeerde) diefstallen, mishandeling, bedreiging en belediging van een ambtenaar in functie, meermalen gepleegd. Slagende klacht over de geldigheid van de betekening van de dagvaarding in hoger beroep door uitreiking daarvan aan een ander dan de verdachte. Conclusie strekt tot vernietiging en terugwijzing.
Citeert (4)
- ECLI:NL:HR:2024:1738 Hoge Raad 26-11-2024
- ECLI:NL:HR:2007:AZ8360 Hoge Raad 05-06-2007
- ECLI:NL:HR:2008:BD2446 Hoge Raad 02-09-2008
- ECLI:NL:HR:2024:492 Hoge Raad 26-03-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (15.312 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02300
Zitting 8 september 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , heeft bij arrest van 11 juni 2024 (parketnummer 21-000014-23) de verdachte (bij verstek) met toepassing van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 december 2022.
1.2
Het cassatieberoep is op 14 juni 2024 ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is uitgereikt.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het middel slaagt.
2Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat “het gerechtshof ten onrechte heeft geoordeeld dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is geweest, en/of het oordeel van het gerechtshof dat van rechtsgeldige betekening sprake is geweest gelet op de op die betekening betrekking hebbende stukken onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.”
2.2
De “Akte van uitreiking” van de dagvaarding in hoger beroep houdt in dat de dagvaarding op 29 maart 2024 is uitgereikt op [adres Stadsbank] in [plaats] aan een ander dan de verdachte die zich op dat adres bevond en die beloofde de dagvaarding onmiddellijk aan de verdachte te geven. Een zoekslag op het internet leert dat de [adres Stadsbank] het adres is van de Stadsbank [plaats] . De akte van uitreiking vermeldt wel de voornaam van de ontvanger, te weten “ [betrokkene 1] ”, en zijn handtekening, maar niet zijn achternaam en ook niet de gegevens (het soort en het nummer) van zijn identiteitsbewijs. Uit de handtekening van de ontvanger kan geen achternaam worden afgeleid.
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 juni 2024 houdt het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres Stadsbank] ,
is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr. J.G. Roethof, advocaat te Arnhem, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De voorzitter deelt mede dat de advocaat-generaal heeft gebeld om na te vragen of verdachte gedetineerd is. Dat is niet het geval. De zaak is goed betekend. Verdachte staat ingeschreven op [adres Stadsbank] en aan dat adres is ook betekend.
De advocaat-generaal voert aan, zakelijk weergegeven:
Verdachte is niet verschenen en de raadsman is niet gemachtigd. Er zijn geen grieven ingediend. Ik verzoek uw hof verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit.”
Het juridisch kader
2.4
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 36e lid 1 en lid 2, aanhef en onder a, Sv:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;”
- Art. 36h leden 1 en 3 Sv:
“1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;
e. de plaats van uitreiking;
f. de dag en het uur van uitreiking.
2. (…)
3. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.”
- Art. 36n lid 1 Sv:
“De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.”
2.5
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1738, NJ 2025/11 het volgende overwogen:
“2.3.2 De artikelen 588 (oud), 589 (oud) en 590 (oud) Sv zijn bij de gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; ook wel Wet USB genoemd), vervangen door de artikelen 36e, 36h en 36n Sv. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Wet USB heeft geleid, houdt over artikel 36h Sv onder meer in:
“Artikel 36h (589 Sv) - akte van uitreiking
Dit artikel betreft het huidige artikel 589 Sv, over de akte die wordt opgemaakt van de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven. In de voorgestelde nieuwe bepaling blijven de gegevens die op grond van het eerste lid in de akte worden vermeld, ongewijzigd.
Aan het derde lid wordt gewijzigd dat voortaan de identiteit van de persoon waaraan de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt, zo mogelijk wordt vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. De soort en het nummer van dit identiteitsbewijs worden genoteerd op de akte van uitreiking. Deze akte wordt ondertekend door degene die de uitreiking verzorgt. Dit kan ook een elektronische ondertekening zijn (zie het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering).
(Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 59.)
2.3.3
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van de artikelen 588 (oud), 589 (oud) en 590 (oud) Sv bij Wet van 11 december 1980, Stb. 1980, 666, houdende nieuwe voorschriften omtrent de wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, houdt ten aanzien van de inhoud van de akte van uitreiking onder meer in:
“Artikel 588.
(...)
De persoon aan wie het stuk is uitgereikt, moet in de akte van uitreiking (artikel 589) worden vermeld. Achteraf zal dus desgewenst steeds kunnen worden nagegaan wie het stuk onder zich genomen heeft met de bereidverklaring het aan de geadresseerde te doen toekomen.
(...)
Artikel 589. Dit artikel bepaalt wat de akte van uitreiking, die bij een betekening wordt opgemaakt, moet bevatten.”
(Kamerstukken 1979/80, 15842, nrs. 1-4, p. 17-18.)
2.4
Als de dagvaarding overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 1°, en lid 2, aanhef en onder a, Sv wordt uitgereikt aan degene die zich op het in die bepaling bedoelde adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen, moet op grond van artikel 36h lid 1 Sv in de akte van uitreiking de persoon worden vermeld aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt. Gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis is de strekking van dat voorschrift dat achteraf kan worden nagegaan wie de dagvaarding onder zich heeft genomen. Als in die akte niet de persoon is vermeld aan wie de dagvaarding is uitgereikt, heeft dat verzuim – in het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen – in beginsel nietigheid van de betekening van de dagvaarding tot gevolg. De rechter kan echter van die nietigverklaring afzien, als anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan wie de dagvaarding is uitgereikt.
2.5
Het hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 1°, en lid 2, aanhef en onder a, Sv geldig is betekend. Dit oordeel is – in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en gelet op de onder 2.2.1 weergegeven inhoud van de akte van uitreiking bij de dagvaarding in hoger beroep – niet zonder meer begrijpelijk, nu die akte niet de naam vermeldt van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt en het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding is uitgereikt.”
De bespreking van het middel
2.6
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 juni 2024 houdt niets in waaruit kan volgen dat de niet gemachtigde raadsman in de gelegenheid is gesteld te klagen over de betekening van de dagvaarding. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat hij die gelegenheid niet heeft gehad. Dat betekent dat in cassatie kan worden geklaagd over de betekening van de appeldagvaarding.
2.7
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de enkele vermelding van de voornaam van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt ontoereikend is om te kunnen vaststellen wie de dagvaarding onder zich heeft genomen. Daartoe had(den) in de akte van uitreiking op z’n minst ook de achternaam van die persoon en/of andere identificerende gegevens als bedoeld in art. 36h lid 1, onder d, en lid 3 Sv moeten zijn vermeld. Nu het hof er voorts geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding is uitgereikt, moet worden geconcludeerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, en/of is dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
2.8
Het hof heeft geoordeeld dat de uitreiking voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de uitreiking heeft plaatsgevonden op het adres waar de verdachte ten tijde van de uitreiking stond ingeschreven.
2.9
Ik meen dat dit oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. In deze zaak is de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt aan een ander dan de verdachte. In dat geval moet in de akte van uitreiking de persoon worden vermeld aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt, zodat achteraf kan worden nagegaan wie die mededeling onder zich heeft genomen. In het onderhavige geval vermeldt de akte van uitreiking slechts de voornaam van de ontvanger. De achternaam ontbreekt. Uit de handtekening van de ontvanger kan geen achternaam worden afgeleid en uit de stukken van het geding kan ook niet anderszins worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting en uit het arrest van het hof blijkt evenmin dat het hof hier oog voor heeft gehad en/of hierover vaststellingen heeft gedaan. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat degene aan wie de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt voldoende is geïndividualiseerd. Bij deze stand van zaken kan dus niet worden nagegaan wie dit stuk onder zich heeft genomen met de bereidverklaring het aan de verdachte te doen toekomen. Daar komt bij dat het adres waarop de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt niet een adres betreft waarop naar verwachting een beperkt aantal personen aanwezig zullen zijn, zoals een woonadres, maar een kantoorpand van de stadsbank van [plaats] . Dat kan de kans op de traceerbaarheid van de ontvanger van de dagvaarding in hoger beroep verkleinen.
3Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Voor het geval de Hoge Raad hierover anders mocht oordelen, merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 14 juni 2024. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn zal moeten leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.
3.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
https://www.gemeentelijkekredietbanken.nl/ […] /stadsbank- [plaats] .html.
HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8360, NJ 2007/339, rov. 3.2 en HR 2 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2446, rov. 3.2.
Een geval waarin door de Hoge Raad niet wordt overgegaan tot vermindering van de opgelegde straf als bedoeld in HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3 en 3.2 doet zich hier niet voor.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 24/02300
Zitting 8 september 2026
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
1Het cassatieberoep
1.1
Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem , heeft bij arrest van 11 juni 2024 (parketnummer 21-000014-23) de verdachte (bij verstek) met toepassing van art. 416 lid 2 Sv niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, van 16 december 2022.
1.2
Het cassatieberoep is op 14 juni 2024 ingesteld namens de verdachte. J. Kuijper, advocaat in Amsterdam, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat zich richt tegen het oordeel van het hof dat de dagvaarding in hoger beroep geldig is uitgereikt.
1.3
Deze conclusie leidt tot de slotsom dat het middel slaagt.
2Het middel
2.1
In het middel wordt geklaagd dat “het gerechtshof ten onrechte heeft geoordeeld dat de betekening van de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is geweest, en/of het oordeel van het gerechtshof dat van rechtsgeldige betekening sprake is geweest gelet op de op die betekening betrekking hebbende stukken onbegrijpelijk is en/of onvoldoende met redenen is omkleed.”
2.2
De “Akte van uitreiking” van de dagvaarding in hoger beroep houdt in dat de dagvaarding op 29 maart 2024 is uitgereikt op [adres Stadsbank] in [plaats] aan een ander dan de verdachte die zich op dat adres bevond en die beloofde de dagvaarding onmiddellijk aan de verdachte te geven. Een zoekslag op het internet leert dat de [adres Stadsbank] het adres is van de Stadsbank [plaats] . De akte van uitreiking vermeldt wel de voornaam van de ontvanger, te weten “ [betrokkene 1] ”, en zijn handtekening, maar niet zijn achternaam en ook niet de gegevens (het soort en het nummer) van zijn identiteitsbewijs. Uit de handtekening van de ontvanger kan geen achternaam worden afgeleid.
2.3
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 juni 2024 houdt het volgende in:
“De verdachte genaamd:
[verdachte]
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
wonende te [postcode] [plaats] , [adres Stadsbank] ,
is niet verschenen.
Ter terechtzitting is aanwezig mr. J.G. Roethof, advocaat te Arnhem, die verklaart niet uitdrukkelijk door verdachte te zijn gemachtigd de verdediging te voeren.
De voorzitter deelt mede dat de advocaat-generaal heeft gebeld om na te vragen of verdachte gedetineerd is. Dat is niet het geval. De zaak is goed betekend. Verdachte staat ingeschreven op [adres Stadsbank] en aan dat adres is ook betekend.
De advocaat-generaal voert aan, zakelijk weergegeven:
Verdachte is niet verschenen en de raadsman is niet gemachtigd. Er zijn geen grieven ingediend. Ik verzoek uw hof verdachte niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep op grond van artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.
De voorzitter verklaart het onderzoek gesloten en deelt mede, dat volgens de beslissing van het gerechtshof de uitspraak zal plaatsvinden ter terechtzitting van heden.
De voorzitter spreekt het arrest ter openbare terechtzitting uit.”
Het juridisch kader
2.4
Bij de beoordeling van het middel zijn de volgende wettelijke bepalingen van belang:
- Art. 36e lid 1 en lid 2, aanhef en onder a, Sv:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1°. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2°. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;”
- Art. 36h leden 1 en 3 Sv:
“1. Van iedere uitreiking als bedoeld in artikel 36b, tweede lid, wordt een akte opgemaakt, waarin zijn vermeld:
a. de autoriteit van welke de gerechtelijke mededeling uitgaat;
b. het nummer van de gerechtelijke mededeling;
c. de persoon voor wie de gerechtelijke mededeling bestemd is;
d. de persoon aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt;
e. de plaats van uitreiking;
f. de dag en het uur van uitreiking.
2. (…)
3. De akte wordt door hen die met de uitreiking zijn belast, ieder voor zover het zijn bevindingen en handelingen betreft, van die bevindingen en handelingen naar waarheid opgemaakt en ondertekend. Zo mogelijk wordt de identiteit van de persoon, bedoeld in het eerste lid, onder d, vastgesteld aan de hand van een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.”
- Art. 36n lid 1 Sv:
“De rechter kan, indien de uitreiking niet is geschied overeenkomstig het bepaalde in deze afdeling, de betekening nietig verklaren.”
2.5
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 26 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1738, NJ 2025/11 het volgende overwogen:
“2.3.2 De artikelen 588 (oud), 589 (oud) en 590 (oud) Sv zijn bij de gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; ook wel Wet USB genoemd), vervangen door de artikelen 36e, 36h en 36n Sv. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de Wet USB heeft geleid, houdt over artikel 36h Sv onder meer in:
“Artikel 36h (589 Sv) - akte van uitreiking
Dit artikel betreft het huidige artikel 589 Sv, over de akte die wordt opgemaakt van de betekening door uitreiking van een gerechtelijk schrijven. In de voorgestelde nieuwe bepaling blijven de gegevens die op grond van het eerste lid in de akte worden vermeld, ongewijzigd.
Aan het derde lid wordt gewijzigd dat voortaan de identiteit van de persoon waaraan de gerechtelijke mededeling wordt uitgereikt, zo mogelijk wordt vastgesteld aan de hand van een geldig identiteitsbewijs. De soort en het nummer van dit identiteitsbewijs worden genoteerd op de akte van uitreiking. Deze akte wordt ondertekend door degene die de uitreiking verzorgt. Dit kan ook een elektronische ondertekening zijn (zie het Wetsvoorstel digitale processtukken Strafvordering).
(Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 59.)
2.3.3
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot wijziging van de artikelen 588 (oud), 589 (oud) en 590 (oud) Sv bij Wet van 11 december 1980, Stb. 1980, 666, houdende nieuwe voorschriften omtrent de wijze van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen in strafzaken, houdt ten aanzien van de inhoud van de akte van uitreiking onder meer in:
“Artikel 588.
(...)
De persoon aan wie het stuk is uitgereikt, moet in de akte van uitreiking (artikel 589) worden vermeld. Achteraf zal dus desgewenst steeds kunnen worden nagegaan wie het stuk onder zich genomen heeft met de bereidverklaring het aan de geadresseerde te doen toekomen.
(...)
Artikel 589. Dit artikel bepaalt wat de akte van uitreiking, die bij een betekening wordt opgemaakt, moet bevatten.”
(Kamerstukken 1979/80, 15842, nrs. 1-4, p. 17-18.)
2.4
Als de dagvaarding overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 1°, en lid 2, aanhef en onder a, Sv wordt uitgereikt aan degene die zich op het in die bepaling bedoelde adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen, moet op grond van artikel 36h lid 1 Sv in de akte van uitreiking de persoon worden vermeld aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt. Gelet op de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis is de strekking van dat voorschrift dat achteraf kan worden nagegaan wie de dagvaarding onder zich heeft genomen. Als in die akte niet de persoon is vermeld aan wie de dagvaarding is uitgereikt, heeft dat verzuim – in het geval dat de verdachte niet op de terechtzitting is verschenen – in beginsel nietigheid van de betekening van de dagvaarding tot gevolg. De rechter kan echter van die nietigverklaring afzien, als anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan wie de dagvaarding is uitgereikt.
2.5
Het hof heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep overeenkomstig artikel 36e lid 1, aanhef en onder b sub 1°, en lid 2, aanhef en onder a, Sv geldig is betekend. Dit oordeel is – in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld en gelet op de onder 2.2.1 weergegeven inhoud van de akte van uitreiking bij de dagvaarding in hoger beroep – niet zonder meer begrijpelijk, nu die akte niet de naam vermeldt van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt en het hof er geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding is uitgereikt.”
De bespreking van het middel
2.6
Het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 11 juni 2024 houdt niets in waaruit kan volgen dat de niet gemachtigde raadsman in de gelegenheid is gesteld te klagen over de betekening van de dagvaarding. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat hij die gelegenheid niet heeft gehad. Dat betekent dat in cassatie kan worden geklaagd over de betekening van de appeldagvaarding.
2.7
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat de enkele vermelding van de voornaam van de persoon aan wie de dagvaarding is uitgereikt ontoereikend is om te kunnen vaststellen wie de dagvaarding onder zich heeft genomen. Daartoe had(den) in de akte van uitreiking op z’n minst ook de achternaam van die persoon en/of andere identificerende gegevens als bedoeld in art. 36h lid 1, onder d, en lid 3 Sv moeten zijn vermeld. Nu het hof er voorts geen blijk van heeft gegeven te hebben onderzocht of anderszins uit de stukken kan worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding is uitgereikt, moet worden geconcludeerd dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de dagvaarding in hoger beroep rechtsgeldig is betekend, en/of is dat oordeel onbegrijpelijk en/of onvoldoende gemotiveerd, aldus de steller van het middel.
2.8
Het hof heeft geoordeeld dat de uitreiking voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat de uitreiking heeft plaatsgevonden op het adres waar de verdachte ten tijde van de uitreiking stond ingeschreven.
2.9
Ik meen dat dit oordeel van het hof niet zonder meer begrijpelijk is. Daarbij neem ik het volgende in aanmerking. In deze zaak is de dagvaarding in hoger beroep uitgereikt aan een ander dan de verdachte. In dat geval moet in de akte van uitreiking de persoon worden vermeld aan wie de gerechtelijke mededeling is uitgereikt, zodat achteraf kan worden nagegaan wie die mededeling onder zich heeft genomen. In het onderhavige geval vermeldt de akte van uitreiking slechts de voornaam van de ontvanger. De achternaam ontbreekt. Uit de handtekening van de ontvanger kan geen achternaam worden afgeleid en uit de stukken van het geding kan ook niet anderszins worden afgeleid aan welke persoon de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting en uit het arrest van het hof blijkt evenmin dat het hof hier oog voor heeft gehad en/of hierover vaststellingen heeft gedaan. Gelet hierop kan niet worden gezegd dat degene aan wie de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt voldoende is geïndividualiseerd. Bij deze stand van zaken kan dus niet worden nagegaan wie dit stuk onder zich heeft genomen met de bereidverklaring het aan de verdachte te doen toekomen. Daar komt bij dat het adres waarop de dagvaarding in hoger beroep is uitgereikt niet een adres betreft waarop naar verwachting een beperkt aantal personen aanwezig zullen zijn, zoals een woonadres, maar een kantoorpand van de stadsbank van [plaats] . Dat kan de kans op de traceerbaarheid van de ontvanger van de dagvaarding in hoger beroep verkleinen.
3Slotsom
3.1
Het middel slaagt.
3.2
Voor het geval de Hoge Raad hierover anders mocht oordelen, merk ik ambtshalve op dat de Hoge Raad uitspraak doet nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep op 14 juni 2024. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM in cassatie is overschreden. Deze overschrijding van de redelijke termijn zal moeten leiden tot strafvermindering in een mate die de Hoge Raad gepast voorkomt.
3.3
Ambtshalve heb ik geen andere gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem -Leeuwarden, teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G
https://www.gemeentelijkekredietbanken.nl/ […] /stadsbank- [plaats] .html.
HR 5 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8360, NJ 2007/339, rov. 3.2 en HR 2 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2446, rov. 3.2.
Een geval waarin door de Hoge Raad niet wordt overgegaan tot vermindering van de opgelegde straf als bedoeld in HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, NJ 2024/133, rov. 3.1.3 en 3.2 doet zich hier niet voor.