Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:891

2026-09-18 Civiel recht; Burgerlijk procesrecht 25/03656
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-18
Publicatiedatum
2026-09-17
Rechtsgebied
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/03656
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Procesrecht. Familierecht. Schending onmiddellijkheidsbeginsel door niet aangekondigde rechterswisseling tussen eerste en voortgezette mondelinge behandeling (vgl. HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:826); schending art. 6 EVRM. Afwijzing nakoming twee jaar oude niet-nagekomen omgangsregeling in kort geding wegens onvoldoende spoedeisend belang; art. 8 EVRM

Citeert (51)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (44.252 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL


BIJ DE


HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



Nummer 25/03656

Zitting 18 september 2026


CONCLUSIE


G.R.B. van Peursem


In de zaak



[de vader] , eiser tot cassatie,


tegen



[de moeder] ,
verweerster in cassatie


Partijen worden hierna verkort aangeduid als de vader respectievelijk de moeder.
In deze omgangsregelingszaak in kort geding wordt in cassatie door de vader geklaagd over schending van het onmiddellijkheidsbeginsel en over het afwijzen van de gevraagde voorzieningen bij gebrek aan spoedeisend belang, waarmee volgens de vader ook de inspanningsverplichting van het hof is geschonden om het recht op omgang met zijn kinderen te effectueren. De klacht over schending van het onmiddellijkheidsbeginsel zie ik doel treffen.



1. Feiten en procesverloop

1.1 Partijen zijn met elkaar gehuwd geweest en hebben vier kinderen. De moeder is alleen belast met het ouderlijk gezag over de kinderen die hun hoofdverblijfplaats bij de moeder hebben.
1.2 De kinderen zijn op 30 april 2020 onder toezicht gesteld van de gecertificeerde instelling stichting Samen Veilig Midden-Nederland te Utrecht (hierna: de GI). Deze ondertoezichtstelling is sindsdien steeds verlengd, tot de beëindiging daarvan op 30 april 2024.
1.3 Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 29 oktober 2020 is een (gewijzigde) zorg- en contactregeling tussen de vader en de kinderen vastgesteld.
1.4 Bij beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 30 mei 2022 is de vader het recht op omgang met de kinderen voor de duur van een jaar ontzegd. Daarnaast is de in de genoemde beschikking van 29 oktober 2020 vastgestelde zorgregeling voor onbepaalde tijd beëindigd.
1.5 De vader is in hoger beroep gekomen van de beschikking van 30 mei 2022. Daarop is bij beschikking van het Hof Arnhem-Leeuwarden van 31 oktober 2023 het volgende beslist:
“Het hof, beschikkende in hoger beroep:


Vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 30 mei 2022;


Stelt een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen vast, waarbij de vader minimaal met ieder kind afzonderlijk of met alle vier de kinderen tegelijk, een keer per twee weken een kwartier videobelcontact heeft, en maximaal onbegeleide omgang op de zaterdag of zondag van 9.00 uur tot 18.00 uur, waarbij het tempo van de uitbreiding van de omgang door de Gl in overleg met de hulpverleners van de kinderen bepalend is;


verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad”.
1.6 De vader vordert in deze kortgedingzaak nakoming door de moeder van deze omgangsregeling, dan wel een door de voorzieningenrechter vast te stellen regeling, versterkt met dwangsom.
1.7 De moeder voert verweer en vraagt primair om de vorderingen van de vader niet ontvankelijk te verklaren, althans deze af te wijzen. Subsidiair vraagt de moeder of, indien uitvoering dient te worden gegeven aan de door het hof vastgestelde omgangsregeling, dit dan uitsluitend onder regie van het wijkteam en/of Metmaya te laten plaatsvinden, die het tempo van de uitbreiding van de (begeleide) omgang in overleg met de hulpverleners van de kinderen zal bepalen.
1.8 De voorzieningenrechter wijst de vordering van de vader af wegens gebrek aan spoedeisend belang (rov. 4.2):
“De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vader geen voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening. De vader vordert namelijk nakoming van een beschikking die dateert van 31 oktober 2023, bijna een jaar geleden. Daar komt nog bij dat de vader ter zitting bij herhaling heeft verklaard dat hij de kinderen al drie jaar niet meer heeft gezien. Op 2 september 2021 heeft hij voor het laatst omgang gehad met de kinderen. Nadien heeft hij naar eigen zeggen alleen nog met [kind 1] kunnen videobellen; negen keer vanaf 8 februari 2024. Op 4 maart 2024 is er een fysiek contactmoment geweest tussen hem en [kind 1] . Op 6 juni 2024 was het laatste contact met [kind 1] , aldus de vader. Niet valt in te zien waarom de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen nu - terwijl er al jaren geen contact is geweest, in ieder geval met drie van de vier kinderen, en de laatste beschikking hierover, waarvan nakoming wordt gevorderd, ook alweer dateert van bijna een jaar geleden - met spoed hersteld moet worden. Reeds daarom dient de vordering van de vader te worden afwezen.”
1.9 Ten overvloede oordeelt de voorzieningenrechter dat de gevraagde voorzieningen anders ook zouden zijn geweigerd (rov. 4.3-4.7) om de volgende redenen: i) de door het hof vastgestelde regeling kan feitelijk niet (meer) uitgevoerd worden, omdat er in verband met de beëindiging van de ondertoezichtstelling van de kinderen geen GI meer betrokken is en partijen het daarna niet eens zijn geworden over de in te zetten hulpverlening; ii) het is onduidelijk wat qua contact met hun vader het meest in het belang van de kinderen is, nu er sinds de beschikking van het hof een jaar eerder niet of nauwelijks contact is geweest; terwijl iii) er inmiddels wel veel is gebeurd met de kinderen; en iv) de kinderen veel problemen hebben die samenhangen met wat er in het verleden is gebeurd. De voorzieningenrechter is dan ook van oordeel dat de omgang met de vader nader onderzoek vergt en te complex is om in kort geding te bepalen.
1.10 In hoger beroep vordert de vader om alsnog te bepalen dat de moeder uitvoering geeft aan voornoemde omgangsregeling, versterkt met dwangsom.
1.11 De moeder voert verweer. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 februari 2025 en is voortgezet op 10 juli 2025. Over de mondelinge behandeling van 13 februari 2025 overweegt het hof in rov. 2.10:
“Tijdens de mondelinge behandeling van 13 februari 2025 hebben partijen met elkaar de volgende afspraken gemaakt:
- zaterdag 1 maart 2025 heeft de vader omgang met alle vier de kinderen van 10.00 uur tot 17.00 uur. De vader regelt een programma in de buurt van [plaats] en de moeder zal aan het begin van de omgang aansluiten voor [kind 2] . Als de moeder vertrekt, bepaalt [kind 2] zelf of hij wil blijven of niet;
- zaterdag 5 april 2025 doen de kinderen en de moeder mee met een mud run in [plaats] . De vader zal de kaarten regelen;
- woensdag 9 april 2025 is de vader jarig. De vader, de moeder en de kinderen gaan in de omgeving van [plaats] uit eten vanaf 17.45 uur;
- zaterdag 10 mei 2025 is er van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang tussen de vader en de kinderen met dezelfde uitgangspunten als op 1 maart 2025; en
- daarna zal er iedere zondag van de maand contact zijn tussen de vader en de kinderen. Als [kind 3] niet bij deze omgang kan aansluiten, dan zal zij zelf met de vader een ander moment regelen.
Het hof heeft de zaak verwezen naar de rol van 1 juli 2025 voor uitlating partijen over het verloop van de afgesproken contactmomenten, waarbij partijen ook laten weten of de procedure kan worden doorgehaald of dat zij een voortzetting van de mondelinge behandeling willen.”
1.12 Na voortzetting van de mondelinge behandeling op 10 juli 2025 heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter bekrachtigt en daartoe voor zover in cassatie van belang als volgt overwogen in rov. 3.3:
“Het hof stelt voorop dat het in zijn algemeenheid van belang is voor de identiteitsontwikkeling van een kind dat het contact kan hebben met beide ouders. Het hof staat in die zin nog steeds achter de in zijn beschikking van 31 oktober 2023 vastgestelde regeling. Gebleken is echter dat de uitvoering daarvan, en uiteindelijk ook van de in het kader van de onderhavige procedure op 13 februari 2025 afgesproken regeling, niet gelukt is. Daarbij speelt een rol dat na die beschikking de ondertoezichtstelling is beëindigd, terwijl de GI een cruciale rol had bij de uitvoering van de omgangsregeling. In feite is nakoming van die regeling derhalve niet meer mogelijk. Toch vordert de vader nakoming. Het hof is van oordeel dat de vordering van de vader tot nakoming van de bij beschikking van 31 oktober 2023 vastgestelde regeling thans moet worden afgewezen. Gebleken is dat de vader op 2 september 2021 voor het laatst een omgangsmoment met de kinderen heeft gehad. Daarna heeft hij in 2024 nog twee keer met [kind 1] een fysiek contactmoment gehad en vervolgens met haar nog enkele videobelcontacten. Daarna was er pas weer op 1 maart 2025, volgens eerdergenoemde in deze procedure gemaakte afspraak, een omgangsmoment tussen de vader en alle vier de kinderen, in het bijzijn van de moeder. Het hof acht het betreurenswaardig dat de omgang tussen de vader en de kinderen, ondanks dat er in de afgelopen jaren al zoveel is geprobeerd, nog steeds niet is gelukt. De vader en de moeder geven elkaar daarvan de schuld. Wat daar ook van zij, het hof is, net als de rechtbank, van oordeel dat er geen sprake is van een spoedeisend belang om nu, nadat er al jaren niet tot nauwelijks omgang is geweest tussen de vader en de kinderen, nakoming van de beschikking van het hof van bijna twee jaar geleden, te vorderen. Het hof ziet ook geen aanleiding om, zoals de vader in hoger beroep op de mondelinge behandeling heeft gevorderd, een bijzondere curator over de kinderen te benoemen. De afgelopen jaren zijn al diverse instanties bij de kinderen betrokken geweest: de raad, Save in het kader van de OTS, het [wijkteam] , MetMaya, Foss en Partners, Jeugd Stem, Stichting KOG, het NIFP en de politie. Al deze hulpinstanties hebben in al die jaren geen positief resultaat kunnen bereiken. Het hof ziet niet in dat het belang van de kinderen nog gebaat zou kunnen zijn bij de benoeming van een bijzondere curator. De kinderen zijn al ruim voldoende belast geweest. Het desbetreffende verzoek wordt afgewezen.”
1.13 De vader heeft cassatieberoep ingesteld. De moeder is niet verschenen en tegen haar is verstek verleend.



2Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel bevat twee onderdelen. Onderdeel 1 klaagt over miskenning van het onmiddellijkheidsbeginsel, onderdeel 2 over de afwijzing van de gevraagde voorzieningen bij gebrek aan spoedeisend belang.

Ten aanzien van de rechterswisseling




2.2


Onderdeel 1 klaagt dat het hof het onmiddellijkheidsbeginsel heeft geschonden, nu de zetel tijdens de mondelinge behandeling op 13 februari 2025 een andere is geweest dan die tijdens de mondelinge behandeling op 10 juli 2025, die vervolgens ook het bestreden arrest heeft gewezen. De klacht treft mijns inziens doel.

Het onmiddellijkheidsbeginsel




2.3
Het onmiddellijkheidsbeginsel is een beginsel van rechtspleging met betrekking tot de totstandkoming van het rechterlijk oordeel, dat zo veel mogelijk direct (onmiddellijk) beïnvloed dient te worden door alle (verbale) informatie die in het proces tussen partijen en de rechter wordt uitgewisseld. Het is sinds 2014 vaste rechtspraak dat een rechterlijke beslissing die mede wordt genomen op de grondslag van een voorafgaande mondelinge behandeling, in beginsel behoort te worden gegeven door de rechter(s) ten overstaan van wie de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden om te waarborgen dat het verhandelde op de mondelinge behandeling daadwerkelijk wordt meegewogen bij de totstandkoming van die beslissing – ook wel de personele-eenheidsregel genoemd. In het arrest uit 2014 is verder geoordeeld dat wanneer tussen de mondelinge behandeling en de daaropvolgende uitspraak vervanging van een of meer rechters noodzakelijk blijkt, het gerecht dit aan partijen moet meedelen, zodat zij de gelegenheid hebben om een nadere mondelinge behandeling te verzoeken ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen.


2.4
Het onmiddellijkheidsbeginsel is in de rechtspraak verder uitgekristalliseerd. Ratio daarvan is de gelegenheid die partijen moeten krijgen om hun stellingen toe te lichten ten overstaan van de rechters die de beslissing in hun zaak zullen nemen. Dit zal meestal aan de orde zijn bij de mondelinge behandeling die plaatsvindt in aansluiting op de eerste schriftelijke stukkenwisseling, waarin partijen in de gelegenheid worden gesteld hun stellingen toe te lichten. De bij de mondelinge behandeling aanwezige rechters doen tijdens dergelijke zittingen informatie op in de vorm van indrukken van en ervaringen met het optreden van partijen tijdens de zitting. Die informatie kan van belang zijn, omdat die de uitspraak in de zaak kan beïnvloeden. Wanneer een rechter niet langer betrokken is bij de verdere behandeling en beslissing van de zaak, kan dergelijke informatie ‘verloren’ gaan.


2.5
Niet elke mondelinge behandeling heeft tot doel partijen in de gelegenheid te stellen om hun stellingen toe te lichten. Doel kan ook zijn om een schikking te beproeven of het maken van afspraken over het procesverloop. Voor mondelinge behandelingen in eerstbedoelde zin –die met een ‘pleitkarakter’ – geldt de hoofdregel van het hiervoor besproken arrest uit 2014. Op mondelinge behandelingen zonder pleitkarakter is deze hoofdregel niet van toepassing. Wanneer een mondelinge behandeling die aanvankelijk geen pleitkarakter heeft in de loop van de zitting (ook) wordt benut om partijen in de gelegenheid te stellen hun stellingen toe te lichten, kan sprake zijn van ‘van kleur verschieten’ naar een mondelinge behandeling met pleitkarakter. De kwalificatie van het type mondelinge behandeling waarmee men van doen heeft zal dan ook moeten worden beoordeeld aan de hand van een bestudering van de gedingstukken.


2.6
Uit de beslissing in To Concept/CZ volgt verder dat het onmiddellijkheidsbeginsel pas is ‘uitgewerkt’ wanneer op alle geschilpunten die in de mondelinge behandeling aan de orde zijn gekomen is beslist, zodat in de tussentijd van elke rechterswisseling mededeling moet worden gedaan aan partijen. Elk van de bij de mondelinge behandeling verschenen partijen moet tevens de gelegenheid krijgen om te verzoeken om een nadere mondelinge behandeling ten overstaan van de rechter(s) door wie de uitspraak zal worden gewezen. Aan deze ‘gelegenheidsplicht’ wordt voldaan wanneer het toepasselijke procesreglement vermeldt dat partijen kunnen verzoeken dat de mondelinge behandeling wordt gehouden ten overstaan van de meervoudige kamer die de beslissing zal nemen, zo is reeds in eerdere rechtspraak uitgemaakt. Met To Concept/CZ werd gedeeltelijk teruggekomen op Muetstege/Gemeente Amsterdam, op basis waarvan de plicht van gerechten om mededeling aan partijen te doen van een rechterswisseling verviel na de eerste uitspraak die op de mondelinge behandeling volgt, ook indien deze slechts strekte tot instructie van de zaak.


2.7

Wat de regels van het onmiddelijkheidsbeginsel meebrengen voor het geval een rechterswisseling plaatsvindt tussen twee mondelinge behandelingen, is uitgemaakt in een beschikking van 2 juni 2023, waar onderdeel 1 ook (terecht) beroep op doet. In deze familiezaak werd de mondelinge behandeling onderbroken wegens een wrakingsverzoek en op een andere dag voortgezet, waarbij een van de raadsheren was vervangen. Van deze rechterswissel waren partijen niet (vooraf) op de hoogte gebracht. Wel was van beide mondelinge behandelingen proces-verbaal opgemaakt. Toepassing van de regels van het onmiddelijksheidsbeginsel die hiervoor zijn besproken, leidde in die zaak tot vernietiging van de hofbeschikking. De Haan plaatst deze beschikking in de sleutel van het recht van partijen op een oral hearing (art. 6 EVRM). Wanneer partijen niet weten dat er een rechterswisseling is, kunnen zij zich daarop bij hun voorbereiding van de mondelinge behandeling niet prepareren, waardoor onvoldoende wordt gewaarborgd dat zij hun standpunt mondeling uiteen kunnen zetten ten overstaan van de rechters die over hun zaak beslissen. Daarom is ook een mededeling van de rechterswisseling ter zitting onvoldoende.

Bespreking van de klacht




2.8
Onderdeel 1 klaagt dat het hof het onmiddellijkheidsbeginsel en daarmee ook art. 6 EVRM heeft geschonden, omdat de combinatie van raadsheren tijdens de mondelinge behandeling op 13 februari 2025 een andere is geweest dan de combinatie van raadsheren tijdens de mondelinge behandeling op 10 juli 2025, die vervolgens ook het bestreden arrest heeft gewezen. De zaak is tijdens de eerste mondelinge behandeling inhoudelijk behandeld en voortgezet op de tweede mondelinge behandeling. Uit niets blijkt dat de mondelinge behandeling van 10 juli 2025 helemaal opnieuw is aangevangen; in rov. 3.3 geeft het hof aan dat op die mondelinge behandeling is voortgeborduurd op de eerste mondelinge behandeling van 13 februari 2025 en in het zittingsp-v, p. 2 en 4 wordt verwezen naar die eerdere zitting. De rechterswisseling die zich tussen de twee zittingen heeft voorgedaan is niet van tevoren, onder opgave van redenen voor de vervanging, aan de vader kenbaar gemaakt, zodat het arrest niet in stand kan blijven.


2.9

Deze klacht is volgens mij terecht voorgesteld. Blijkens het zittingsp-v van de mondelinge behandeling van 13 februari 2025 is de zaak daar inhoudelijk behandeld en zijn partijen in de gelegenheid gesteld hun standpunten toe te lichten. De zitting ging van start met het door beide ouders beantwoorden van de vraag hoe het nu met de kinderen gaat, hoe het contact met de andere ouder en met MetMaya verloopt en hoe een omgangsregeling volgens hen vorm moet krijgen. De voorzitter zegt dat hij deze zaak en daarmee ook deze ouders eerder heeft gezien, namelijk anderhalf jaar geleden. Hij probeert partijen aan te moedigen om inhoudelijk tot de kern te komen:
“Voorzitter: als ik dit hoor, dan vraag ik me wel af wat we hier vandaag nog doen? Waarom komt het niet van de grond? Wat is nu het grote probleem?”
Vervolgens worden partijen aangespoord om onderling tot een regeling te komen en wordt aan hen gevraagd om zich uit te laten over de door de vader gevorderde dwangsommen (zittingsp-v 13 februari 2025, p. 5-7):

“Voorzitter: ik heb goed naar iedereen geluisterd en ik kan de ouders op deze manier niet naar huis sturen. Ik stel voor dat de ouders met elkaar in overleg gaan en na de volgende zaak terugkomen. De raad kan daar in bemiddelen.’




Het hof schorst voor overleg tussen partijen. Na hervatting van de mondelinge behandeling geeft de voorzitter het woord aan de raadsvertegenwoordiger.





De raad: er zit nog veel oud zeer bij zowel de vader als de moeder, maar zij hebben praktische afspraken kunnen maken. Deze komen op het volgende neer:
- zaterdag 1 maart 2025 heeft de vader omgang met alle vier de kinderen van 10.00 uur tot 17.00 uur. De vader regelt een programma in de buurt van [plaats] en de moeder zal aan het begin van de omgang aansluiten voor [kind 2] . Als de moeder vertrekt, bepaalt [kind 2] zelf of hij wil blijven of niet;
- zaterdag 5 april 2025 doen de kinderen en de moeder mee met een mud run in [plaats] . De vader zal de kaarten regelen;
- woensdag 9 april 2025 is de vader jarig. De vader, de moeder en de kinderen gaan in de omgeving van [plaats] uit eten vanaf 17.45 uur;
- zaterdag 10 mei 2025 is er van 10.00 uur tot 17.00 uur omgang tussen de vader en de kinderen met dezelfde uitgangspunten als op 1 maart 2025; en
- daarna zal er iedere zondag van de maand contact zijn tussen de vader en de kinderen. Als [kind 3] niet bij deze omgang kan aansluiten, dan zal zij zelf met de vader een ander moment regelen.



Onder voorbehoud zijn de ouders tot slot overeengekomen dat, uitsluitend wanneer de kinderen dat willen, de vader en de kinderen een week vakantie samen doorbrengen van 25 augustus 2025 tot en met 31 augustus 2025. De moeder zal de kinderen stimuleren voor deze vakantie en de vader zal, als deze vakantieweek doorgaat, dit verder regelen.




Voorzitter: de ouders hebben nu samen afspraken gemaakt. Wat vinden de ouders daar zelf van?




De vader: het is oké.




De moeder: ik vind het spannend. Bij iedere verplichting gaat [kind 2] in de steigers. Hij wil niets doen wat moet, dus ik moet wel zien dat ik hem in de auto krijg.




Mr. Van Gemert: ik denk dat het heel goed is dat er een begin is gemaakt. Ik hoor nog wel veel angst en onzekerheid bij de vader. Er werd ook gevraagd naar de financiën. Dat is een heel heikel punt maar de financiën spelen wel een heel grote rol.




Voorzitter: wat moet het hof beslissen ten aanzien van de dwangsommen? Ik adviseer de vader om die vordering niet langer te handhaven. Dat werkt niet als de ouders samen afspraken maken.




Mr. Van Gemert: ik snap wat u zegt, maar ik begrijp ook de angst van de vader. Ik durf die vordering namens de vader niet zomaar in te trekken.




Voorzitter: het hof komt partijen tegemoet. Het hof zal kijken of het partijen lukt om uitvoering te geven aan deze regeling. Tot die tijd zal het hof de beslissing aanhouden.




De moeder: dan zit ik hier weer een dag. Ik wil naar school. Kunnen we de dwangsommen niet gewoon in stand laten en in mindering brengen op alle nog te betalen alimentatie?




Voorzitter: ik adviseer de vader om de vordering ten aanzien van de dwangsommen te laten vallen.




mr. Van Gemert: die kan ik later nog verzoeken.



De moeder verlaat huilend de zittingszaal.




De moeder (pratend terwijl zij weg loopt): ik doe enorm mijn best, maar ik vraag me wel af waarom ik dat doe als ik telkens weer met een mes in mijn rug word gestoken.



De voorzitter verwijst de zaak naar de roldatum van 1 juli 2025 voor uitlaten door de advocaat van de vader, of als de moeder tegen die tijd weer een advocaat heeft door de advocaat van zowel de vader als de advocaat van de moeder, over het verloop van de omgang tussen de vader en de kinderen. Daarnaast dienen partijen zich uit te laten over de gewenste voortzetting van de procedure. Dit kan onder meer zijn doorhaling of voortzetting van de mondelinge behandeling met opgave van verhinderdata en sluit de zitting.”



2.10
Uit dit zittingsp-v komt het beeld naar voren dat de eerste mondelinge behandeling een tweeledig doel had. Enerzijds is deze gebruikt om partijen de kans te geven hun stellingen toe te lichten, anderzijds is gepoogd partijen aan te zetten tot het treffen van een onderlinge regeling waardoor de procedure mogelijk tot een einde kon komen.


2.11

De vader heeft na de eerste mondelinge behandeling vervolgens te kennen gegeven voortzetting van de mondelinge behandeling te wensen, waaraan gevolg is gegeven. Op 10 juli 2025 is de mondelinge behandeling voortgezet door een zetel met een andere samenstelling, zodat sprake is van een rechterswisseling. Over deze rechterswisseling is door het hof geen mededeling gedaan aan partijen, niet voorafgaand aan de zitting en niet tijdens de zitting. Dat is desgevraagd door de griffie van het hof aan de cassatieadvocaat van de vader per e-mail bevestigd, zo blijkt uit bijlage 1 bij de PI. Ook van deze mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt, waarin door de voorzitter op pp. 2 en 4 wordt gerefereerd aan de eerdere mondelinge behandeling van 13 februari 2025:
(p.2)
“De voorzitter:
Er is al eerder, namelijk op 13 februari 2025, een mondelinge behandeling geweest. De zaak is toen aangehouden. Daarna zijn bij het hof de volgende stukken ingekomen:
- het journaalbericht namens de vader van 18 april 2025;
- het journaalbericht namens de vader van 6 mei 2025;
- het journaalbericht namens de vader van 28 mei 2025 met bijlagen.



Alle aanwezigen hebben verklaard kennis te hebben genomen van de genoemde stukken.”



(p.4)



“De voorzitter:
Het hof begreep tijdens de eerdere zitting in februari dat er wellicht toch wel mogelijkheden waren voor omgang. Hoe is dat nu?”



2.12
Daarop reageren de moeder, de raad voor de kinderbescherming en de advocaat van de vader. Het zittingsp-v vermeldt verder niets over de rechterswisseling, terwijl daar ook niet uit blijkt dat partijen de mogelijkheid is geboden om standpunten uit de eerste mondelinge behandeling te herhalen tegenover de nieuwe combinatie van raadsheren. Partijen hebben blijkens het zittingsp-v ook niets over de rechterswisseling gezegd tijdens de tweede mondelinge behandeling.


2.13

Het procesverloop in deze zaak lijkt sterk op dat van de besproken beschikking uit 2023, waar de klacht beroep op doet. Het bestreden arrest in onze zaak is mede gewezen op de grondslag van de mondelinge behandeling van 13 februari 2025, waarin partijen hun stellingen inhoudelijk hebben toegelicht, terwijl na deze mondelinge behandeling een rechterswisseling heeft plaatsgevonden zonder dat daarvan mededeling is gedaan aan partijen. Dat levert strijd op met het onmiddellijkheidsbeginsel, zodat onderdeel 1 gegrond is.

Ten aanzien van het spoedeisend belang





2.14

Bij de klacht van onderdeel 2 over de afwijzing van de gevraagde voorzieningen bij gebrek aan spoedeisend belang (rov. 3.3), bestaat vanwege het slagen van onderdeel 1 geen belang. Volledigheidshalve bespreek ik de klacht ook inhoudelijk.

Spoedeisend belang in kort geding in appel




2.15

Of voor een gevraagde voorziening in kort geding voldoende spoedeisend belang voorhanden is, vergt een rechterlijke belangenafweging beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak (in dit geval: in hoger beroep) die moet uitwijzen of het belang van eiser bij een voorlopige voorziening verhoudingsgewijs voldoende spoedeisend is. Ook zal de gevraagde voorziening steeds in verhouding moeten staan tot de mate waarin de situatie een voorziening vergt. Daarbij geldt dat de enkele omstandigheid dat eiser geruime tijd heeft laten verlopen voordat hij een kort geding aanhangig maakte om een voorlopige voorziening te krijgen een rol mag spelen in de beoordeling, maar op zichzelf onvoldoende is om het oordeel te rechtvaardigen dat eiser geen spoedeisend belang (meer) heeft.

De belangenafweging in kort geding ten aanzien van de nakoming van omgangsafspraken




2.16

Wanneer een kort geding wordt gevoerd met het oog op het effectueren van een omgangsregeling, spelen niet alleen de belangen van de ouders een rol maar ook die van de kinderen op wie de omgangsregeling betrekking heeft. Wanneer in kort geding nakoming wordt gevorderd van een door de rechter vastgestelde omgangsregeling door daaraan dwangmiddelen te verbinden, dient het belang van de betrokken kinderen door de rechter zelfs als maatstaf te worden gehanteerd. In omgangszaken speelt ook het internationaalrechtelijke kader een rol, dat dicteert dat de nationale autoriteiten, waaronder de rechter, zich zoveel mogelijk inspannen om het recht van een ouder op omgang met zijn of haar kinderen te effectueren. Van de rechter kan in die context ‘temeer een actieve opstelling worden verlangd naarmate voor de weigering van de met het gezag belaste ouder minder – of zelfs geen – goede en voldoende aannemelijk gemaakte gronden worden aangevoerd’.

Bespreking van de klacht




2.17

Onderdeel 2 klaagt (PI 3) over een onjuiste maatstaf bij de beoordeling van de spoedeisendheid hier, of een ontoereikende motivering voor de beoordeling van het spoedeisend belang van de vader bij het afdwingen van de omgangsregeling van bijna twee jaar geleden in kort geding. Het hof miskent dat het enkele feit dat de vader geen omgang heeft met zijn kinderen reeds naar zijn aard een spoedeisend belang met zich meebrengt, omdat vader een (fundamenteel) recht op omgang met zijn kinderen heeft. Het feit dat er geen omgang is, ondanks een bij het hof op de eerste zitting tot stand gekomen regeling tussen partijen, brengt al mee dat er spoedeisend belang is en het feit dat er al jaren geen contact is maakt de spoed juist groter: ieder gemist jaar maakt herstel moeilijker. Dat maakt dat hier sprake is van een onjuiste maatstaf of een motiveringsgebrek. Onderdeel 2 klaagt verder (PI 4) onder verwijzing naar de in voetnoot 26 aangehaalde uitspraak uit 2014 dat is miskend dat er op grond van art. 8 EVRM een zware inspanningsplicht op het hof rustte om op korte termijn alle in het gegeven geval gepaste maatregelen te nemen om de met het gezag belaste ouder ertoe te bewegen alsnog medewerking aan een omgangsregeling te verlenen. Het hof heeft deze plicht miskend door de vordering van de vader af te wijzen bij gebrek aan spoedeisend belang zonder al het redelijkerwijs mogelijke te doen om te bewerkstelligen dat een omgangsregeling tot stand komt; in die zin wordt volgens de klacht spoedeisend belang mede ingekleurd door de inspanningsplicht van art. 8 EVRM. Althans is dit oordeel ontoereikend gemotiveerd – mede in het licht van deze inspanningsplicht, nu er een evident spoedeisend belang voor de vader is bij omgang die al jaren niet van de grond komt, ook niet nadat partijen tijdens de eerste zitting in februari 2025 een regeling hadden getroffen, welke regeling het hof bijvoorbeeld zelf had kunnen opleggen.


2.18
De klacht miskent dat de kortgedingrechter een belangenafweging dient te maken tussen de belangen van partijen, die van de bij de omgangsregeling betrokken kinderen daarbij uitdrukkelijk inbegrepen; bij afdwingen van een omgangsregeling versterkt met dwangmiddelen zijn de belangen van die kinderen zelfs de maatstaf. De bestreden beoordeling in rov. 3.3 geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting op dit punt. Uit dit oordeel blijkt dat is beoordeeld of er voldoende spoedeisend belang bij de vader bestaat bij de gevorderde voorziening naar de toestand zoals die zich voordeed ten tijde van de beslissing in hoger beroep. Daarbij heeft niet alleen het tijdsverloop een rol gespeeld, maar ook de onttrekking van de GI en de pogingen die de afgelopen jaren zijn ondernomen in het kader van de omgang waarbij ook wordt geconstateerd dat geen van de instanties die de afgelopen jaren bij de kinderen betrokken zijn geweest een positief resultaat heeft weten te bereiken. Ondanks de vooropstelling door het hof dat het in zijn algemeenheid van belang is voor de identiteitsontwikkeling van een kind dat het contact kan hebben met beide ouders (en dat het hof in die zin nog achter de in zijn beschikking van 31 oktober 2023 vastgestelde omgangsregeling staat), wordt gelet op deze omstandigheden geconcludeerd dat de kinderen ‘al ruim voldoende belast [zijn] geweest’. Tegen deze achtergrond lijkt mij het oordeel over de spoedeisendheid hier niet rechtens onjuist en toereikend gemotiveerd.


2.19

De PI geeft onder 4 op zichzelf terecht aan dat hier uit hoofde van art. 8 EVRM op het hof een zware inspanningsplicht rustte om het recht van de vader op omgang met zijn kinderen te effectueren. Deze inspanningsplicht is echter niet onbegrensd. Schending van die plicht zie ik hier niet in het licht van bijvoorbeeld de Straatsburgse uitspraak Prizzia/Hongarije, een zaak over de rol van nationale autoriteiten om het recht op omgang van ouders met hun kinderen te effectueren op grond van art. 8 EVRM, en wel vanwege het doorslaggevende belang van de kinderen dat daarbij leidend is:
’33. The Court reiterates that the mutual enjoyment by parent and child of each other’s company constitutes a fundamental element of “family life” within the meaning of Article 8 of the Convention (see Monory v. Romania and Hungary, no. 71099/01, § 70, 5 April 2005).
34. The Court further reiterates that the essential object of Article 8 is to protect the individual against arbitrary action by public authorities. There are in addition positive obligations inherent in effective “respect” for family life. In both contexts regard must be had to the fair balance that has to be struck between the various interests involved, namely the interests of the child, the parents and other family members as well as the general interest in ensuring the respect for the rule of law; and in both contexts the State enjoys a certain margin of appreciation (see, for similar reasoning, Keegan v. Ireland, 26 May 1994, § 49, Series A no. 290). In cases of this type, the child’s interest must come before all other considerations (see Płaza v. Poland, no. 18830/07, § 71, 25 January 2011).
35. In relation to the State’s obligation to take positive measures, the Court has held that in cases concerning the implementation of the contact rights of one of the parents, Article 8 includes a parent’s right to the taking of measures with a view to his or her being reunited with the child and an obligation on the authorities to facilitate such reunion. In so far as the interests of the child so dictate, those authorities must do their utmost to preserve personal relations and, if and when appropriate, to “rebuild” the family. However, the State’s obligation is not one of result, but of means (see, among other authorities, Pascal v. Romania, no. 805/09, § 69, 17 April 2012).” (Onderstrepingen A-G)



2.20
Dat het hof hier het juiste vizier voor ogen had, volgt uit de zittingsp-v’s van de mondelinge behandelingen van 13 februari 2025 en 10 juli 2025 en uit rov. 3.3. Het hof heeft zich ingespannen om de omgang tussen de vader en zijn kinderen te effectueren. Tijdens de eerste mondelinge behandeling heeft het hof partijen met elkaar in overleg laten treden over de omgang, onder bemiddeling van de raad voor de kinderbescherming. Tijdens de tweede mondelinge behandeling is geïnventariseerd of er nog meerwaarde valt te behalen in de vorm van benoeming van een bijzondere curator. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat de belangen van de kinderen er op dit moment niet bij gebaat zijn om zo’n bijzondere curator te benoemen gelet op de vele instanties die in de afgelopen jaren geen positief resultaat hebben kunnen bereiken (genoemd worden: ‘de raad, Save in het kader van de OTS, het [wijkteam] , MetMaya, Foss en Partners, Jeugd Stem, Stichting KOG, het NIFP en de politie’). De conclusie van het hof is duidelijk: ‘De kinderen zijn al ruim voldoende belast geweest’. Hieruit valt af te leiden dat het hof, als een van de vele instanties die van overheidswege betrokken zijn geweest bij het gezin, heeft voldaan aan de op hem rustende inspanningsverbintenis, ook al hebben deze inspanningen niet tot het gewenste resultaat geleid. Daar ketst deze nadere klacht inhoudelijk op af.




3Conclusie
Ik concludeer tot vernietiging en verwijzing.


De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G




Ontleend aan: Rb. Midden-Nederland, vonnis in kort geding van 17 oktober 2024, zaaknr. C/16/581087 KG ZA 24-457, rov. 2.1-2.9 en het bestreden arrest: Hof Arnhem-Leeuwarden 19 augustus 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:5133, rov. 2.1-2.9.


Asser Procesrecht/Asser 3 2023/77; Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2026/263a; D. de Groot, Rechtsregels met betrekking tot de mondelinge behandeling, in: D. de Groot & H. Steenberghe (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, 2019, p. 149.


HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3076, NJ 2015/181, m.nt. W.D.H. Asser; BR 2014/139 m.nt. E.W.J. de Groot; AA 20160185 m.nt. C.J.M. Klaassen; JBPr 2015/18 m.nt. G. van Rijssen; JIN 2014/225 m.nt. N. de Boer.


J.P. de Haan & M.R.T. Pauwels, Personele eenheid van behandeling en uitspraak. Over HR 31 oktober 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3076), TCR 2016, nr. 1, p. 1.


Voor een overzicht herhaal ik hier voetnoot 4 uit mijn conclusie van 21 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1280: HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, JBPr 2016/46 m.nt. G. van Rijssen, NJ 2019/144 m.nt. W.D.H. Asser; HR 7 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1266; HR 30 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:484, TRA 2018/61 m.nt. F.M. Dekker, NJ 2018/353 m.nt. W.H.A.C.M. Bouwens, JIN 2018/109 m.nt. C. Vogel, JAR 2018/109 m.nt. J. Dop; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, NJ 2019/146 m.nt. W.D.H. Asser, JAR 2018/183 m.nt. J.P. Quist, JIN 2018/149 m.nt. E.A. Glazener, TRA 2018/99 m.nt. E. van Vliet, JBPr 2019/2 m.nt. G. van Rijssen (FNV/Pontmeyer); HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:569, JBPr 2019/44 m.nt. Red.; HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:106, NJ 2019/140, m.nt. E. Verhulp; HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271, NJ 2019/147 m.nt. W.D.H. Asser; HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:569, JBPr 2019/44 m.nt. Red.; HR 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1281, JIN 2019/163 m.nt. N.A. van Loon; HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472, NJ 2022/86, m.nt. H.J. Snijders, JIN 2020/62 m.nt. N.A. van Loon, JBPr 2020/42 m.nt. J. Verstoep, AB 2021/148 m.nt. R. Stijnen; HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, JIN 2020/81 m.nt. R.J.G. Mengelberg, JBPr 2020/44 m.nt. T. van Malssen, NJ 2022/87 m.nt. H.J. Snijders; HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1712, JIN 2020/178 m.nt. N. de Boer; HR 30 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1711, NJ 2022/88, m.nt. H.J. Snijders, JIN 2020/177 m.nt. N. de Boer; HR 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:114, JIN 2025/29 m.nt. M.A.J.G. Janssen, JIN 2025/43 m.nt. E.P.C. Duinkerke & F.R. Menger, V-N 2025/18.24 29 m.nt. Redactie JOR 2025/103 29 m.nt. R.R. Verkerk, JBPr 2025/34 29 m.nt. Th.D. van der Sanden; HR 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:162, NJ 2025/127, m.nt. J. Legemaate, JBPR 2025/35, m.nt. Th.D. van der Sanden. Daaraan kan nu worden toegevoegd: HR 30 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:129 (art. 81 RO); HR 13 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:243 (art. 81 RO) en HR 29 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:805, NJ 2026/189. Zie voor een overzicht tot en met 2023: J.P. de Haan, In het moeras der rechtsvorming. De regels over de rechterswisseling in de civiele procedure, AA 2023/0257.


HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, NJ 2019/145, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.3.1; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, JBPr 2018/30 m.nt. G. van Rijssen, rov. 3.3.1.


Asser Procesrecht/Asser 3 2023/78.


HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, NJ 2019/145, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.3.2; HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, JBPr 2018/30 m.nt. G. van Rijssen, rov. 3.3.2.


D. de Groot, Rechtsregels met betrekking tot de mondelinge behandeling, in: D. de Groot & H. Steenberghe (red.), De mondelinge behandeling in civiele zaken, 2019, p. 149; Asser Procesrecht/Asser 3 2023/79.


HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, NJ 2019/145, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.5.1, HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, JBPr 2018/30 m.nt. G. van Rijssen, rov. 3.5.1.


HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3264, NJ 2019/145, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.5.2, HR 22 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3259, JBPr 2018/30 m.nt. G. van Rijssen, rov. 3.5.2.


HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:726, JIN 2020/81 m.nt. R.J.G. Mengelberg, JBPr 2020/44 m.nt. T. van Malssen, NJ 2022/87 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2.2. Zie ook mijn conclusie van 21 november 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1280, 3.6.


Conclusie A-G Assink van 12 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1364, onder 3.14 en de daar aangehaalde rechtspraak en literatuur.


HR 20 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:472, JIN 2020/62 m.nt. N.A. van Loon, JBPr, m.nt. J. Verstoep, AB 2021/148, m.nt. R. Stijnen, NJ 2022/86 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.4.2-3.4.3.


Conclusie A-G Assink van 12 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1365, onder 3.7


HR 22 februari 2019, ECLI:NL:HR:2019:271, NJ 2019/147, m.nt. W.D.H. Asser, rov. 3.4.1; HR 25 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:106, NJ 2019/140, m.nt. E. Verhulp, rov. 4.1.3; HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:976, JAR 2018/183, m.nt. J.P. Quist, JIN 2018/149, m.nt. E.A. Glazener, TRA 2018/99, m.nt. E. van Vliet, JBPr 2019/2, m.nt. G. van Rijssen, NJ 2019/146, m.nt. W.D.H. Asser (FNV/Pontmeyer), rov. 4.1.5; en HR 22 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:971 (X/Holland Schemering BV), rov. 3.4.4.


HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:662, NJ 2019/144, m.nt. W.D.H. Asser, JBPr 2016/46, m.nt. G. van Rijssen, rov. 3.7.3.


HR 2 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:826, JBPr 2023/75, m.nt. redactie.


J.P. de Haan, De rechterswisseling tussen twee mondelinge behandelingen, TvPP 2024-6, p. 181-182.


Enige aarzeling is gerechtvaardigd of er geen belangbeletsel bestaat bij casseren op deze grond, nu niet goed denkbaar lijkt dat voortgang bij een verwijzingshof een andere uitkomst dan afwijzing van de gevraagde voorzieningen zal opleveren. Die voorziening betreft immers nakoming van een inmiddels al bijna 3 jaar geleden vastgestelde omgangsregeling in omstandigheden van destijds die nu ingrijpend zijn veranderd. Maar een kortgedingrechter heeft een grote mate van vrijheid bij het treffen van hem geraden geachte voorlopige voorzieningen en dat zal na verwijzing door het verwijzingshof een nadere feitelijke beoordeling vergen naar de omstandigheden van de inmiddels ontstane situatie, nu – zoals hierna bij de bespreking ten overvloede van onderdeel 2 zal blijken – daarbij steeds leidend is het belang van de kinderen. Ten tijde van het nemen van de beslissing door het verwijzingshof kunnen de alsdan te wegen belangen van die minderjarige kinderen mogelijk een andere uitkomst indiceren en ik meen dat dat de aarzeling over het belangbeletsel doet verdwijnen.


Asser Procesrecht/Boonekamp 6 2024/66, HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV3385, NJ 2006/295 (Nieuwe Revue/Medisch Centrum Boerhaave).


Asser Procesrecht/Boonenkamp 6 2024/70.


HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553, NJ 2003/78, m.nt. P.A. Stein (Gemeente Groningen/ […]).


HR 24 maart 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5260, NJ 2000/356, HR 26 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1973, NJ 1996/355.


Zie Asser Personen- en Familierecht/Kolkman & Salomons 1-I 2026/564.


HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014/154 m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2014/33, m.nt. M.M. Schouten, rov. 3.5.


Onder verwijzing naar HR 17 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:91, NJ 2014/154 m.nt. S.F.M. Wortmann, JIN 2014/33 m.nt. M.M. Schouten, rov. 3.3: de niet met gezag belaste ouder heeft op grond van art. 8 EVRM en art. 1:377a lid 1 BW recht op omgang.


EHRM 11 juni 2013, ECLI:CE:ECHR:2013:0611JUD002025512 (Prizzia/Hongarije). Vgl. R.R.J.A. Oli-Hallmans, H. Holtjer & J.A.M. Hendriks, Contactverlies met een ouder na scheiding; de juridische aspecten, Tijdschrift Relatierecht en Praktijk, 2020, nr. 2, p. 42, en Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/564. Ook in EHRM 13 januari 2015, ECLI:CE:EHCR:2015:0113JUD004660011 (Manic/Lithuania), punten 101-104, wordt benadrukt dat de hier bedoelde verplichting niet absoluut is en dat ruimte voor ‘coercion’ daarbij minimaal is gelet op het doorslaggevende belang van het kind hier; zie ook mijn conclusie in de prejudiciële zaak over de rol van het art. 3 IVRK bij ontruimingen van huurwoningen, ECLI:NL:PHR:2025:728 onder 6.37-6.38 en 6.40 met verdere verwijzingen.