Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2026:843
2026-09-04
Civiel recht; Personen- en familierecht
25/02768
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Vervolg van HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531. Uitleg van uiterste wilsbeschikking. Klachten over achterwege blijven van bewijslevering.
Citeert (7)
- ECLI:NL:HR:2023:1531 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1531 Hoge Raad 10-11-2023
- ECLI:NL:RBGEL:2019:1936 Rechtbank Gelderland 08-05-2019
- ECLI:NL:GHARL:2022:2169 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-03-2022
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1396 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 20-05-2025
- ECLI:NL:HR:2019:590 Hoge Raad 12-04-2019
- ECLI:NL:GHARL:2022:2169 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 22-03-2022
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.020 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02768
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[eiser]
tegen
1. [verweerster 1]
2. [verweerder 2]
3. [verweerder 3]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk [verweerders]
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep en in relatief weinig woorden kan worden gezegd waarom. Ook de steller van het middel heeft het trouwens kort gehouden, wat uiteraard verdienstelijk is.
Deze zaak is het vervolg van het arrest van uw Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531. De zaak betreft de uitleg van een uiterste wilsbeschikking. Erflater heeft in 2006 zijn toenmalige echtgenote tot erfgenaam benoemd onder de voorwaarde dat hun huwelijk op het moment van zijn overlijden nog zou bestaan. Subsidiair heeft hij zijn broer tot erfgenaam benoemd. In 2009 is erflater van zijn eerste echtgenote gescheiden en is hij opnieuw gehuwd. Met zijn tweede echtgenote heeft hij twee kinderen gekregen. Dit huwelijk bestond nog op het moment van zijn overlijden in 2017.
3. Heel kort gezegd oordeelde de rechtbank dat [eiser] aan het testament van erflater geen rechten kan ontlenen en dat [verweerders] krachtens versterferfrecht de erfgenamen van erflater zijn.
4. Het hof vóór verwijzing oordeelde dat, kort gezegd, zonder aanknopingspunten in de tekst van het testament, een uitleg van de subsidiaire erfstelling volgens welke die niet geldt in de situatie zoals die ten tijde van het overlijden van erflater was geworden (hertrouwd en twee kinderen), niet mogelijk is. Dat bracht dat hof tot de uitkomst dat [eiser] krachtens de in het testament opgenomen subsidiaire erfstelling erfgenaam is.
5. In het genoemde arrest van 10 november 2023 heeft uw Raad onder meer overwogen dat de omstandigheid dat erflater in zijn testament niet was vooruitgelopen op de latere wijziging in zijn huwelijks- en gezinssituatie niet meebrengt dat die wijziging bij de uitleg van het testament geen rol kan spelen (onder 3.2.2). Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kán volgens uw Raad een uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan (onder 3.2.1).
6. Het hof na verwijzing heeft de door partijen gewisselde argumenten voor de ene dan wel andere uitleg van de uiterste wil van erflater in rechtsoverwegingen 6.5.1 tot en met 6.5.10 uitvoerig besproken. Die overwegingen hebben dat hof gebracht tot de uitleg volgens welke de in het testament van de erflater opgenomen uiterste wil niet was bedoeld voor de gewijzigde omstandigheden (dat wil zeggen de gewijzigde omstandigheden van het hertrouwen door erflater en het krijgen van twee kinderen uit dat nieuwe huwelijk). Het hof na verwijzing heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
7. Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor nadere bewijslevering. Volgens het middel onder 2heeft het hof miskend dat op [verweerders] de stelplicht en bewijslast rusten van de door hun gestelde feiten en omstandigheden waaruit kan blijken dat na het opmaken van de uiterste wil de feitelijke verhoudingen niet langer aansloten bij wat de erflater kennelijk in zijn testament wenste te regelen. Voor zover het hof zich zou hebben gebaseerd op het oordeel dat de bedoelde feiten en omstandigheden voorshands vaststaan, zou het hof volgens het middel onder 3 hebben miskend dat [eiser] tegenbewijs heeft aangeboden. [eiser] had zijn stelling volgens het middel onder 4 dat de erflater de intentie had om hem ( [eiser] ) te belonen voor het opbouwen van de onderneming, voldoende onderbouwd en het niet toelaten door het hof tot bewijs daarvan komt neer op een verboden prognose over het resultaat van bewijslevering, dan wel is onbegrijpelijk gemotiveerd.
8. Klopt het vertrekpunt van het middel dat [verweerders] de stelplicht en bewijslast dragen? Materieel mijns inziens niet. Materieel is het zo dat als er geen uiterste wil is die iemand tot erfgenaam aanwijst, het versterferfrecht geldt. Daarbij past mijns inziens om aan te nemen dat [eiser] volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en bewijslast draagt met betrekking tot de feiten waaruit volgt dat hij bij uiterste wil van de erflater tot erfgenaam is aangewezen. Het hof vóór verwijzing had echter geoordeeld dat [verweerders] hun stellingen over de uitleg die zij geven aan de erfstelling van [eiser] moeten bewijzen. In het cassatieberoep dat heeft geleid tot het arrest van 10 november 2023 hebben [verweerders] tegen dat oordeel geen klacht gericht, met als gevolg dat het hof na verwijzing aan dat oordeel gebonden was. Om processuele redenen klopt bedoeld vertrekpunt dus op zichzelf toch wel.
9. Dat kan [eiser] echter niet baten. Het hof na verwijzing heeft zijn oordeel met betrekking tot de uitleg van de uiterste wil van erflater namelijk niet gegrond op feiten of omstandigheden waarvan de feitelijke juistheid tussen partijen in geschil is. In plaats daarvan heeft het hof zich gebaseerd op een waardering van de feiten zoals die tussen partijen vaststaan (in het bijzonder de tekst van het testament, een door erflater afgesloten levensverzekering en de omstandigheid dat de erflater zijn testament nooit heeft herroepen). Volgens het hof heeft [eiser] zich voor zijn standpunt omtrent de uitleg van het testament niet beroepen op concrete feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden (arrest onder 6.5.9). Dát is de reden dat het hof aan bewijslevering niet is toegekomen.
10. In dit verband is van belang zich te realiseren dat een oordeel over de uitleg van een rechtshandeling een gemengd oordeel is, namelijk een oordeel naar aanleiding van de relevante feiten aan de hand van de toepasselijke uitlegmaatstaf. Ook de stelling van [eiser] dat de erflater de bedoeling had om hem te belonen voor het opbouwen van de onderneming is niet zomaar een feitelijke stelling die zich als zodanig voor bewijs leent. Het zou anders zijn als [eiser] zich voor de door hem verdedigde uitleg zou hebben beroepen op daden en verklaringen van de erflater of eventueel andere feitelijkheden die het hof buiten beschouwing zou hebben gelaten op de grond dat zij niet vaststonden. Maar dat doet zich niet voor. Ook is het hof niet uitgegaan van enigerlei bewijsprognose.
11. Op het voorgaande stuiten de klachten over het niet toekomen door het hof aan bewijslevering alle af.
12. Zekerheidshalve nog het volgende. Voor zover we in het middel onder 4 zouden lezen dat [eiser] – ook afgezien van het achterwege blijven van bewijslevering – erover klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van zijn onderbouwde stelling dat de erflater hem heeft willen belonen voor het opbouwen van de onderneming, faalt ook die klacht. Het hof heeft de bedoelde stelling uitvoerig besproken en op mijns inziens alleszins begrijpelijke gronden verworpen. Volgens het arrest van het hof onder 6.5.3 kan niet juist zijn dat de erflater de bedoeling had om [eiser] te belonen omdat de in het testament opgenomen erfstelling subsidiair van aard was. Volgens het hof is van niet meer sprake dan een (niet aannemelijke) veronderstelling van [eiser] . Onder 6.5.4 onderzoekt het hof of uit de door de erflater afgesloten levensverzekering mogelijk alsnog de beweerde beloningsbedoeling volgt. Ook dat gaat volgens het hof niet op, onder meer omdat [eiser] niet als eerste begunstigde is vermeld. Onder 6.5.6-6.5.8 onderzoekt het hof vervolgens nog wikkend en wegend of de omstandigheid dat de erflater geen vervolg heeft gegeven aan een concepttestament uit 2010 mogelijk kan worden opgevat als een bevestiging van het standpunt van [eiser] . Ook dat gaat volgens het hof niet op. Tegen al deze overwegingen richt het middel als zodanig geen klachten.
13. Mijns inziens kan de zaak met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531, NJ 2024/146 m.nt. S. Perrick, AA20240056 m.nt. A.J.M. Nuytinck, JERF 2024/33 m.nt. L.A.G.M. van der Geld.
Rb. Gelderland (zittingsplaats Zutphen) 8 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1936.
Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) 20 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2022:2169.
Hof ‘s-Hertogenbosch 20 mei 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1396.
Onder 1 van het middel lees ik niet een zelfstandige klacht, maar een inleiding op de klachten zoals die onder 2-4 volgen.
Daaraan doet mijns inziens niet af dat [verweerders] een zogenaamde negatieve verklaring voor recht hebben gevorderd, namelijk een verklaring voor recht dat [eiser] geen rechten kan ontlenen aan het testament van 21 juli 2006. Niet de vormgeving van die vordering maar de onderliggende rechtsverhouding is voor de bewijslastverdeling bepalend. In HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, onder 4.2.2, behoort niet iets anders te worden gelezen. Vergelijk: T.F.E. Tjong Tjin Tai, NJ 2019/238, onder 3; Asser Procesrecht/Asser 3 2023/287a; F.J.P. Lock, ‘De verdeling van stelplicht en bewijslast bij de (negatieve) verklaring voor recht’, TvPP 2019, p. 78 e.v.; F.J.P. Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:302 BW (actueel t/m 1-09-2025).
Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) 20 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2022:2169, onder 3.2.
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02768
Zitting 4 september 2026
CONCLUSIE
W.L. Valk
In de zaak
[eiser]
tegen
1. [verweerster 1]
2. [verweerder 2]
3. [verweerder 3]
Partijen worden hierna verkort aangeduid als [eiser] respectievelijk [verweerders]
Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep en in relatief weinig woorden kan worden gezegd waarom. Ook de steller van het middel heeft het trouwens kort gehouden, wat uiteraard verdienstelijk is.
Deze zaak is het vervolg van het arrest van uw Raad 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531. De zaak betreft de uitleg van een uiterste wilsbeschikking. Erflater heeft in 2006 zijn toenmalige echtgenote tot erfgenaam benoemd onder de voorwaarde dat hun huwelijk op het moment van zijn overlijden nog zou bestaan. Subsidiair heeft hij zijn broer tot erfgenaam benoemd. In 2009 is erflater van zijn eerste echtgenote gescheiden en is hij opnieuw gehuwd. Met zijn tweede echtgenote heeft hij twee kinderen gekregen. Dit huwelijk bestond nog op het moment van zijn overlijden in 2017.
3. Heel kort gezegd oordeelde de rechtbank dat [eiser] aan het testament van erflater geen rechten kan ontlenen en dat [verweerders] krachtens versterferfrecht de erfgenamen van erflater zijn.
4. Het hof vóór verwijzing oordeelde dat, kort gezegd, zonder aanknopingspunten in de tekst van het testament, een uitleg van de subsidiaire erfstelling volgens welke die niet geldt in de situatie zoals die ten tijde van het overlijden van erflater was geworden (hertrouwd en twee kinderen), niet mogelijk is. Dat bracht dat hof tot de uitkomst dat [eiser] krachtens de in het testament opgenomen subsidiaire erfstelling erfgenaam is.
5. In het genoemde arrest van 10 november 2023 heeft uw Raad onder meer overwogen dat de omstandigheid dat erflater in zijn testament niet was vooruitgelopen op de latere wijziging in zijn huwelijks- en gezinssituatie niet meebrengt dat die wijziging bij de uitleg van het testament geen rol kan spelen (onder 3.2.2). Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kán volgens uw Raad een uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan (onder 3.2.1).
6. Het hof na verwijzing heeft de door partijen gewisselde argumenten voor de ene dan wel andere uitleg van de uiterste wil van erflater in rechtsoverwegingen 6.5.1 tot en met 6.5.10 uitvoerig besproken. Die overwegingen hebben dat hof gebracht tot de uitleg volgens welke de in het testament van de erflater opgenomen uiterste wil niet was bedoeld voor de gewijzigde omstandigheden (dat wil zeggen de gewijzigde omstandigheden van het hertrouwen door erflater en het krijgen van twee kinderen uit dat nieuwe huwelijk). Het hof na verwijzing heeft het vonnis van de rechtbank bekrachtigd.
7. Het cassatiemiddel klaagt dat het hof ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor nadere bewijslevering. Volgens het middel onder 2heeft het hof miskend dat op [verweerders] de stelplicht en bewijslast rusten van de door hun gestelde feiten en omstandigheden waaruit kan blijken dat na het opmaken van de uiterste wil de feitelijke verhoudingen niet langer aansloten bij wat de erflater kennelijk in zijn testament wenste te regelen. Voor zover het hof zich zou hebben gebaseerd op het oordeel dat de bedoelde feiten en omstandigheden voorshands vaststaan, zou het hof volgens het middel onder 3 hebben miskend dat [eiser] tegenbewijs heeft aangeboden. [eiser] had zijn stelling volgens het middel onder 4 dat de erflater de intentie had om hem ( [eiser] ) te belonen voor het opbouwen van de onderneming, voldoende onderbouwd en het niet toelaten door het hof tot bewijs daarvan komt neer op een verboden prognose over het resultaat van bewijslevering, dan wel is onbegrijpelijk gemotiveerd.
8. Klopt het vertrekpunt van het middel dat [verweerders] de stelplicht en bewijslast dragen? Materieel mijns inziens niet. Materieel is het zo dat als er geen uiterste wil is die iemand tot erfgenaam aanwijst, het versterferfrecht geldt. Daarbij past mijns inziens om aan te nemen dat [eiser] volgens de hoofdregel van art. 150 Rv de stelplicht en bewijslast draagt met betrekking tot de feiten waaruit volgt dat hij bij uiterste wil van de erflater tot erfgenaam is aangewezen. Het hof vóór verwijzing had echter geoordeeld dat [verweerders] hun stellingen over de uitleg die zij geven aan de erfstelling van [eiser] moeten bewijzen. In het cassatieberoep dat heeft geleid tot het arrest van 10 november 2023 hebben [verweerders] tegen dat oordeel geen klacht gericht, met als gevolg dat het hof na verwijzing aan dat oordeel gebonden was. Om processuele redenen klopt bedoeld vertrekpunt dus op zichzelf toch wel.
9. Dat kan [eiser] echter niet baten. Het hof na verwijzing heeft zijn oordeel met betrekking tot de uitleg van de uiterste wil van erflater namelijk niet gegrond op feiten of omstandigheden waarvan de feitelijke juistheid tussen partijen in geschil is. In plaats daarvan heeft het hof zich gebaseerd op een waardering van de feiten zoals die tussen partijen vaststaan (in het bijzonder de tekst van het testament, een door erflater afgesloten levensverzekering en de omstandigheid dat de erflater zijn testament nooit heeft herroepen). Volgens het hof heeft [eiser] zich voor zijn standpunt omtrent de uitleg van het testament niet beroepen op concrete feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden (arrest onder 6.5.9). Dát is de reden dat het hof aan bewijslevering niet is toegekomen.
10. In dit verband is van belang zich te realiseren dat een oordeel over de uitleg van een rechtshandeling een gemengd oordeel is, namelijk een oordeel naar aanleiding van de relevante feiten aan de hand van de toepasselijke uitlegmaatstaf. Ook de stelling van [eiser] dat de erflater de bedoeling had om hem te belonen voor het opbouwen van de onderneming is niet zomaar een feitelijke stelling die zich als zodanig voor bewijs leent. Het zou anders zijn als [eiser] zich voor de door hem verdedigde uitleg zou hebben beroepen op daden en verklaringen van de erflater of eventueel andere feitelijkheden die het hof buiten beschouwing zou hebben gelaten op de grond dat zij niet vaststonden. Maar dat doet zich niet voor. Ook is het hof niet uitgegaan van enigerlei bewijsprognose.
11. Op het voorgaande stuiten de klachten over het niet toekomen door het hof aan bewijslevering alle af.
12. Zekerheidshalve nog het volgende. Voor zover we in het middel onder 4 zouden lezen dat [eiser] – ook afgezien van het achterwege blijven van bewijslevering – erover klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is in het licht van zijn onderbouwde stelling dat de erflater hem heeft willen belonen voor het opbouwen van de onderneming, faalt ook die klacht. Het hof heeft de bedoelde stelling uitvoerig besproken en op mijns inziens alleszins begrijpelijke gronden verworpen. Volgens het arrest van het hof onder 6.5.3 kan niet juist zijn dat de erflater de bedoeling had om [eiser] te belonen omdat de in het testament opgenomen erfstelling subsidiair van aard was. Volgens het hof is van niet meer sprake dan een (niet aannemelijke) veronderstelling van [eiser] . Onder 6.5.4 onderzoekt het hof of uit de door de erflater afgesloten levensverzekering mogelijk alsnog de beweerde beloningsbedoeling volgt. Ook dat gaat volgens het hof niet op, onder meer omdat [eiser] niet als eerste begunstigde is vermeld. Onder 6.5.6-6.5.8 onderzoekt het hof vervolgens nog wikkend en wegend of de omstandigheid dat de erflater geen vervolg heeft gegeven aan een concepttestament uit 2010 mogelijk kan worden opgevat als een bevestiging van het standpunt van [eiser] . Ook dat gaat volgens het hof niet op. Tegen al deze overwegingen richt het middel als zodanig geen klachten.
13. Mijns inziens kan de zaak met toepassing van art. 81 RO worden afgedaan.
Conclusie
De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G
HR 10 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1531, NJ 2024/146 m.nt. S. Perrick, AA20240056 m.nt. A.J.M. Nuytinck, JERF 2024/33 m.nt. L.A.G.M. van der Geld.
Rb. Gelderland (zittingsplaats Zutphen) 8 mei 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:1936.
Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) 20 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2022:2169.
Hof ‘s-Hertogenbosch 20 mei 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:1396.
Onder 1 van het middel lees ik niet een zelfstandige klacht, maar een inleiding op de klachten zoals die onder 2-4 volgen.
Daaraan doet mijns inziens niet af dat [verweerders] een zogenaamde negatieve verklaring voor recht hebben gevorderd, namelijk een verklaring voor recht dat [eiser] geen rechten kan ontlenen aan het testament van 21 juli 2006. Niet de vormgeving van die vordering maar de onderliggende rechtsverhouding is voor de bewijslastverdeling bepalend. In HR 12 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:590, onder 4.2.2, behoort niet iets anders te worden gelezen. Vergelijk: T.F.E. Tjong Tjin Tai, NJ 2019/238, onder 3; Asser Procesrecht/Asser 3 2023/287a; F.J.P. Lock, ‘De verdeling van stelplicht en bewijslast bij de (negatieve) verklaring voor recht’, TvPP 2019, p. 78 e.v.; F.J.P. Lock, Stelplicht & Bewijslast, commentaar op art. 3:302 BW (actueel t/m 1-09-2025).
Hof Arnhem-Leeuwarden (locatie Arnhem) 20 april 2021, ECLI:NL:GHARL:2022:2169, onder 3.2.