Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:801

2026-09-29 Strafrecht 25/01644
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-09-29
Publicatiedatum
2026-08-17
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
25/01644
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Conclusie AG. Gekwalificeerde diefstal (art. 311 Sr). Het middel, dat klaagt over de motivering van de strafoplegging, slaagt voor zover dat betrekking heeft op de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, en faalt voor het overige. De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (17.073 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN




Nummer 25/01644

Zitting 29 september 2026



CONCLUSIE



V.M.A. Sinnige



In de zaak




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
hierna: de verdachte





1Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 15 april 2025 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem (parketnr. 21-004675-22) wegens “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met aftrek van de tijd overeenkomstig art. 27 Sr. Het hof heeft daarnaast een personenauto (Volkswagen Passat) verbeurdverklaard en de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven.


1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. P.J. Verbeek, advocaat in Ede (Gld), heeft één middel van cassatie voorgesteld.




2Het middel

2.1
Het middel richt zich tegen de motivering van de strafoplegging.


2.2
Blijkens de aan het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep gehechte pleitnotities heeft de raadsman van de verdachte onder meer het volgende naar voren gebracht (zonder overneming van voetnoten):


“Strafmodaliteit en strafhoogte



5. Blijkens het Nederlandse en Litouwse Uittreksel Justitiële documentatie heeft cliënt geen antecedenten. Niet voorafgaande aan onderhavig feit maar ook niet meer daarna. En daarmee heeft hij zijn belofte bij de rechtbank vooralsnog niet gebroken: “Het spijt mij van wat ik heb gedaan. Ik hoop dat de rechtbank een milde straf geeft. Ik heb mijn les geleerd en het zal nooit meer gebeuren. In Litouwen heb ik mijn leven op de rails.”.



(…)



13. De oriëntatiepunten voor straftoemeting en LOVS- afspraken, zoals in maart 2025 opgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, noemen als oriëntatiepunt 3 maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf bij een inbraak woning door een first offender. De daarbij genoemde strafverzwarende omstandigheden, de zogenaamde Omstandigheden die van belang zijn bij de straftoemeting, doen zich ons inziens niet voor.



14. Het vonnis van de rechtbank dateert van 25 oktober 2022. Uw hof zal vermoedelijk op 15 april 2025 arrest wijzen. Dat is op enkele dagen na 2,5 jaren na de uitspraak in eerste aanleg. Indachtig hetgeen de Hoge Raad overwoog in zijn standaardarrest, kan worden gesteld dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden in hoger beroep, hetgeen dient te leiden tot strafvermindering.



15. Client is op 27 juni in verzekering gesteld en heeft in hechtenis doorgebracht tot en met 12 augustus 2022. Dat is een periode van 46 dagen. Wellicht kan worden overwogen om aan cliënt een onvoorwaardelijke straf op te leggen conform voorarrest en voor het overige een voorwaardelijke straf.



16. Want heeft het alsnog opleggen van een straf nog een toegevoegde waarde? Met andere woorden, welk nut heeft het nog om een aanvullende straf op te leggen? Ik denk dat in het concrete geval van [verdachte] van de aanhouding, de dagen op het bureau en de toepassing van voorlopige hechtenis zowel een speciaal als een generaal preventieve werking is uitgegaan. Cliënt laat het wel uit zijn hoofd om nogmaals betrokken te raken bij zaken die het daglicht niet kunnen verdragen. Verdachten van inbraak worden immers midden in de nacht beschoten door de politie, zo is de ervaring van cliënt. En dat is geen goede reclame voor Nederland; personen in Litouwen die overwegen het Nederlandse boevenpad op te gaan zullen dat wel uit een hoofd laten. Ik denk dan ook dat het gevaar voor recidive laag is.



17. De enkele omstandigheid dat de verdachte in een andere lidstaat van de Europese Unie dan Nederland woonachtig is, meer in het bijzonder Litouwen, staat niet in de weg aan de oplegging van een taakstraf, aldus de Hoge Raad.



18. De WETS kent een facultatieve weigeringsgrond voor overname van een straf: artikel 3:13 indien sprake is van een taakstraf <80 uren. De WETS is een uitvloeisel van diverse kaderbesluiten dus zal de Litouwse equivalent een soortgelijke bepaling bevatten. Dus teneinde straffeloosheid te voorkomen aangezien een straf niet kan worden overgenomen, is het van belang om een taakstraf op te leggen hoger dan 80 uren.



19. Alles bij elkaar in ogenschouw gehouden, de omstandigheden waaronder cliënt is aangehouden (er is geschoten) en de eerste dagen zoals hij heeft moeten doorbrengen op het politiebureau, tevens kijkend naar de richtlijnen en de persoonlijke omstandigheden, acht ik het opportuun om uw hof te verzoeken aan cliënt naast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 46 dagen een taakstraf 88 uren op te leggen. 88 uren correspondeert met 44 dagen hechtenis en dat zou totale onvoorwaardelijke straf van 90 dagen en dus 3 maanden opleveren. Conform richtlijnen LOVS voor inbraak.”



2.3
Het hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:


“De advocaat-generaal heeft gevorderd verdachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 120 dagen waarvan 73 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en tot oplegging van een taakstraf voor de duur van 180 uren. De advocaat-generaal zoekt aansluiting bij de Richtlijn voor strafvordering van mobiel banditisme. Rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden van verdachte en het huidige cellentekort heeft de advocaat-generaal gevorderd aan verdachte geen gevangenisstraf op te leggen die langer dan de tijd verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De gevorderde werkstraf kan verdachte in Litouwen uitvoeren. Tevens heeft de advocaat-generaal de verbeurdverklaring gevorderd van de inbeslaggenomen personenauto.



De raadsman heeft bepleit bij de strafoplegging rekening te houden met het feit dat verdachte kostwinner is en twee jonge kinderen heeft. Hij heeft daarom verzocht een gevangenisstraf op te leggen gelijk aan het voorarrest van 47 dagen en daarnaast een taakstraf op te leggen van 88 uren subsidiair 44 dagen hechtenis.



De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.



Het hof heeft bij de straftoemeting in het bijzonder in aanmerking genomen - en vindt daarin de redenen die tot de keuze van een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van de hierna aan te geven duur leiden - dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van een woninginbraak. Het betreft een ernstig feit dat grote impact heeft op het gevoel van veiligheid van het slachtoffer en waarbij het woongenot van het slachtoffer wordt aangetast. Bij de strafoplegging heeft het hof gelet op de oriëntatiepunten voor straftoemeting bij woninginbraak, vastgesteld door het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS) waarin als uitgangspunt voor een woninginbraak een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden geldt. Dat het feit in vereniging is gepleegd acht het hof strafverzwarend. In het nadeel van verdachte weegt het hof ook mee dat sprake was van een goed voorbereide woninginbraak; hij en zijn mededader hebben voor de inbraak gebruik hebben gemaakt van een auto met valse kentekenplaten en van portofoons. Ook acht het hof strafverzwarend dat de woning waarin is ingebroken door hen overhoop is gehaald en dat zij een grote hoeveelheid sieraden met een aanzienlijke waarde (ruim € 100.000) hebben weggenomen.
Het is het hof voorts niet gebleken dat verdachte voor een ander doel dan het plegen van een inbraak of inbraken naar Nederland is gekomen.



De voorlopige hechtenis van verdachte is in eerste aanleg door het hof onder voorwaarden geschorst met ingang van 12 augustus 2022 tot de inhoudelijke behandeling door de rechtbank op 11 oktober 2022. De rechtbank heeft deze schorsing verlengd tot de dag van de einduitspraak in eerste aanleg, te weten 25 oktober 2022. De rechtbank heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven in het vonnis opgeheven. Verdachte heeft zich vervolgens niet gemeld en is ter zitting van het hof niet verschenen, terwijl hij blijkens de mededeling van de raadsman wel van de zitting op de hoogte was. Het hof houdt in het nadeel van verdachte bij de strafoplegging rekening met deze keuzes van verdachte geen verantwoording af te leggen en zich niet te houden aan de voorwaarde zoals door het hof aan de schorsing verbonden.



Het feit dat verdacht een baan heeft in Litouwen, kostwinner is en twee kinderen heeft, ziet het hof niet als strafverminderende factoren. Ook ten tijde van het feit was verdachte kostwinner en had hij een kind, maar dat heeft hem er toen niet van weerhouden om naar Nederland af te reizen en het bewezenverklaarde feit te plegen.



Het hof acht een kortere gevangenisstraf (gelijk aan het aantal dagen dat verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht) in combinatie met een taakstraf (zoals is gevorderd door de advocaat-generaal en is bepleit door de raadsman) geen recht doen aan de strafdoeleinden, namelijk de vergelding, de generale en de speciale preventie. Het hof acht, alles afwegende, een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden, met aftrek van het voorarrest, passend en geboden.”



2.4
In de toelichting op het middel wordt met diverse klachten opgekomen tegen voornoemde strafmotivering. Allereerst voert de steller van het middel aan dat het hof ten onrechte niets heeft overwogen over de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep, terwijl daarover door de verdediging wel verweer is gevoerd.


2.5
Uit de stukken van het geding blijkt dat op 1 november 2022 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank. Niet blijkt dat de verdachte zich ten tijde van het instellen van het hoger beroep in verband met de zaak in voorlopige hechtenis bevond. Het hof heeft op 15 april 2025 einduitspraak gedaan, dus zo’n twee jaren en ruim vijf maanden na het instellen van het hoger beroep.


2.6
Bij de berechting in hoger beroep is in de regel sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM als de behandeling van de zaak op de terechtzitting niet binnen twee jaren na het instellen van het rechtsmiddel is afgerond met een einduitspraak. Als de verdachte zich in verband met de zaak in voorlopige hechtenis bevindt, moet die behandeling in de regel met een einduitspraak zijn afgerond binnen zestien maanden na het instellen van het rechtsmiddel. Als ter terechtzitting door of namens de verdachte ter zake verweer is gevoerd, dient op een zodanig verweer een gemotiveerde beslissing te worden gegeven.


2.7
Uit de strafmotivering blijkt niet of, en zo ja, op welke wijze, het hof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep in de strafoplegging heeft betrokken. Het middel is in zoverre terecht voorgesteld.


2.8
In de toelichting op het middel wordt verder geklaagd over de volgende twee passages uit de strafmotivering:


“Het hof houdt in het nadeel van verdachte bij de strafoplegging rekening met deze keuzes van verdachte geen verantwoording af te leggen en zich niet te houden aan de voorwaarde zoals door het hof aan de schorsing verbonden.



(…)



Het is het hof voorts niet gebleken dat verdachte voor een ander doel dan het plegen van een inbraak of inbraken naar Nederland is gekomen”



2.9
In de toelichting van het middel wordt betoogd dat deze overwegingen feitelijke onjuistheden bevatten. De steller van het middel wijst er in dat kader allereerst op dat de verdachte wel verantwoording heeft afgelegd voor het gepleegde strafbare feit, door op de terechtzitting van de rechtbank van 11 oktober 2022 een verklaring af te leggen en spijt te betuigen. Daarnaast merkt de steller van het middel op dat de verdachte zich in de periode dat de voorlopige hechtenis geschorst is geweest (van 12 augustus 2022 tot en met 11 oktober 2022) heeft gehouden aan de voorwaarden zoals die door het hof aan de schorsing waren verbonden. In de toelichting van het middel wordt tot slot aangevoerd dat de overweging van de rechtbank dat niet is gebleken dat de verdachte voor een ander doel dan het plegen van een inbraak of inbraken naar Nederland is gekomen onjuist is, omdat de verdachte ter terechtzitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij naar Nederland is gekomen, omdat hij werkt zocht.


2.10
Bij de bespreking van deze klachten merk ik in de eerste plaats op dat de steller van het middel op twee punten verwijst naar verklaringen die de verdachte heeft afgelegd op de terechtzitting van de rechtbank van 11 oktober 2022. Op de terechtzitting in hoger beroep is de verdachte echter niet verschenen.


2.11

Over de schorsing van de voorlopige hechtenis in eerste aanleg heeft het hof in de strafmotivering het volgende opgemerkt:

“De voorlopige hechtenis van verdachte is in eerste aanleg door het hof onder voorwaarden geschorst met ingang van 12 augustus 2022 tot de inhoudelijke behandeling door de rechtbank op 11 oktober 2022. De rechtbank heeft deze schorsing verlengd tot de dag van de einduitspraak in eerste aanleg, te weten 25 oktober 2022. De rechtbank heeft de schorsing van de voorlopige hechtenis opgeheven in het vonnis opgeheven. Verdachte heeft zich vervolgens niet gemeld en is ter zitting van het hof niet verschenen, terwijl hij blijkens de mededeling van de raadsman wel van de zitting op de hoogte was. Het hof houdt in het nadeel van verdachte bij de strafoplegging rekening met deze keuzes van verdachte geen verantwoording af te leggen en zich niet te houden aan de voorwaarde zoals door het hof aan de schorsing verbonden.”



2.12
Met de overweging van het hof dat “het (…) in het nadeel van verdachte bij de strafoplegging rekening (houdt) met deze keuzes van verdachte geen verantwoording af te leggen en zich niet te houden aan de voorwaarde zoals door het hof aan de schorsing verbonden”, wijst het hof op de omstandigheid dat de verdachte niet is verschenen ter terechtzitting in hoger beroep en zich na opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis bij vonnis niet – conform de schorsingsvoorwaarden – heeft gemeld. Het hof bedoelt daarmee klaarblijkelijk te zeggen dat de verdachte zich niet heeft gehouden aan de voorwaarde dat de verdachte, indien de opheffing van de schorsing mocht worden bevolen, zich aan de tenuitvoerlegging van het bevel tot voorlopige hechtenis niet zal onttrekken. Een feitelijke onjuistheid kan ik daarin niet ontdekken. Het hof kon in aansluiting daarop ook oordelen dat niet is gebleken dat de verdachte voor een ander doel dan het plegen van een inbraak of inbraken naar Nederland is gekomen. De enkele niet onderbouwde mededeling van de verdachte in eerste aanleg dat hij op zoek was naar werk maakt dat niet anders. In zoverre faalt het middel.




3Slotsom

3.1
Het middel slaagt ten dele. De overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep dient te leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen en de straf verminderen in een mate die hem gepast voorkomt.


3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.


3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.


De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden



A-G





Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.7 en 3.14-3.16 en HR 16 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1307, rov. 3.3.


Vgl. HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rov. 3.8.


Cursivering A-G VS.