Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2026:727

2026-03-24 Strafrecht bijlage 26/00575 PJV
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-03-24
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
bijlage 26/00575 PJV
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheidsbeoordeling bij ECLI:NL:PHR:2026:604

Citeert (13)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (26.745 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL



BIJ DE



HOGE RAAD DER NEDERLANDEN






Nummer 26/00575 PJV

Zitting 24 maart 2026




ONTVANKELIJKHEIDSBEOORDELING



P.H.P.H.M.C. van Kempen




In de zaak




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.




1Inleiding

1.1
De rechter-commissaris in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft bij beschikking van 20 februari 2026 (parketnr. 01.008324.26) de beslissing op de schriftelijke vordering van de officier van justitie van 9 januari 2026 strekkende tot het verkrijgen van een machtiging voor onderzoek van gegevens in een elektronische gegevensdrager en/of geautomatiseerd werk (hierna: Landeck-vordering) aangehouden en een viertal rechtsvragen aan de Hoge Raad voorgelegd ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. Ook geeft de rechter-commissaris in deze beschikking de Hoge Raad in overweging om een tweetal specifiek genoemde verbanden als derden in de gelegenheid te stellen om opmerkingen te maken.


1.2
Op grond van het bepaalde in art. 554 lid 1 Sv en art. 4.4.5.1 Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden (verder: Procesreglement) heeft de Hoge Raad de Procureur-Generaal in de gelegenheid gesteld om te beoordelen of de prejudiciële vragen zich lenen voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing en of de vragen van voldoende gewicht zijn om beantwoording te rechtvaardigen.


1.3
Voordat ik toekom aan deze ontvankelijkheidsbeoordeling merk ik op dat de rechter-commissaris bij schrijven van 20 januari 2026 aan de officier van justitie en de raadsman van de verdachte, mr. Saris, het voornemen kenbaar heeft gemaakt een viertal prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. De rechter-commissaris heeft daarbij een voorlopige formulering van de vragen en van de beantwoording ervan aan de procespartijen voorgelegd. Bovendien heeft zij hen op die datum in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken na die datum een standpunt in te nemen over dit voornemen en over de inhoud van de voorgestelde vragen. Op 20 februari 2026 heeft de rechter-commissaris de beschikking genomen. Deze houdt in dat de raadsman op 29 januari 2026 heeft laten weten dat hij zich volledig kan vinden in (de formulering van) de prejudiciële vragen en dat hij er niets aan heeft toe te voegen. Ook blijkt uit de beschikking dat de officier van justitie desgevraagd een extra week heeft gekregen om het standpunt in te dienen, dat dit standpunt op 10 februari 2026 is ingediend en dat de rechter-commissaris naar aanleiding van het standpunt de eerder geformuleerde rechtsvragen op onderdelen heeft aangepast en vervolgens heeft opgenomen in de beschikking. Hiermee is – hoewel partijen niet in de gelegenheid zijn gesteld om zich over de aanpassingen uit te laten – voldaan aan het bepaalde in art. 553 lid 2 Sv.




2Waar het in deze zaak om gaat

2.1
De centrale kwestie waar de vier prejudiciële vragen om draaien is kort gezegd wat het waarborgenregime is voor het maken van een kopie (“image”) van een smartphone gelet op in het bijzonder het arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 2024, zaak C-548/21 (CG t. Bezirkshauptmannschaft Landeck – kortweg: Landeck) en de rechtspraak van de Hoge Raad daarover.


2.2
De rechter-commissaris heeft uit de bij de Landeck-vordering van 9 januari 2026 behorende stukken afgeleid dat de verdachte op 19 december 2025 is aangehouden op verdenking van het zich schuldig maken aan een misdrijf als omschreven in art. 2 juncto art. 10 lid 4 Opiumwet. Bij die aanhouding is – naar de rechter-commissaris begrijpt – de iPhone van de verdachte, althans de iPhone die op 19 december 2025 (vermoedelijk) bij de verdachte in gebruik is, in beslag genomen. De telefoon is vervolgens overgedragen aan de digitale recherche voor verder onderzoek. Volgens de officier van justitie is het noodzakelijk dat onderzoek van gegevens wordt verricht in de inbeslaggenomen iPhone. Hier van centraal belang is dat in de Landeck-vordering is vermeld dat er “vanwege het spoedeisend belang” reeds “een forensische kopie/image [is] gemaakt van betreffende gegevensdrager, bij wijze van bevriezingsmaatregel.” Ondertussen blijkt uit de aanvraag ook dat de Landeck-vordering alleen betrekking heeft “op het verlenen van een machtiging voor het onderzoek aan voornoemde veiliggestelde gegevens.” Voor het maken van de forensische kopie/image heeft de officier van justitie geen machtiging gevorderd.


2.3
De slotsom van deze ontvankelijkheidsbeoordeling is dat de voorgestelde prejudiciële vragen zich lenen voor beantwoording door de Hoge Raad en dat de vragen van voldoende gewicht zijn om beantwoording te rechtvaardigen. Daarnaast houdt die het standpunt in dat derden niet dienen te worden uitgenodigd om (door tussenkomst van een advocaat binnen een nader bepaalde termijn) opmerkingen te maken.




3Toetsingskader

3.1
Art. 553 lid 1 Sv bepaalt dat een rechtsvraag ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing aan de Hoge Raad kan worden gesteld indien een antwoord op de vraag nodig is om te beslissen en aan de beantwoording van deze vraag gelet op het met de vraag gemoeide zaaksoverstijgend belang bijzonder gewicht kan worden toegekend. De Hoge Raad kan zich onthouden van beantwoording van de in een verzoek voorgelegde prejudiciële vraag of vragen als niet aan deze voorwaarden is voldaan.


3.2
De onder 1.2 vermelde ontvankelijkheidbeoordeling is wat betreft de vraag of de prejudiciële vraag zich leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing nader geconcretiseerd in HR 13 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:913, NJ 2023/279 m.nt. Reijntjes, r.o. 3.5. Een vraag leent zich volgens de Hoge Raad niet voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing indien (i) de vraag te veel is verweven met de feiten van de zaak, (ii) de vraag onvoldoende verband heeft met de zaak of (iii) de vraag al door de Hoge Raad is beantwoord of het antwoord op de vraag al zonder meer duidelijk is. Daarnaast kan van beantwoording worden afgezien – in feite een weigeringsgrond (iv) – als de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen.


3.3
De Hoge Raad kan zich bij de vermelding van zijn beslissing beperken tot het oordeel dat zich ofwel de situatie voordoet dat de vraag zich niet leent voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing ofwel de vraag van onvoldoende gewicht is om beantwoording te rechtvaardigen (zie r.o. 3.5 van genoemd arrest en art. 555 lid 2 Sv).




4Beoordeling

4.1
Allereerst ga ik in op de eisen genoemd onder 3.1.


4.2
De rechter-commissaris heeft in de beschikking uiteengezet waarom een zaaksoverstijgend belang is gemoeid met de beantwoording van de rechtsvragen. Voorts is daarin toegelicht waarom de beantwoording van de vraag of en zo ja wanneer het is toegestaan om zonder machtiging van de rechter-commissaris een kopie te maken, nodig is om te kunnen beslissen over de Landeck-vordering.


4.3
Voor het zaaksoverstijgend belang is relevant dat uit informatie van het openbaar ministerie blijkt dat landelijk op jaarbasis ongeveer 40.000 gegevensdragers in beslag worden genomen, dat het antwoord op de prejudiciële vragen daarmee voor meerdere strafzaken van belang is en dat in veel gevallen de in beslag genomen smartphones en andere gegevensdragers waarvoor een Landeck-vordering wordt ingediend veel privacygevoelige gegevens bevatten. De rechter-commissaris heeft verder gewezen op consequenties van een bevestigende beantwoording van de in de brief van 20 januari 2026 eerste prejudiciële vraag. Volgens haar zal dit grote gevolgen hebben voor de dagelijkse praktijk van de politie, het openbaar ministerie en de kabinetten van de rechter-commissaris. Hoewel de consequenties voor de rechtspraktijk niet geheel zijn te overzien wijst zij op (tijdrovende) aanpassingen van procedures en te treffen voorbereidingen en dreigende overbelasting van de kabinetten van de rechter-commissaris gelet op de hoeveelheid (mondelinge) vorderingen – al dan niet tijdens piketwerkzaamheden – voor het maken van een kopie (en eventueel ook nog een daarop volgende Landeck-vordering voor het doen van onderzoek).


4.4
Hierbij kan er bovendien op worden gewezen dat wanneer – altijd of onder omstandigheden – een “image” zou mogen worden gemaakt zonder machtiging van de rechter-commissaris, de vraag is hoe de rechtspraak van het HvJ EU daarvoor ruimte laat. Is die ruimte er dan bijvoorbeeld omdat het risico hierbij als beperkt heeft te gelden of omdat hierbij sprake is of kan zijn van een spoedeisend belang?


4.5
De mogelijkheid van toegang tot en onderzoek aan een smartphone beschouwt de rechter-commissaris als een (potentieel) zeer ingrijpende inbreuk op een grondrecht. In het verlengde daarvan vraagt zij zich – in verband met de taak van de rechter om uiteenlopende belangen evenwichtig te verzekeren – af of het regiem van art. 359a Sv volstaat om te voldoen aan de vereisten die voortvloeien uit de relevante rechtspraak van het HvJ EU.


4.6
Ook meent de rechter-commissaris dat de beantwoording van de vraag of en zo ja wanneer het is toegestaan om zonder machtiging van de rechter-commissaris een kopie te maken, nodig is om te kunnen beslissen over de Landeck-vordering. In dat verband wijst zij op de toezichtsbevoegdheid van de rechter-commissaris met betrekking tot het verloop van het opsporingsonderzoek, meer in het bijzonder op de rechtmatige toepassing van opsporingsbevoegdheden.


4.7
Ik meen dat uit het voorgaande voldoende voortvloeit waarom een antwoord op de vragen nodig is om te kunnen beslissen op de Landeck-vordering en waarom hier sprake is van een zaaksoverstijgend belang. De potentieel verstrekkende consequenties voor de rechtspraktijk leggen daarbij mijns inziens extra gewicht in de schaal. Hoewel veel van het voorgaande slechts van betekenis is voor de eerste drie vragen, meen ik dat ook beantwoording van de vierde vraag van belang is voor de rechtspraktijk. Bovendien is verdedigbaar dat de beantwoording van die vierde vraag noodzakelijk is om te kunnen beslissen over de Landeck-vordering.


4.8
Daarmee kom ik op de vier weigeringsgronden genoemd onder 3.2.


4.9
In de brief van de rechter-commissaris, het schriftelijke standpunt van de officier van justitie en de beschikking komt ook in voldoende mate naar voren dat zich hier niet de situatie voordoet dat de prejudiciële vragen teveel verweven zijn met de feiten van de zaak (het gaat om vier algemene vragen), dat de vragen onvoldoende verband houden met de zaak (die vragen zijn direct relevant voor de zaak, waarin immers zonder rechterlijke machtiging een “image” van de bij de verdachte in beslag genomen telefoon is gemaakt) dan wel dat de vragen van onvoldoende gewicht zijn om beantwoording te rechtvaardigen (het belang bij beantwoording is aanzienlijk zoals hiervoor reeds bleek).


4.10
Verder zijn de prejudiciële vragen niet al beantwoord door de Hoge Raad. Uit de door de rechter-commissaris en de officier van justitie ingenomen standpunten blijkt dat er verschil van inzicht bestaat over de uitleg van het begrip “toegang” (tot persoonsgegevens) in het Landeck-arrest. Hoewel beiden ervan uitgaan dat toegang tot een smartphone is vereist wil een forensische kopie/image van de gegevens op de smartphone kunnen worden gemaakt, leidt de rechter-commissaris uit het Landeck-arrest (en de memorie van toelichting van de Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering) af dat indien toegang tot een smartphone is verkregen en een image is gemaakt daarmee steeds sprake is van volledige en ongecontroleerde toegang tot persoonsgegevens die het risico van een ernstige of zelfs zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene met zich meebrengt, terwijl de officier van justitie in het Landeck-arrest ruimte ziet voor een werkwijze waarbij de toegang tot de gegevens op de telefoon wordt beperkt en gecontroleerd, zodat het risico op een (zeer) ernstige inbreuk op de grondrechten eveneens wordt beperkt en gecontroleerd. In relatie hiermee rijzen ook vragen omtrent de wijze waarop het begrip “onderzoek” en het begrip “risico” moet worden gehanteerd.


4.11
Verder wijs ik erop dat de Hoge Raad zich in de Post Landeck-arresten nog niet heeft uitgesproken over de vraag of voor het na inbeslagneming van een smartphone maken van een “image” voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris is vereist. Het ging in die arresten steeds om in beslag genomen smartphones die met toestemming van de officier van justitie waren onderzocht (“uitgelezen”) en om de vraag of die toestemming – in het licht van het naar aanleiding van het Landeck-arrest bijgestelde oordeel over het onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken – volstond. Of bij het maken van een kopie van gegevens reeds sprake is van toegang tot persoonsgegevens waarvoor een machtiging van de rechter-commissaris is vereist (ofwel: sprake is van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker) volgt niet uit de Post Landeck-rechtspraak. Evenmin volgt daaruit dat de Hoge Raad hetzelfde onderzoeksbegrip hanteert als in de Vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt voorgesteld.


4.12
Dan resteert nog het punt of het antwoord op de vragen al zonder meer duidelijk is. Daarvan zou bijvoorbeeld sprake kunnen zijn als het antwoord evident uit de rechtspraak van het HvJ EU volgt dan wel er redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan over de wijze waarop de vragen moeten worden beantwoord.


4.13
Uit het Landeck-arrest van het HvJ EU blijkt mijn inziens niet evident dat het HvJ EU de situatie van het maken van een “image” schaart onder de categorie van toegang tot persoonsgegevens die een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de betrokkene oplevert, waarvoor voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of onafhankelijke bestuurlijke entiteit is vereist. De Hoge Raad legt dit arrest ook zo uit dat het antwoord op de vraag of de toegang tot een mobiele telefoon (of andere elektronische gegevensdrager) het risico oplevert van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker mede afhangt van de keuzes met betrekking tot de aard en de inrichting van het te verrichten onderzoek. Volgens de Hoge Raad houdt het Landeck-arrest van het HvJ EU niet in dat een voorafgaande toetsing door een rechter (of een onafhankelijk bestuursorgaan) ook is vereist als die keuzes niet leiden tot het risico van een ernstige of zeer ernstige inmenging in de grondrechten van de gebruiker. Los daarvan blijkt uit het Landeck-arrest bovendien niet evident of de gestelde uitzondering van spoedeisendheid al dan geen speelruimte biedt voor een werkwijze waarbij een ”image” wordt gemaakt.


4.14
Op grond van het voorgaande kan evenmin worden gezegd dat het antwoord op de vragen al zonder meer duidelijk is. Dat men in de literatuur tamelijk stellig de opvatting aanhangt dat geen “image” mag worden gemaakt alvorens een rechterlijke machtiging is verkregen, maakt dit niet anders.


4.15
Ik kom op grond van het voorgaande tot de slotsom dat de voorgestelde prejudiciële vragen zich lenen voor beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing en dat de vragen van voldoende gewicht zijn om beantwoording te rechtvaardigen.




5Schriftelijke opmerkingen door derden

5.1
In de beschikking van 20 februari 2026 geeft de rechter-commissaris de Hoge Raad in overweging om het ‘Kenniscentrum Cybercrime’ en/of de ‘Landelijke Werkgroep Landeck’ in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken.


5.2
Vooropgesteld moet worden dat als de Hoge Raad mij volgt in mijn oordeel om de prejudiciële vragen in behandeling te nemen, het openbaar ministerie en de raadsman of advocaat van de betrokken procespartij op grond van art. 554 lid 1 Sv in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen te maken. In het Procesreglement is dit nader uitgewerkt. Art. 4.4.6.1 bepaalt dat het openbaar ministerie en de raadsman of advocaat van betrokken procespartijen een termijn van 30 dagen wordt verleend voor het indienen van schriftelijke opmerkingen.


5.3
Het in de gelegenheid stellen van derden tot het maken van opmerkingen is voor prejudiciële vragen aan de Strafkamer van de Hoge Raad geregeld in art. 554 lid 2 Sv en nader uitgewerkt in par. 4.4.7 Procesreglement. De Hoge Raad kan aanstonds of nadat de betrokken procespartijen schriftelijke opmerkingen hebben gemaakt, bepalen dat ook derden – anderen dan de betrokken procespartijen – in de gelegenheid worden gesteld om door tussenkomst van een advocaat schriftelijke opmerkingen te maken. Uitnodiging geschiedt door de griffier (art. 4.4.7.1). Ook kan de Hoge Raad een openbare oproep tot het maken van schriftelijke opmerkingen laten uitgaan. De Hoge kan daartoe op grond van art. 4.4.7.2 Procesreglement bevelen dat de prejudiciële vraag en de termijn waarbinnen opmerkingen door tussenkomst van een advocaat kunnen worden ingediend, op de website van de Hoge Raad worden gepubliceerd (dan wel publicatie in een andere vorm bevelen). Tot slot bestaat de mogelijkheid dat derden, door tussenkomst van een advocaat, zelf aan de Hoge Raad verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld schriftelijke opmerkingen te maken (art. 4.4.7.3). Dit verzoek moet worden gedaan binnen vier weken na de mededeling op de website van de ontvangst van de prejudiciële vraag.


5.4
In de tot op heden bij de Strafkamer van de Hoge Raad ingediende prejudiciële vragen is géén sprake geweest van het in de gelegenheid stellen van derden tot het maken van schriftelijke opmerkingen (noch op grond van art. 4.4.7.1 noch op die van art. 4.4.7.2). Anders is dat voor prejudiciële vragen aan de civiele kamer en de belastingkamer van de Hoge Raad. De “amicusprocedure” is in die zaken wel toegepast. Daarbij valt op dat het Procesreglement voor prejudiciële vragen aan de belastingkamer (par. 5.2) niet een bepaling kent vergelijkbaar met art. 4.4.7.3. Derden kunnen in die procedure dus niet zelf een verzoek doen om in de gelegenheid te worden gesteld schriftelijke opmerkingen te maken. Uit de op de website van de Hoge Raad gepubliceerde prejudiciële vragen aan de belastingkamer van de Hoge Raad kan uit de gebezigde formulering in de in die zaken gewezen arresten (“ook anderen [dan partijen]”) niet worden afgeleid of de Hoge Raad bij het in de gelegenheid stellen van anderen dan partijen om schriftelijke opmerkingen in te dienen de procedure van art. 5.2.8.1 of 5.2.8.2 gebruikt. In de civiele procedure bestaat wel de mogelijkheid dat derden zelf een verzoek doen om schriftelijke opmerkingen te maken (art. 3.3.8.3). Het lijkt er ook op dat het in civiele zaken steeds de derden zelf zijn die de Hoge Raad verzoeken om in de gelegenheid te worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken. De verwijzing naar de schriftelijke opmerkingen van derden vindt in de arresten immers steeds plaats door de formulering “Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, […] [heeft/hebben] […] op de voet van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend” (cursivering PHvK). Dat ook de Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad de mogelijkheid heeft om informatie aan derden te vragen, blijkt daaruit dat A-G Hartlief begin 2023 informatie aan derden heeft gevraagd over de vraag hoe er in de praktijk wordt omgegaan met medische informatie in het kader van de afwikkeling van medische aansprakelijkheids-kwesties. Daarbij ging het om praktijkgerichte vragen. Gezien het voorgaande is er voor het door specifieke of algemene uitnodiging van derden in de gelegenheid stellen van hen tot het maken van schriftelijke opmerkingen, geen dwingend argument te ontlenen aan eerdere beslissingen van de strafkamer dan wel van de civiele of belastingkamer. De praktijk bij de civiele kamer – voor welke kamer op grond van het Procesreglement soortgelijke mogelijkheden gelden als voor de strafkamer – zou veeleer als aanleiding kunnen worden gezien om dat juist niet te doen.


5.5
Ik meen dat er in het onderhavige geval ook andere gronden zijn om geen gevolg te geven aan de suggestie van de rechter-commissaris om het ‘Kenniscentrum Cybercrime’ en/of de ‘Landelijke Werkgroep Landeck’ in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken. Nog afgezien van de omstandigheid dat niet specifiek is toegelicht op welk(e) punt(en) deze specifieke derden nadere verheldering zouden kunnen geven, kan door het in de procedure betrekken van anderen dan de procespartijen de voortvarende behandeling van de zaak (art. 4.4.3) – mede gelet op het potentieel grote aantal reacties – in het gedrang komen bij een algemene uitnodiging. Bij uitnodiging van alleen specifieke derden speelt een risico van selectiviteit en schending van equality of arms, hetgeen mijns inziens aanleiding geeft om terughoudend te zijn met het zelfstandig benaderen van specifieke derden. Verder geldt dat het in deze zaak om juridische vragen gaat die in de brief van de rechter-commissaris van 20 januari 2026 al voorlopig zijn beantwoord en in het schriftelijke standpunt door de officier van justitie van commentaar zijn voorzien. Daarbij komt dat – in het geval dat het verzoek ontvankelijk wordt beoordeeld – de procespartijen zoals opgemerkt nogmaals in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijke opmerkingen in te dienen. Het staat de procespartijen daarbij vrij het standpunt toe te lichten op grond van door (genoemde) derden aan hen aangedragen informatie. Ook is niet uitgesloten dat de door de rechter-commissaris aangedragen derden reeds op grond van art. 4.4.7.3 zelf een verzoek zullen doen tot het maken van schriftelijke opmerkingen.




6Afronding

6.1
Deze ontvankelijkheidsbeoordeling strekt ertoe dat de Hoge Raad overgaat tot beantwoording van de prejudiciële vragen zonder dat derden door specifieke of algemene uitnodiging in de gelegenheid worden gesteld om door tussenkomst van een advocaat schriftelijke opmerkingen te maken.


De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG






Het betreft het ‘Kenniscentrum Cybercrime’ (een landelijk informatiecentrum ten behoeve van rechters, raadsheren en gerechtsjuristen dat is ondergebracht bij het gerechtshof Den Haag) en/of de ‘Landelijke Werkgroep Landeck’ (ik begrijp dat deze werkgroep onderdeel is van het openbaar ministerie).


Gevoegd als bijlage I bij de beschikking.


Gevoegd als bijlage II bij de beschikking.


Proces-verbaal aanvraag van 9 januari 2026 (PL2100-2025285396-4), kennisgeving van inbeslagneming en proces-verbaal van verdenking van 24 december 2025 (PL2100-2025285396-13).


Als gezegd is deze vraag naar aanleiding van de schriftelijke opmerkingen van de officier van justitie op onderdelen aangepast.


HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes en HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1247, NJ 2025/264. Zie voor de Post Landeck-eisen in relatie tot “Ennetcomdata” HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114, NJ 2025/281 m.nt. Machielse en PHR 13 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:55.



Kamerstukken II 2022/23, 36327, nr. 3, p. 351-352 & 574.


Vgl. bijv. HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114, NJ 2025/281 m.nt. Machielse, r.o. 3.6.


HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409, NJ 2025/116 m.nt. Reijntjes, r.o. 5.1.2. Herhaald in HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1247, NJ 2025/264, r.o. 3.3.


Zie bijv. C.M. Taylor Parkins-Ozephius & D.A.G. Van Toor: ‘De benodigde machtiging van de rechter-commissaris na HvJ EU Landeck; rechtswaarborg of papieren tijger?’, Nederlands Tijdschrift voor Strafrecht 2025 (NTS 2025/2), p. 5, M.I. Kazlova, ‘Impact van Landeck op de voorgestelde regeling van onderzoek van gegevens in het nieuwe Wetboek van Strafvordering’, DD 2026/12, p. 4 en J.W. Ouwerkerk en J.H. Crijns, ‘Onderzoek aan smartphones post-Landeck’, in: Dubelaar e.a. (red.), Redelijk en waarachtig (Van Kempen-bundel), Deventer: Wolters Kluwer 2025, p. 185.


De prejudiciële vraag is op 9 maart 2026 op de website van de Hoge Raad gepubliceerd. De termijn voor het indienen van een verzoek loopt daarmee uiterlijk af op 6 april 2026.


Het gaat om de zaken 24/03441 (ECLI:NL:HR:2025:228, Hoge Raad, 24/03441) en 23/00010 en 23/00011 (ECLI:NL:HR:2023:913). De zaak 24/03852 (ECLI:NL:HR:2025:204, Hoge Raad, 24/03852) betreft een afwijzing van het verzoek de prejudiciële vragen te beantwoorden. In de zaak 23/03504 (ECLI:NL:HR:2024:375), ging het om een civiele zaak met een strafrechtelijke achtergrond. In deze zaak hebben derden “Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld” op de voet van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend. De zaak is afgedaan door een gecombineerde zetel (vier leden van de strafkamer en één lid van de civiele Kamer, t.w. raadsheer F.J.P. Lock) en de conclusie in deze zaak is van de hand van A-G Harteveld.


Zie in dit verband de zaken 23/04840, 24/00084, 24/00806, 23/04137 en 23/04137. Zie voor zaken zonder kenbare uitnodiging 23/01021, 23/01996 en 24/00644. Uit de conclusie in de zaak 25/02264 blijkt dat in die zaak de procedure van art. 5.2.8.2 is toegepast.


Zie bijv. 23/01972, 23/03504, 23/04362, 24/00169 & 24/00170, 24/02783 en 24/04220.


Zie zijn conclusie van 8 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:574 onder 1.16.


Vgl. bijv. de civiele zaken 25/00202 en 25/00204, waarin sprake is van ruim 1200 pagina’s aan schriftelijke opmerkingen, inclusief producties.


In de in voetnoot 15 genoemde kwestie heeft A-G Hartlief zelf een aantal organisaties benaderd door het voorleggen van een situatieschets en vragen en is via de website van de Hoge Raad aan het publiek in het algemeen de gelegenheid gegeven diezelfde vragen te beantwoorden.