Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2024:717
2024-07-02
Strafrecht
23/02688
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1163 → ECLI:NL:PHR:2024:717
Inhoudsindicatie
Conclusie plv. AG. Art. 141. Sr. Hof heeft duur van de gijzeling a.b.i. art. 36f.5 Sr niet bepaald. Geen belang (vgl. ECLI:NL:HR:2024:184). Conclusie strekt tot verwerping.
Citeert (3)
- ECLI:NL:HR:2016:179 Hoge Raad 02-02-2016
- ECLI:NL:HR:2024:184 Hoge Raad 06-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1133 Parket bij de Hoge Raad 12-12-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.327 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02688 J
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft het hof een vordering van de benadeelde partij deels toegewezen, deels afgewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard en hiermee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd om de duur van het aantal dagen gijzeling te bepalen dat is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
2.2
Daargelaten of de steller van het middel een terecht punt heeft, het is vaste jurisprudentie dat indien de rechterlijke machtiging daartoe ontbreekt, gijzeling niet mogelijk zal zijn. De verdachte heeft aldus geen eigen belang bij de oplegging daarvan.
Afronding
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Vgl. HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:179 en HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:184 (81 lid 1 RO over een in essentie zelfde cassatiemiddel als in de onderhavige zaak) en mijn opmerkingen in de conclusie voorafgaand aan dit laatste arrest (ECLI:NL:PHR:2023:1133).
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/02688 J
Zitting 2 juli 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2005,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 12 juli 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens "openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen", veroordeeld tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen jeugddetentie. Daarnaast heeft het hof een vordering van de benadeelde partij deels toegewezen, deels afgewezen en deels niet-ontvankelijk verklaard en hiermee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.J.J. van Rijsbergen, advocaat in Breda, heeft een middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
2.1
Het middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd om de duur van het aantal dagen gijzeling te bepalen dat is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregel.
2.2
Daargelaten of de steller van het middel een terecht punt heeft, het is vaste jurisprudentie dat indien de rechterlijke machtiging daartoe ontbreekt, gijzeling niet mogelijk zal zijn. De verdachte heeft aldus geen eigen belang bij de oplegging daarvan.
Afronding
3.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
3.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Vgl. HR 2 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:179 en HR 6 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:184 (81 lid 1 RO over een in essentie zelfde cassatiemiddel als in de onderhavige zaak) en mijn opmerkingen in de conclusie voorafgaand aan dit laatste arrest (ECLI:NL:PHR:2023:1133).