Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2021:1266
2021-12-21
Strafrecht
20/01134
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:190 → ECLI:NL:PHR:2021:1266
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 20/01131 en 20/01136 P.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.898 tekens)
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01134
Zitting 21 december 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 12 maart 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, voor 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, 2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 4. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/01131 en 20/01136. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv is op 24 maart 2021 betekend. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
2De beoordeling
2.1.
Mr. G. Spong, die zich bij brief van 26 maart 2020 als raadsman van de verdachte heeft gesteld, heeft bij brief van 30 april 2021 aan de Hoge Raad bericht dat geen middelen van cassatie zullen worden ingediend. Er is gedurende de in art. 437 lid 2 Sv gestelde termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
2.2.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
2.3.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer 20/01134
Zitting 21 december 2021
CONCLUSIE
P.M. Frielink
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1978,
hierna: de verdachte.
1Het cassatieberoep
1.1.
De verdachte is bij arrest van 12 maart 2020 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, voor 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel”, 2. “diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking”, 3. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, gepleegd in de uitoefening van een beroep of bedrijf, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel” en 4. “diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking” veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vier maanden en een taakstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest als bedoeld in art. 27 Sr.
1.2.
Er bestaat samenhang met de zaken 20/01131 en 20/01136. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 lid 1 Sv is op 24 maart 2021 betekend. Namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie ingediend.
2De beoordeling
2.1.
Mr. G. Spong, die zich bij brief van 26 maart 2020 als raadsman van de verdachte heeft gesteld, heeft bij brief van 30 april 2021 aan de Hoge Raad bericht dat geen middelen van cassatie zullen worden ingediend. Er is gedurende de in art. 437 lid 2 Sv gestelde termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
2.2.
Nu de verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, is niet in acht genomen het voorschrift van art. 437 lid 2 Sv, zodat de verdachte in het beroep niet kan worden ontvangen.
2.3.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv-AG