Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2017:590
2017-05-23
Strafrecht
16/00198
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:1228 → ECLI:NL:PHR:2017:590 gevolgd
Inhoudsindicatie
Profijtontneming. Met 16/00199 P; 16/00200 en 16/00201 samenhangende peek (OM n-o in cassatieberoep, geen middelen ingediend).
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.600 tekens)
Nr. 16/00198 P
Zitting: 23 mei 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[A] B.V.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 11 november 2014 de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.
Er bestaat samenhang met de zaken 16/00199P, 16/00200 en 16/00201. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
De advocaat-generaal bij het hof heeft tijdig beroep in cassatie doen instellen. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
Art. 511h Sv schrijft in verbinding met art. 437, eerste lid, Sv voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid door het openbaar ministerie binnen een maand na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv een schriftuur houdende middelen van cassatie moet worden ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, moet de advocaat-generaal bij het hof niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep worden verklaard.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de advocaat-generaal bij het hof in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zitting: 23 mei 2017
Mr. E.J. Hofstee
Conclusie inzake:
[A] B.V.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, heeft bij uitspraak van 11 november 2014 de vordering strekkende tot oplegging van de verplichting tot betaling aan de Staat van het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel afgewezen.
Er bestaat samenhang met de zaken 16/00199P, 16/00200 en 16/00201. Ook in die zaken zal ik vandaag concluderen.
De advocaat-generaal bij het hof heeft tijdig beroep in cassatie doen instellen. Hoewel de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv geldig is betekend, zijn geen middelen van cassatie voorgesteld.
Art. 511h Sv schrijft in verbinding met art. 437, eerste lid, Sv voor dat op straffe van niet-ontvankelijkheid door het openbaar ministerie binnen een maand na betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv een schriftuur houdende middelen van cassatie moet worden ingediend. Nu bij de Hoge Raad niet tijdig een schriftuur is ingediend, moet de advocaat-generaal bij het hof niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep worden verklaard.
Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de advocaat-generaal bij het hof in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG