Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2017:421

2017-05-12 Civiel recht 17/01716
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2017-05-12
Publicatiedatum
2017-06-09
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
—
Zaaknummer
17/01716
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Cassatieprocesrecht. Art. 426a lid 1 Rv. Niet-ontvankelijkheid. Verzoekschrift niet ondertekend door advocaat bij de Hoge Raad.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (2.869 tekens)
Zaaknr: 17/01716
mr. E.M. Wesseling-van Gent
Zitting: 12 mei 2017

Conclusie art. 80a RO inzake:


[verzoekster]


tegen

GGZ Centraal, locatie de Meregaard

1. Bij beschikking van 16 januari 2017 heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, de op de voet van art. 41a en 41b Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) ter beoordeling voorgelegde klacht van verzoekster tot cassatie (hierna: verzoekster) tegen de toepassing van dwangbehandeling ongegrond verklaard en de daarbij ingediende verzoeken, onder meer tot schorsing van de dwangbehandeling en toekenning van een schadevergoeding ten laste van GGZ Centraal, afgewezen.

2. Bij brief van 22 maart 2017 met bijlagen, die op 24 maart 2017 is ontvangen door de griffie van de Hoge Raad, heeft verzoekster te kennen gegeven beroep in cassatie te willen instellen tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland. In de brief heeft verzoekster vermeld dat de uitspraak dateert van 30 december 2016. Deze datum is in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 30 december 2016 (kennelijk abusievelijk) vermeld als datum van de uitspraak.

3. Genoemde brief is niet ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. In de brief is vermeld dat verzoekster een cassatieadvocaat heeft verzocht om haar bij te staan maar dat deze daar geen heil in zag en dat verzoekster daarom zichzelf wenst te vertegenwoordigen.

4. De waarnemend griffier van de Hoge Raad heeft verzoekster bij brief van 27 maart 2017 bericht dat de door verzoekster ingediende brief niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad en dat dit verzuim binnen twee weken na ontvangst van de brief op de griffie kan worden hersteld door indiening van dezelfde brief met bijlagen ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.

5. Bij brief van 30 maart 2017 met bijlagen, ingekomen bij de Hoge Raad op 4 april 2017, heeft verzoekster de Hoge Raad verzocht haar in de gelegenheid te stellen om haar eigen belangen te behartigen. Verzoekster heeft aangegeven dat zij, behoudens de cassatieadvocaat die zij reeds zonder succes had benaderd, geen cassatieadvocaat heeft kunnen vinden die gespecialiseerd is in BOPZ-zaken. Verzoekster stelt dat er blijkbaar slechts één cassatieadvocaat op BOPZ-gebied is.

6. Het niet herstellen van het gebrek in het cassatieverzoekschrift brengt mee dat niet is voldaan aan het vereiste in art. 426a lid 1 Rv (vgl. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:833, RvdW 2014/559).
Daaraan doet niet af dat verzoekster kennelijk geen cassatieadvocaat (bereid) heeft kunnen vinden om haar belangen in cassatie te behartigen.

7. De conclusie strekt derhalve tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.



De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden



A-G