Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2017:159

2017-01-17 Strafrecht 16/01580
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2017-01-17
Publicatiedatum
2017-03-21
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
16/01580
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Gewapende woningoverval waarbij de restauranthouder wordt neergeschoten en zijn hond wordt doodgeschoten. HR: art. 80a RO, met schriftelijk standpunt AG. Samenhang met 15/04110.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (4.523 tekens)
Nr. 16/01580
Zitting: 17 januari 2017




Mr. T.N.B.M. Spronken

Conclusie inzake:


[verdachte]











De verdachte is bij arrest van 24 augustus 2015 door het gerechtshof Den Haag vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. De verdachte werd wegens subsidiair “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van negen jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr. Voorts heeft het hof de vorderingen van twee benadeelde partijen toegewezen en schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, één en ander zoals in het arrest vermeld.


Er bestaat samenhang met de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (nr. 15/04110), waarin ik vandaag ook zal concluderen.


Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en mr. J.W.E. Luiten, advocaat te Maastricht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.


4. Ik bespreek eerst het tweede middel, waarin samengevat erover wordt geklaagd dat het hof niet voldoende heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt met betrekking tot een alternatief scenario, althans dat het hof de bewezenverklaring onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd.

4.1. De klacht dat het hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het in het middel bedoelde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt, faalt. Het hof heeft uitvoerig uiteengezet waarom het door de verdachte aangevoerde scenario naar het oordeel van het hof niet aannemelijk is geworden.
4.2. Ten aanzien van de overige klachten kan ik ook kort zijn. In de aanvulling op het verkorte arrest als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv heeft het hof als bewijsmiddelen 34, 35 en 38 verklaringen van de verdachte gebezigd. Na bewijsmiddel 38 heeft het hof een nadere bewijsoverweging opgenomen waarin het overweegt dat het “deze hiervoor weergegeven verklaring van de verdachte alsmede die onder BWM 34” – waarmee kennelijk wordt gedoeld op de bewijsmiddelen 38 respectievelijk 34 – aanmerkt als kennelijk leugenachtige verklaringen om de waarheid te bemantelen.
4.3. Blijkens de toelichting op het middel nemen de klachten tot uitgangspunt dat nu het hof bewijsmiddel 35 in zijn nadere bewijsoverweging niet heeft aangemerkt als een kennelijk leugenachtige verklaring het deze verklaring dus betrouwbaar heeft geacht. Ik meen dat hier sprake is van een kennelijke misslag. Op grond van de bewijsoverwegingen in het verkorte arrest en in de aanvulling daarop, is het evident dat het hof ook de als bewijsmiddel 35 gebezigde verklaring van de verdachte als kennelijk leugenachtig heeft aangemerkt, maar dit abusievelijk niet in de nadere bewijsoverweging heeft vermeld. De nadere bewijsoverweging in de aanvulling als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv dient in die zin verbeterd te worden gelezen. Daarmee komt de feitelijke grondslag aan de klachten te ontvallen.
4.4. Het middel is evident kansloos en kan met toepassing van art. 80a RO worden afgedaan.

5. Het eerste middel – dat klaagt dat in de cassatieprocedure de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM is geschonden – deelt op grond van het voorgaande hetzelfde lot. Ingevolge vaste rechtspraak van de Hoge Raad rechtvaardigt de aangevoerde klacht geen behandeling in cassatie omdat de verdachte klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep, aangezien het andere middel eveneens met toepassing van art. 80a RO kan worden afgedaan.
6. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in zijn beroep in cassatie.



De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden




AG



Bij akte van 19 september 2016 is het cassatieberoep van de verdachte ingetrokken voor wat betreft de vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit.


Zie de overwegingen onder “Het aangevoerde alternatieve scenario” op pagina’s 4-8 van het bestreden arrest.


HR 11 september 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX0132, NJ 2013/244 m.nt. Bleichrodt, rov. 2.2.4 en HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. Van Kempen, rov. 2.4.2.