Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2017:121
2017-01-17
Strafrecht
15/00832
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2017:374 → ECLI:NL:PHR:2017:121 gevolgd
Inhoudsindicatie
Geen middelen ingediend, verdachte n-o. Samenhang met 15/00835.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.489 tekens)
Nr. 15/00832
Zitting: 17 januari 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 28 januari 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens “witwassen, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een geldboete van vijfduizend euro.
Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/00835 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 20 mei 2016 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 19 juli 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Zitting: 17 januari 2017
Mr. T.N.B.M. Spronken
Conclusie inzake:
[verdachte]
De verdachte is bij arrest van 28 januari 2015 door het Gerechtshof Den Haag wegens “witwassen, terwijl het feit wordt begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd” veroordeeld tot een geldboete van vijfduizend euro.
Deze zaak hangt samen met de onder nr. 15/00835 bij de Hoge Raad aanhangige zaak, waarin ik vandaag eveneens concludeer.
Namens de verdachte is beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging als bedoeld in art. 435 Sv is op 20 mei 2016 betekend. De in het tweede lid van art. 437 Sv gestelde termijn van twee maanden liep af op 19 juli 2016. Er is gedurende deze termijn geen schriftuur houdende middelen van cassatie binnengekomen.
Nu verdachte niet binnen de bij de wet gestelde termijn bij de Hoge Raad door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie heeft doen indienen, kan hij ingevolge art. 437, tweede lid, Sv niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
Deze conclusie strekt ertoe dat de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren in het ingestelde cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG