Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:2014:695

2014-06-10 Strafrecht 13/02445
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
2014-06-10
Publicatiedatum
2014-07-08
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
—
Zaaknummer
13/02445
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

HR: art. 80a RO. Klacht over beslissingen Hof inzake de voorlopige hechtenis van verdachte. In aanmerking genomen dat niet is gesteld en uit de stukken waarvan de HR kennisneemt ook niet is gebleken dat verdachte zich (nog) in voorlopige hechtenis bevindt, is het belang van verdachte bij zijn cassatieberoep niet evident. De schriftuur bevat evenwel niet de in ECLI:NL:HR:2012:BX0146, rov. 2.6.2. bedoelde, in zo een geval vereiste toelichting m.b.t. het belang bij het ingestelde cassatieberoep en het - rechtens te respecteren - belang bij vernietiging van de bestreden uitspraak en een nieuwe feitelijke behandeling van de zaak. De enkele, niet nader onderbouwde, stelling dat het hier gaat om “een voor de praktijk zeer relevante vraag" is daartoe ongenoegzaam.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.774 tekens)
Nr. 13/02445
Mr. Vegter
Zitting 10 juni 2014

Conclusie inzake:

[verdachte]



1. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft bij arrest van 20 december 2012 de verdachte ter zake van 1. “afpersing” en 2. “handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie” veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden. Voorts heeft het Hof de onttrekking aan het verkeer bevolen van een inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven pistool. Verder heeft het Hof de vordering van de benadeelde partij toegewezen en verdachte dienaangaande een schadevergoedingsmaatregel opgelegd, zoals in het arrest nader is bepaald.


Mr. B. Munneke, advocaat te Velsen, heeft namens verdachte beroep in cassatie ingesteld. Mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende een middel van cassatie.
3.1. Het middel klaagt over een tussenuitspraak aangaande de voorlopige hechtenis.


3.2. In de schriftuur wordt de vraag voorgelegd of het openbaar ministerie in hoger beroep de verlenging van de voorlopige hechtenis moet vorderen – en de rechter in hoogste feitelijke instantie daarop moet beslissen – in de situatie waarin een eerste zitting in hoger beroep plaatsvindt binnen de zestig-dagen-termijn van art. 66, tweede lid, Sv.



3.3. In beginsel heeft de Hoge Raad niet de mogelijkheid om zich uit te laten over rechtsvragen die de voorlopige hechtenis betreffen. Op grond van de artikelen 71 en 87 Sv staat tegen beslissingen ten aanzien van de voorlopige hechtenis immers alleen hoger beroep open. Dit ligt anders wanneer er naar aanleiding van een tussen- of nevenuitspraak in cassatie over wordt geklaagd. Indien de Hoge Raad de betreffende rechtsvraag van belang voor de praktijk acht, worden dergelijke klachten besproken. Doorgaans is dat echter niet het geval.



3.4. Bij de bespreking van het middel mist de verdachte het vereiste belang. Ik voeg daar ten overvloede nog het volgende aan toe. Ook indien de voorlopige hechtenis lopende de appelprocedure wordt tenuitvoergelegd op grond van het door de rechtbank gegeven bevel, is er de periodieke toetsing door het Hof. Dat die waarborg wordt gerealiseerd, is bepalend. Het door de rechtbank gegeven bevel voorlopige hechtenis blijft van kracht indien het onderzoek door het Hof is aangevangen voordat zestig dagen na de dag van de einduitspraak van de rechtbank zijn verstreken (art. 66, tweede lid, Sv). Een dergelijk geval zal zich gelet op de korte tijdspanne niet spoedig voordoen, maar tevens is dat bij gelegenheid van de aanvang van het onderzoek door het Hof verzoeken inzake de voorlopige hechtenis kunnen worden gedaan. Verzoeken zijn bovendien mogelijk op eventueel noodzakelijke vervolgzittingen. De steller van het middel betoogt vooral dat de bewoordingen van de eerste en tweede volzin van het eerste lid van art. 75 Sv hierop niet aansluiten. De eerste volzin dwingt mijns inziens niet tot een nieuwe beslissing over de voorlopige hechtenis indien er nog een bevel loopt, terwijl er in de praktijk niemand is die zich op een ander standpunt stelt dan dat bij de tenuitvoerlegging van een bevel voorlopige hechtenis dat door de rechtbank is gegeven voor het Hof de in de tweede volzin genoemde bepalingen geacht worden van overeenkomstige toepassing te zijn.



3.5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.



3.6. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.



De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden


Zie ook Melai/Groenhuijsen, aantekening 4.7 bij art. 428 Sv (bewerkt door A. Dingemanse).