Parket bij de Hoge Raad
ECLI:NL:PHR:2014:653
2014-06-10
Strafrecht
13/02285
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2014:1591 → ECLI:NL:PHR:2014:653 gevolgd
Inhoudsindicatie
Art. 437.2 Sv. Verdachte wordt n-o verklaard, nu geen schriftuur houdende middelen van cassatie is ingediend
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (1.589 tekens)
Nr. 13/02285
Mr. Vegter
Zitting 10 juni 2014
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft bij arrest van 19 april 2013 verdachte ter zake van 1. primair “medeplegen van poging tot doodslag” en 2. cumulatief/alternatief “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door wee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
2. Namens verdachte is op 1 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 21 januari 2014 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
3. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (14/00250) waarin ik vandaag standpunt bepaal.
Mr. Vegter
Zitting 10 juni 2014
Standpunt/conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof Leeuwarden heeft bij arrest van 19 april 2013 verdachte ter zake van 1. primair “medeplegen van poging tot doodslag” en 2. cumulatief/alternatief “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door wee of meer verenigde personen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr.
2. Namens verdachte is op 1 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld. De aanzegging ingevolge art. 435, eerste lid, Sv is op 21 januari 2014 betekend. Art. 437, tweede lid, Sv schrijft voor dat, op straffe van niet-ontvankelijkheid, binnen twee maanden na de betekening van de aanzegging als bedoeld in art. 435, eerste lid, Sv, door een raadsman een schriftuur houdende middelen wordt ingediend. Binnen de termijn als bedoeld in art. 437, tweede lid, Sv is geen schriftuur houdende middelen bij de Hoge Raad binnengekomen, zodat de verdachte niet-ontvankelijk moet worden verklaard in het ingestelde cassatieberoep.
3. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het beroep in cassatie.
De Procureur-Generaalbij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
Deze zaak hangt samen met de zaak [medeverdachte] (14/00250) waarin ik vandaag standpunt bepaal.