Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Parket bij de Hoge Raad

ECLI:NL:PHR:1986:AG5174

1986-01-17 Civiel recht 6944 rek.nr
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Uitspraakdatum
1986-01-17
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
—
Zaaknummer
6944 rek.nr
Type
Conclusie
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 1987, 352 met annotatie van W.L. Haardt | RvdW 1986, 29

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Procesrecht. Ontvankelijkheid van cassatieberoep procespartijen tegen niet-ontvankelijkheidsverklaring door hof van hoger beroep tegen verwerping van het beroep van getuige op verschoningsrecht.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (21.627 tekens)
ap
Rekest nr. 6944
(Rondom het verschoningsrecht van een journaliste)
Parket, 13 november 1985



Mr. Biegman-Hartogh

Conclusie inzake:

1. DE GEÏLLUSTREERDE PERS B.V.
2. [verzoeker 2]

tegen

DE NEDERLANDSCHE MIDDENSTANDSBANK N.V.




Edelhoogachtbaar College,


1. Dit geding betreft eigenlijk niet zozeer het beroep dat een journalist - tevergeefs - deed op een hem toekomend beperkt verschoningsrecht, als wel enkele processuele vragen in verband met dit recht.
2. Feiten en procesverloop.
De zaak is aanhangig gemaakt door verweerster in cassatie, NMB, die onder vermelding van verzoekster tot cassatie sub 1, GP, als gerequestreerde, de Rechtbank verzocht een voorlopig getuigenverhoor te gelasten. Telefonische mededelingen van [betrokkene 1], verslaggever van het weekblad Nieuwe Revu, brachten NMB ertoe tegen GP, uitgeefster van dat blad, een procedure aan te spannen om te voorkomen dat bepaalde uitlatingen over (één van de filiaaldirecteuren van) NMB zouden worden gepubliceerd, c.q. om schadevergoeding en/of rectificatie te vorderen. Daartoe wenste NMB [betrokkene 1] te doen horen om te weten te komen wie de betrokken filiaaldirecteur was, opdat zij met behulp van diens inlichtingen haar kansen in de procedure kon beoordelen.
3. De Rechtbank heeft het verzoek toegewezen. Bij zijn verhoor door de Rechter-Commissaris (zie het proces-verbaal van 5-2-1985) heeft [betrokkene 1] verklaard dat het ging om een onderzoek door verslaggevers van de Nieuwe Revu naar de bereidheid van banken om zwart geld aan te nemen. Daartoe werden gesprekken gevoerd met directeuren van verschillende bankfilialen. Men maakte zich niet als journalist bekend maar deed zich voor als mogelijk cliënt, en het gesprek werd buiten medeweten van de betrokken directeur op de band opgenomen.

[betrokkene 1] heeft van de twee verslaggevers die een vestiging van de NMB hadden bezocht, slechts één naam opgegeven; hij verklaarde noch de naam van diens collega, noch die van de betrokken directeur, noch ook de plaats van vestiging van het filiaal te kennen, maar deelde mee dat de hoofdredacteur van de Nieuwe Revu, [verzoeker 2], verzoeker tot cassatie sub 2, deze drie gegevens wel zou kunnen verstrekken.
4. [verzoeker 2] echter, als getuige gehoord, beriep zich op een hem als journalist toekomend (beperkt) verschoningsrecht om op de bedoelde drie vragen geen antwoord te hoeven geven. Zie over de feiten voorts rov. 1 t/m 4 van de beschikking van de Rechter-Commissaris dd. 14-3-1985 en over de drie vragen rov. 5, en over een en ander ook de beschikking a quo van het Hof, rov. 1 en rov. 2 sub A t/m C.
5. De Rechter-Commissaris wees het beroep van [verzoeker 2] op een verschoningsrecht af. In hoger beroep is door [verzoeker 2] en GP gezamenlijk één verzoekschrift ingediend, waarbij [verzoeker 2] als verzoeker 1. en GP als verzoekster 2. werd vermeld, maar overigens het geschrift in zijn geheel namens beide partijen was opgesteld; dezelfde raadsman trad voor hen op.
Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben zij (onder meer) nog een nieuwe stelling aangevoerd, die het Hof op gronden van proces-economie in rov. 7.1 heeft beantwoord.
6. Het Hof oordeelde in rov. 4 dat GP niet-ontvankelijk was in haar appèl, en in rov. 6.1 dat hetzelfde - zij het op een andere grond - gold voor [verzoeker 2], maar het heeft, eveneens om proces-economische redenen, de vraag of aan [verzoeker 2] in dit geval een beroep op een beperkt verschoningsrecht toekomt, in rov. 7.2 beantwoord, en wel in ontkennende zin.
7. Ook in cassatie is door [verzoeker 2] en GP slechts één verzoekschrift ingediend, ditmaal met GP als eerste en [verzoeker 2] als tweede verzoeker, wederom door toedoen van eenzelfde raadsman, maar het eerste van de twee middelen wordt alleen namens GP voorgedragen.
8. Verschoningsrecht in het algemeen.
Het verschoningsrecht - gemakshalve beperk ik me tot de regeling van het burgerlijk recht - is neergelegd in art. 1946 lid 2 BW, en wel als een uitzondering op de in lid 1 geformuleerde verplichting om "getuigenis in regten" af te leggen. Van deze plicht kunnen zich onder meer verschonen:

"3º. Alle degenen, die uit hoofde van hunnen stand, beroep of wettige betrekking, tot geheimhouding verpligt zijn, doch alleen en bij uitsluiting nopens hetgeen waarvan de wetenschap aan hen als zoodanig is toevertrouwd."


In het algemeen gaat het bij de vraag of aan een vertegenwoordiger van een bepaalde stand of beroep een verschoningsrecht toekomt, om een afweging van belangen: enerzijds het belang van een goede rechtsbedeling die slechts kan bestaan bij de gratie van het aan de dag komen van de waarheid in een proces, en anderzijds het algemeen belang dat niemand uit vrees voor openbaring van geheimen zich ervan zal laten weerhouden zich tot bepaalde hulpverleners te wenden. Deze hulpverleners zijn dan met name de arts, de advocaat, de notaris en de geestelijke, zoals Uw Raad in HR 11-11-1977 NJ 1978, 399 WHH vermeldde; een journalist behoort hiertoe niet. Hij is q.q. geen hulpverlener, er bestaat voor hem geen plicht tot geheimhouding van hetgeen hem is geopenbaard (integendeel, dunkt mij) en op verzwijging van hem meegedeelde gegevens zal men dus in het algemeen niet mogen vertrouwen.

9. Verschoningsrecht van een journalist.
Niettemin kan er wel een ander, algemeen belang gemoeid zijn met het toekennen van een verschoningsrecht aan een journalist, namelijk het belang van de nieuwsgaring waardoor misstanden ter algemene kennis kunnen worden gebracht, welk belang ermee gediend kan zijn dat de journalist de identiteit van zijn informanten niet behoeft te openbaren, opdat zijn bronnen van informatie niet zullen opdrogen. Zie over dit onderwerp HR 14-12-1948 NJ 1949, 95 BVAR en HR 11-11-1977 NJ 1978, 399 WHH met gegevens in de conclusie van de A-G Franx en de noot van Heemskerk, L.M. Meijers, Verstaanbaarheid en verschoningsrecht, in Procès november 1984 p. 324 e.v. (p. 329-332) en voorts de gegevens in de conclusie van de A-G Ten Kate sub 71 voor HR 8-3-1985 : RvdW 1985, 54, met name ook Vranken in NJB 1976 p. 1015-1020.
10. In het onderhavige geval evenwel is van het dienen van het belang van een onbelemmerde nieuwsgaring doordat de journalist de naam van zijn vertrouweling-informant mag verzwijgen, naar mijn mening geen sprake, zoals ook Rechter-Commissaris en Hof in dit geding (zie boven sub 5 en 6) hebben beslist. Er was hier geen sprake van vertrouwen op geheimhouding door de journalist: voor de directeur was immers verzwegen dat hij met journalisten te doen had. Voor zover de directeur vertrouwde op geheimhouding kwam dat omdat hij dacht dat de "cliënten" zelf de wet overtraden.

Evenmin was er sprake van bescherming van de bronnen van informatie: de uitlatingen zijn de directeur onder valse voorwendsels ontlokt (in een strafproces zou men in zo'n geval kunnen spreken van onrechtmatig verkregen bewijs); mededelingen doen om misstanden in het openbaar te (doen) brengen was m.i. wel het laatste dat de filiaaldirecteur beoogde.
En ongeacht of de journalist ten processe al dan niet verplicht was de naam van deze "informant" te noemen, déze bron van informatie is in ieder geval opgedroogd zodra men wist met een journalist van doen te hebben. En daarmee vervalt naar mijn mening in een dergelijk geval de grond aan het verschoningsrecht van de journalist.

11. In de onderhavige zaak is men (nog?) niet toegekomen aan het dilemma, aldus genoemd door mijn ambtgenoot Ten Kate in zijn conclusie, met name sub 8, 9 en 67, voor HR 8-3-1985 RvdW 1985, 54, dat ontstaat wanneer tegenover het belang dat misstanden aan het licht kunnen worden gebracht, wordt gesteld het belang van bescherming van burgers tegen lichtvaardige openlijke verdachtmakingen, zie daarover naast genoemd arrest nog de arresten van Uw Raad van resp. 24 juni 1983 m.n. MS en twee van 27 januari 1984, NO 1984 nrs. 801, 802 en 803 m.n. CJHB.
12. Ontvankelijkheid van de partij aan de zijde van de getuige.

Zoals reeds vermeld (zie boven sub 5 en 7) hebben GP en [verzoeker 2] in één gezamenlijk ingediend verzoekschrift hoger beroep, en op dezelfde wijze ook beroep in cassatie ingesteld. In appel heeft NMB het Hof verzocht GP niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, en het Hof stemde hiermede in. In cassatie heeft NMB zich t.a.v. het alleen door GP voorgedragen eerste cassatiemiddel gerefereerd aan het oordeel van Uw Raad. Hoe dient men nu te oordelen over de ontvankelijkheid in appel en in cassatie van een betrokkenen als GP? Weliswaar is hij partij in het geding tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor, maar dient hij ook als zodanig te worden aangemerkt.in het incident, dat ontstaat doordat tijdens het verhoor een getuige zich beroept op een hem toekomend verschoningsrecht?
In HR 21-3-1958 NJ 1958, 213 heeft Uw Raad overwogen dat in het door een beroep op het verschoningsrecht ontstane incident ook de partijen in de hoofdzaak, vanwege de persoonlijke belangen die zij erbij kunnen hebben dat bepaald bewijsmateriaal ter kennis van de rechter kan worden gebracht, zich in beginsel kunnen bedienen van de door de wet geboden rechtsmiddelen tegen de beslissing in het incident. Maar deze persoonlijke belangen zijn zozeer. ondergeschikt aan de algemene belangen, betrokken bij het al dan niet toekennen van een verschoningsrecht (zie boven sub 8 en 9), dat wanneer de getuige toch eenmaal zijn verklaring heeft afgelegd, deze partijbelangen van onvoldoende gewicht zijn om tot cassatie te kunnen leiden. Voorts heeft Uw Raad beslist dat de getuige partij wordt in het incident m.b.t. het verschoningsrecht, en dat hij tegen de in zijn nadeel gegeven beslissing in het incident op dezelfde wijze rechtsmiddelen kan aanwenden als de partijen in de hoofdzaak kunnen doen. Hij dient dan beide partijen in het hoger beroep te betrekken (HR 17-11-1966 NJ 1967, 223 en 224 DJV). In HR 17-11-1967 NJ 1968, 164 DJV is de beslissing van 1958 aangescherpt: bij verwerping van zijn beroep op een verschoningsrecht komt alleen aan de getuige die er zich op beriep, maar niet aan partijen, de bevoegdheid toe een rechtsmiddel tegen de beslissing aan te wenden. Veegens in zijn noot acht dit een hinkende rechtstoestand: hogere voorziening voor de partij die het verhoor van de getuige wenst, maar niet voor de partij die zich daartegen verzet.
Nu "hinkt" deze rechtstoestand naar het mij toeschijnt, minder dan op het eerste gezicht lijkt. In het incident om het verschoningsrecht kunnen immers de partijbelangen zelf als van ondergeschikt belang, (zie het arrest van 1958) niet aan de orde komen; het gaat daar uitsluitend om de afweging van de algemene, bij het verschoningsrecht betrokken belangen. En de beslissing kan slechts tweeërlei inhouden: toekennen van het recht, dat is dus ten voordele van de getuige èn van de partij die verzwijging wenst, of afwijzen van het beroep op het recht ten voordele van de partij die getuigenis wenst en ten nadele van de getuige en de andere partij. De strijd om het verschoningsrecht kan derhalve door de getuige en "zijn" partij op volkomen gelijke wijze worden gevoerd, ook al behoeft hun belang bij de uitkomst van de strijd niet hetzelfde te zijn.

13. Voeging (?).

In het onderhavige geval is echter GP, als ik goed zie, niet als zelfstandige procespartij van de beslissing in appèl gegaan; wat hij in hoger beroep deed en thans in cassatie weer doet, lijkt naar ik meen op een soort voeging, maar dan buiten de rechter om (zie over het begrip voeging als hier bedoeld Hugenholtz-Heemskerk, 1982 nr. 142, Star Busmann-Rutten, 1972 nrs. 129 sub d, 332 en 335). Ook t.a.v. voeging heeft Uw Raad zich een aantal jaren geleden vrij streng uitgelaten (HR 3-5-1957 NJ 1959, 62 DJV): tot voeging in een tussen andere partijen hangend rechtsgeding kan men slechts worden toegelaten indien men een belang heeft zich te stellen aan de zijde van een der partijen tot ondersteuning van diens standpunt om aldus te voorkómen benadeling van eigen rechten of eigen rechtspositie, welke een beslissing ten nadele van de te ondersteunen partij dreigt ten gevolge te zullen hebben.
Op deze gestrengheid is critiek uitgeoefend, allereerst door Veegens in zijn noot onder het arrest, en voorts door Haardt in de losbladige Burgerlijke Rechtsvordering, aant. 1 ad Boek I art. 285. Vóór het stellen van het belang-vereiste pleit naar mijn mening echter wel, dat men een proces niet zonder enige noodzaak ingewikkelder moet maken dan het met twee partijen al kan zijn.

14. Een goede procesorde.
Het juiste midden tussen een (te) streng formalisme en een (te veel) laten vieren van de teugels biedt naar mijn mening het betoog van Ten Kate, Procesregels naar de kern genomen, in de Haardt-bundel, Een goede procesorde, 1983 p. 71 e.v. Hij wijst er op dat het procesrecht geen doel in zichzelf, maar een dienende taak heeft, en het begrip "deformalisering" omschrijft hij aldus:

"De formele en daaruit voortvloeiende strakke benadering van (procesregels) wordt doorbroken en vervangen door een uitleg en toepassing, gebaseerd op een meer materiële waardering van de waarborgen die de betrokken regels in het gegeven geval beogen te brengen."


Vergelijk ook (m.b.t. het bij één dagvaarding cassatieberoep instellen van twee vonnissen van dezelfde rechter, gewezen tussen dezelfde partijen) HR 7-3-1980 NJ 1980, 611 met de uitvoerig gedocumenteerde conclusie van de fgd. Adv .- Gen. Mr. Martens sub 6, waarbij werd geoordeeld dat een goede procesorde in dat geval aan ontvankelijkheid niet in de weg stond.

15. Ontvankelijkheid van GP.
Leidt een meer materiële waardering van de hier toepasselijke processuele regels ertoe dat GP bevoegd geacht moet worden zelfstandig in het incident om het verschoningsrecht rechtsmiddelen in te stellen, dan wel zich formeel of zelfs informeel te voegen bij de getuige [verzoeker 2]? Formeel is duidelijk dat zij, gelet op de boven sub 12 en 13 vermelde rechtspraak, deze bevoegdheid niet heeft; uit de strekking van deze processuele regels volgt m.i. echter evenmin dat GP daartoe bevoegd behoort te zijn. Het incident om het verschoningsrecht strekt er niet toe de belangen van de partijen in het hoofdgeding te dienen, maar uitsluitend om de algemene belangen betrokken bij het verschoningsrecht af te wegen. En het doel van voeging is een partij gelegenheid te geven tot processuele hulpverlening aan een andere partij, voor zover hij belang heeft bij de uitslag van diens proces. Maar ik kan niet inzien dat GP door zelf mede als procespartij op te treden, haar hoofdredacteur méér kan helpen dat zij reeds deed door hem haar raadsman ter beschikking te stellen, zie blad 12 van de mondelinge toelichting voor het Hof van Mr. Boukema. Derhalve meen ik dat zowel formele processuele rechtsregels, als de regels van een goede procesorde aan de ontvankelijkheid van GP in appèl en in cassatie in de weg staan.
16. Middel I.

Niettemin zal ik het alleen namens GP voorgedragen cassatiemiddel niet onbesproken laten.

Onderdeel I.1 behelst geen klacht, maar citeert slechts rov. 4 van het Hof, waartegen het middel is gericht.

Onderdeel I.2 voert aan dat, anders dan het Hof heeft overwogen, GP diverse relevante gronden heeft aangevoerd ter ondersteuning van de stelling dat zij ook een eigen belang heeft bij een verschoningsrecht van [verzoeker 2]. Hiertoe verwijst zij naar: "het appelrekest, blz. 2 e.v. en de mondelinge toelichting van Mr. H.J.M. Boukema".
Naar het mij toeschijnt, voldoet dit onderdeel van het middel niet aan de eisen die art. 426a lid 2 Rv. stelt, te weten dat het verzoekschrift in cassatie moet behelzen de omschrijving van de middelen waarop het beroep steunt. Vergelijk de rechtspraak, vermeld in de kaartenboekjes van L. Hollander, Cassatie, 1977, p. 231-233 en 1983, p. 148-152, en in Cremers" Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering onder art. 407. De enkele verwijzing naar vijf bladzijden appelrekest en veertien bladzijden toelichting daarop, zonder enige nadere aanduiding, lijkt mij te vaag, en onvoldoende om duidelijk te maken in welk opzicht precies het Hof in de aangevallen overweging zou hebben gefaald.
Bovendien meen ik dat het Hof terecht van oordeel was dat onder al hetgeen GP deed aanvoeren, onvoldoende grond voor een eigen belang van GP bij een aan [verzoeker 2] toekomend verschoningsrecht kan worden gevonden, zie boven sub 9 en 12.

Onderdeel I.3 betoogt met een beroep op een zinsnede uit het boven (sub 12) vermelde arrest van 1958 dat het Hof een onjuist criterium heeft aangelegd m.b.t. de vraag of GP ontvankelijk is in haar appèl. Blijkens het voorts sub 12-15 vermelde ben ik van mening dat de beslissing van het Hof op dit punt juist was.
In onderdeel I.4, dat een beroep doet op art. 6 EVRM, wordt er van uitgegaan dat in het incident over een aan [verzoeker 2] toekomend verschoningsrecht, burgerlijke rechten en verplichtingen van GP in het geding waren, hetgeen naar mijn mening niet juist is, zie sub 12.

Onderdeel 1.5 voert aan dat, anders dan Uw Raad in het boven sub 12 genoemde arrest van 17-11-1967 heeft beslist, algemeen wordt aangenomen dat de partij die een verschoningsgerechtigde getuige voor een verhoor heeft opgeroepen, wel in beroep kan gaan tegen een beslissing van de rechter waarbij dit recht is erkend.
Naar het mij voorkomt echter bestaat er géén tegenstelling tussen de beslissing van Uw Raad en wat "algemeen wordt aangenomen"; de klacht ziet eraan voorbij dat het in het arrest van 1967 ging om het geval dat de rechter een beroep op verschoningsrecht heeft verworpen, terwijl bij het honoreren van een dergelijk beroep niet de getuige, noch "zijn" partij tegen de voor hen gunstige beslissing een rechtsmiddel zal instellen, maar alleen de wederpartij voldoende belang heeft om daarvan in beroep te gaan. Zie voorts boven sub 12 in fine.

17. Middel II.

Wat betreft het door [verzoeker 2] (en GP) voorgedragen cassatiemiddel:
Onderdeel II formuleert een motiveringsklacht, die blijkens onderdeel II.2 is gericht tegen bepaalde gedeelten uit rov. 6.1, 7.1 en 7.2 van de beschikking a quo, terwijl voorts rov. 10 uit de beschikking van de Rechter-Commissaris dd. 14-3-1985 wordt geciteerd (voor "humanist" leze men: "journalist").
In onderdeel II.3 wordt aangevoerd dat de hier bedoelde overwegingen van het Hof innerlijk tegenstrijdig zijn, aangezien ofwel de Rechter-Commissaris aan [verzoeker 2] geen verdere vragen meer kan stellen omdat in rov. 5 van de beschikking is bepaald dat [verzoeker 2] de genoemde drie vragen dient te beantwoorden, in welk geval [verzoeker 2] inderdaad geen belang zou hebben bij zijn appèl en dus niet-ontvankelijk zou zijn in zijn beroep, ofwel de Rechter-Commissaris wèl verdere vragen kan stellen, maar dan heeft [verzoeker 2] wel belang bij zijn appèl.
Dit onderdeel moet m.i. falen. Het enkele feit dat de Rechter-Commissaris aangaf welke drie vragen door [verzoeker 2] beantwoord moesten worden, impliceert immers niet dat dit dan ook alle vragen waren die beantwoord dienden te worden; uit het proces-verbaal dd. 3-4-1985: "het getuigenverhoor wordt geschorst en zal worden hervat zodra" blijkt het tegendeel. Anders dan bijv. in HR 11-11-1977 NJ 1978, 399 (rov. ad middel 2) het geval was, had de Rechtbank bij haar bevel tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor de Rechter- Commissaris geheel de vrije hand gelaten (zie het stempel op het verzoekschrift van NMB in eerste aanleg, laatste blz.).
Nu betrof het door [verzoeker 2] ingestelde hoger beroep tegen het hem onthouden van een verschoningsrecht (zie rov. 3.0 sub a. van het Hof) uitsluitend de drie vragen van rov. 5 van de Rechter-Commissaris. Te dien aanzien had hij geen belang, want het antwoord erop was inmiddels bekend (zie rov. 6.1, eerste zin). Daarmede was de niet-ontvankelijkheid van zijn beroep gegeven.
Tijdens de mondelinge behandeling door het Hof heeft [verzoeker 2] evenwel alsnog doen aanvoeren dat géén andere dan de bedoelde drie vragen meer aan de orde zouden mogen komen (zie rov. 3.1 sub a.), terwijl NMB te kennen gaf belang te hebben bij voortzetting van het voorlopig getuigenverhoor (zie rov. 6.0). En hoewel na de niet-ontvankelijkverklaring van appellanten, GP in rov. 4, [verzoeker 2] in rov. 6.1, formeel beschouwd dit twistpunt niet meer aan de orde behoefde te komen, heeft het Hof op gronden van proces-economie - dus om te voorkomen dat partijen binnen korte tijd weer voor het Hof zouden staan - aangegeven dat de Rechter-Commissaris nog wel nadere vragen zou mogen stellen als hem dat opportuun voor zou komen, en zelfs ook, dat [verzoeker 2] zich m.b.t. de vraag naar de inhoud van het gesprek met de filiaaldirecteur niet op een verschoningsrecht zou kunnen beroepen. Voorts zag het Hof geen grond aanwezig voor een beroep op een verschoningsrecht bij de beantwoording van verdere vragen.
Indien men derhalve onderscheidt tussen hetgeen het Hof in appèl te beslissen had en dus ook besliste, en hetgeen het Hof hieraan vrijwillig, n.a.v. de toen reeds opdoemende nieuwe meningsverschillen, als richtlijnen voor partijen aan toevoegde, dan is naar mijn mening van onderlinge tegenstrijdigheid van de aangevallen overwegingen van het Hof geen sprake.



Daar ik geen van de onderdelen van de middelen gegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep.



Parket, 13 november 1985



De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,