Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:1986:AG5174

1986-01-17 Civiel recht 6944 rek.nr
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
1986-01-17
Publicatiedatum
2013-04-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
6944 rek.nr
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NJ 1987, 352 met annotatie van W.L. Haardt | RvdW 1986, 29

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Procesrecht. Ontvankelijkheid van cassatieberoep procespartijen tegen niet-ontvankelijkheidsverklaring door hof van hoger beroep tegen verwerping van het beroep van getuige op verschoningsrecht.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (19)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (5.589 tekens)
17 januari 1986
Eerste Kamer
Rek.nr. 6944
AT



Hoge Raad der Nederlanden





Beschikking
in de zaak van:


1. DE GEILLUSTREERDE PERS B. V. ,
gevestigd te Amsterdam,
2. [verzoeker 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKERS tot cassatie,
advocaat: Mr. A.H. Vermeulen,


tegen



DE NEDERLANDSCHE MIDDENSTANDSBANK N. V. ,
gevestigd te Amsterdam,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: Mr. J.L.W. Sillevis Smitt.



1. Het geding in feitelijke instanties


Op 28 januari 1985 heeft verweerster in cassatie - verder te noemen de N.M.B. - zich gewend tot de Rechtbank te Amsterdam met het verzoek ter zake omschreven in het inleidend verzoekschrift een voorlopig getuigenverhoor te bevelen met benoeming van een Rechter-Commissaris te wiens overstaan het verhoor zal worden gehouden, met bepaling van dag en uur van het verhoor alsmede met bepaling van het tijdstip, waarop de N.M.B. uiterlijk een afschrift van dit verzoekschrift en van de daarop te geven beschikking aan verzoekers tot cassatie verder te noemen de G.P. en [verzoeker 2] moet doen toekomen.
Bij beschikking van 28 januari 1985 heeft de Rechtbank het verzoek toegewezen.
Verzoeker tot cassatie [verzoeker 2] , die door de N.M.B. als getuige was opgeroepen, heeft zich beroepen op een hem naar zijn mening als journalist toekomend beperkt verschoningsrecht.
Bij beschikking van 14 maart 1985 heeft de Rechter-Commissaris het beroep op het verschoningsrecht van [verzoeker 2] ongegrond geoordeeld. Tegen deze beschikking hebben de G.P. en [verzoeker 2] beiden hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Amsterdam.
Bij beschikking van 13 juni 1985 heeft het Hof de G.P. en [verzoeker 2] beiden niet-ontvankelijk verklaard in hun beroep.
De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.



2. Het geding in cassatie


Tegen de beschikking van het Hof hebben de G.P. en [verzoeker 2] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De N.M.B. heeft verzocht het beroep te verwerpen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal Biegman-Hartogh strekt tot verwerping van het beroep, is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.



3. Beoordeling van de middelen


3.1 In de onderhavige zaak heeft [verzoeker 2] in een voorlopig getuigenverhoor voor de Rechter-Commissaris een beroep gedaan op een hem naar zijn mening als journalist toekomend verschoningsrecht. De Rechter-Commissaris heeft dit beroep verworpen; tegen deze beschikking is niet alleen [verzoeker 2] , maar ook de G.P. in hoger beroep gekomen.
Nadat beiden in hun hoger beroep niet-ontvankelijk waren verklaard, zijn beiden van de beschikking van het Hof in cassatie gegaan. De eerste vraag die daarbij aan de orde komt is of de G.P. - voor wie volgens het Hof als partij geen hoger beroep tegen de beschikking van de Rechter- Commissaris openstond, een beslissing die door de G.P. in cassatie in het eerste middel wordt bestreden - in haar beroep in cassatie ontvangen kan worden. Deze vraag moet bevestigend worden beantwoord, nu de G.P., ook al zou tegen de onderhavige beslissing omtrent het verschoningsrecht zelf voor haar geen hoger beroep of beroep in cassatie openstaan, in elk geval de juistheid van de beslissing van het Hof omtrent de niet-ontvankelijkheid van haar hoger beroep in cassatie aan de orde dient te kunnen stellen.



3.2 Het eerste middel faalt. De beslissing of een getuige van een hem naar zijn mening toekomend verschoningsrecht gebruik wil maken, berust naar de aard van het verschoningsrecht, zoals die aard mede tot uiting komt in het te dezen toepasselijke art. 1946 lid 2 onder 3° BW, dat in de aanhef van "kunnen" spreekt, bij de getuige zelf, met dien verstande dat, indien de getuige beroep doet op verschoningsrecht, de rechter moet toetsen of dit beroep terecht wordt gedaan. Dit stelsel brengt mee dat, zo de rechter een voor hem gedaan beroep op verschoningsrecht verwerpt, alleen de getuige bevoegd is de beslissing van de hogere rechter in te roepen omtrent de vraag of zijn beroep al of niet gegrond was, en dat de partijen in wier zaak de getuige werd voorgebracht, zodanige bevoegdheid niet hebben (HR 17 november 1967, NJ 1968, 164).
Anders dan in het middel wordt aangevoerd, komt een en ander niet in strijd met het bepaalde in art. 6 EVRM.
Daarbij verdient aantekening dat in het omgekeerde geval dat de eerste rechter het beroep op verschoningsrecht juist toelaatbaar oordeelt, elk van de partijen in wier zaak de getuige werd voorgebracht en die meent daarbij belang te hebben, tegen een zodanige beslissing hoger beroep en, na een eventuele bekrachtiging, beroep in cassatie kan instellen teneinde een uitspraak van de hogere rechter te verkrijgen omtrent de vraag of aan de getuige in het gegeven geval inderdaad de bovenbedoelde bevoegdheid toekwam om desgewenst een beroep op verschoningsrecht te doen.



3.3 Het bovenstaande brengt mee dat het tweede middel nog slechts aan de orde kan komen, voor zover aangevoerd door [verzoeker 2] . Het faalt op de gronden, uiteengezet in de conclusie van het Openbaar Ministerie onder 17.



4. Beslissing


De Hoge Raad:
verwerpt het beroep.



Deze beschikking is gewezen door de raadsheren Mrs. Snijders, als voorzitter, Royer, Van den Blink, Bloembergen en Boekman, en in het openbaar uitgesproken door de vice-president Ras op 17 januari 1986.