Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

ECLI:NL:OGHACMB:2026:182

2026-06-30 Civiel recht AUA2025H00316
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraakdatum
2026-06-30
Publicatiedatum
2026-07-09
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
AUA2025H00316
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aruba; bevoegdheid instellen derdenverzet (art.287 Rv).

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (14.305 tekens)
Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: AUA2025H00316
Uitspraak: 30 juni 2026




GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba




V O N N I S



in de zaak op een verzet door een derde (art. 287 Rv) van:





[verzoekster],

hierna: [verzoekster],
verzoekster in derdenverzet,
wonend in [woonplaats],
procederend zonder gemachtigde (voorheen mr. B.M. de Sousa),



in de zaak van:




[appellant],

hierna: [appellant],
wonend in [woonplaats],
appellant in de hoofdzaak,
procederend zonder gemachtigde,



tegen




[geїntimeerde],

hierna: [geїntimeerde],
wonend in [woonplaats],
geïntimeerde in de hoofdzaak,
gemachtigde: mr. D.C. Lopez Paz.






1De zaak in het kort


Verzoekster heeft derdenverzet ingesteld tegen een vonnis van het Hof, gewezen tussen haar echtgenoot en zijn eerste echtgenote. In dat vonnis is onder meer bepaald dat de woning waarin zij woont (samen met haar echtgenoot en hun minderjarige dochter) moet worden verkocht. Het Hof verwerpt het derdenverzet.





2Het verloop van de procedure in herroeping


2.1
Bij een op 5 maart 2025 ingekomen verzoek (met producties) heeft [verzoekster] een verzoek tot verzet ingediend tegen het tussen [appellant] en [geїntimeerde] gewezen vonnis van dit Hof van 19 november 2024.



2.2 [
[geїntimeerde] heeft op 1 juni 2026 een verweerschrift ingediend. Zij heeft gevorderd [verzoekster] niet-ontvankelijk te verklaren in haar derdenverzet dan wel het derdenverzet ongegrond te verklaren. Daarnaast heeft [geїntimeerde] gevorderd het vonnis van 19 november 2024 te bevestigen en te bepalen dat geen grond bestaat voor de schorsing van executie van dit vonnis, met veroordeling van [verzoekster] in de kosten van de procedure.



2.3
Het Hof heeft [geїntimeerde] en [appellant] opgeroepen voor de zitting van het Hof van 8 juni 2026 om te worden gehoord op het verzoek derdenverzet. Die zitting is gehouden in het gerechtsgebouw in Aruba, waarbij mr. Saleh als voorzitter in Aruba de zitting heeft geleid en de leden van het Hof Ter Veer en Bronzwaer vanuit Curaçao per videoverbinding aan de zitting hebben deelgenomen. Verschenen zijn: [verzoekster], [appellant] en [geїntimeerde], bijgestaan door mr. Lopez Paz.. Voorafgaand aan de zitting heeft het Hof een verzoek van [verzoekster] afgewezen om haar minderjarige dochter toe te laten tot de zitting, omdat het belang van de minderjarige, gelet op haar leeftijd (11 jaar), zich daartegen verzet.



2.4
Vonnis is bepaald op vandaag.






3De feiten


3.1 [
[appellant] was van 1976 tot 1999 getrouwd met [geїntimeerde]. Op 19 november 2024 heeft dit Hof een vonnis gewezen tussen [appellant] en [geїntimeerde] (AUA2023H00012, gepubliceerd als ECLI:NL: OGHACMB:2024:267, hierna: het Hofvonnis). In dat vonnis heeft het Hof de wijze van verdeling bepaald van de gemeenschap van goederen die bestond tussen [appellant] en [geїntimeerde] en die na een echtscheidingsbeschikking uit 1998 nog altijd niet verdeeld was. In die gemeenschap viel onder meer een perceel grond ([het perceel] in [plaats], het perceel) met daarop een woning (hierna: de woning) en een appartement. In het Hofvonnis is bepaald dat de woning en het appartement verkocht moeten worden aan een derde, met een minimumlaatprijs van Afl. 400.680. Tegen het Hofvonnis is geen cassatie ingesteld, zodat het inmiddels kracht van gewijsde heeft.



3.2 [
[appellant] is in 2011 getrouwd met [verzoekster] en zij wonen samen in de woning met hun minderjarige dochter [minderjarige]. Bij beschikking van 5 mei 2025 is de echtscheiding tussen [appellant] en [verzoekster] uitgesproken.



3.3 [
[geїntimeerde] wil het Hofvonnis executeren en heeft inmiddels een koper gevonden voor de woning. [verzoekster] en [appellant] hebben de tenuitvoerlegging van het Hofvonnis proberen te voorkomen door het aanspannen van een aantal procedures, waarbij hun vorderingen steeds zijn afgewezen. In de laatste van deze procedures heeft het Gerecht bij vonnis in kort geding van 25 februari 2026 (AUA202503900) bepaald dat dat vonnis in de plaats treedt van alle door [verzoekster] te verrichten rechtshandelingen die nodig zijn voor de verkoop en de levering van de woning aan de koper. In het hoger beroep dat [verzoekster] tegen dat vonnis heeft ingesteld (AUA2026H00051) wijst het Hof heden vonnis, tegelijkertijd met deze uitspraak.



3.4
Een door [verzoekster] tegen het Hofvonnis gerichte herroepingsverzoek (AUA2025H00317) is door het Hof afgewezen op 5 mei 2026 (ECLI:NL:OGHACMB:2026:129).





4De beoordeling



derdenverzet




4.1
De vordering van [verzoekster] is gegrond op artikel 287 Rv, waarin (samengevat) is bepaald dat een derde bevoegd is om zich te verzetten tegen een vonnis dat zijn of haar rechten benadeelt, indien hij of zij niet in het rechtsgeding is geroepen en niet door voeging of tussenkomst partij is geweest.



4.2
Vast staat dat [verzoekster] niet is opgeroepen in het geding dat geleid heeft tot het Hofvonnis en ook geen partij daarbij was door voeging of tussenkomst.



het derdenverzet is niet te laat ingesteld





4.3 [
[geїntimeerde] heeft aangevoerd dat het derdenverzet onredelijk laat is ingesteld. [verzoekster] was al begin december 2024 op de hoogte van het Hofvonnis, maar heeft pas op 5 maart 2025 derdenverzet ingesteld, terwijl een verklaring daarvoor ontbreekt.



4.4
Nu er geen wettelijke termijn geldt voor het instellen van derdenverzet kan niet aangenomen worden dat het verzoek te laat is ingediend.



er is benadeling in een recht





4.5 [
[geїntimeerde] heeft vervolgens aangevoerd dat het niet voldoende is dat een derde, zoals [verzoekster], nadelige gevolgen ondervindt van een vonnis. Derdenverzet staat slechts open voor een derde met een zelfstandig en rechtstreeks belang en de door [verzoekster] aangevoerde indirecte belangen zijn daarvoor onvoldoende.



4.6
Door de executie van het Hofvonnis wordt [verzoekster] (als derde) feitelijk benadeeld in haar uit eigen hoofde toekomende rechten uit de gemeenschap van goederen waarin zij deelgenoot is met [appellant]. Daarom acht het Hof [verzoekster] bevoegd om derdenverzet in te stellen en is zij daarin ontvankelijk. Het leidt echter niet tot het door haar gewenste resultaat, zoals het Hof hierna overweegt.



het derdenverzet gaat niet op





4.7 [
[verzoekster] heeft de volgende gronden aangevoerd voor haar verzoek. In het Hofvonnis is in het geheel geen rekening gehouden met de economische belangen van [verzoekster]. [appellant] en zij hebben gelden geïnvesteerd in de woning en de hypotheektermijnen betaald, daarvan profiteert [geїntimeerde] nu. Inmiddels heeft [verzoekster] echtscheiding verzocht. De woning kan niet aan een derde worden verkocht voordat [verzoekster] eerst haar helft van de goederengemeenschap uitbetaald heeft gekregen. Het betreft bovendien het erfdeel van haar minderjarige dochter en ook zij heeft er belang bij dat het Hofvonnis niet wordt geëxecuteerd, aldus [verzoekster].



4.8 [
[verzoekster] gaat er in haar verzoek derdenverzet vanuit dat er in het Hofvonnis in het geheel geen rekening is gehouden met haar belangen. Dat klopt echter niet, zoals blijkt uit rechtsoverweging 4.12 van dat vonnis (waarin [appellant] wordt aangeduid als de man, [geїntimeerde] nals de vrouw en [verzoekster] als de tweede echtgenote)



“4.12 De man heeft in de vierde plaats aangevoerd dat rekening gehouden moet worden met het feit dat hij op 24 november 2011 in gemeenschap van goederen is getrouwd met zijn huidige echtgenote en dat deze echtgenote ook heeft geïnvesteerd in de woning. Ook dit laatste heeft de vrouw gemotiveerd betwist, terwijl de gestelde investeringen niet met stukken zijn onderbouwd. De man en zijn tweede echtgenote zijn getrouwd in gemeenschap van goederen terwijl zij wisten (of konden weten) dat de huwelijksgemeenschap met de vrouw nog niet was verdeeld. Zij hebben daarmee het risico genomen dat investeringen in de woning ook deels aan de vrouw zouden toekomen. Ook dit vormt geen reden om van een andere peildatum voor de waardering van de woning uit te gaan.”





4.9
De door [verzoekster] aangevoerde economische belangen zijn door het Hof dus al meegewogen in de beslissing dat de woning verkocht moet worden. Dit geldt ook voor het verzoek van [verzoekster] dat zij tijdens de zitting heeft gedaan om in staat gesteld te worden de woning te kopen in plaats van dat deze aan een derde wordt verkocht. Dit blijkt uit rechtsoverweging 4.8 uit het Hofvonnis, waarin is overwogen dat [appellant] geen financiering kon krijgen om [geїntimeerde] uit te kopen, ook niet als die financiering samen met [verzoekster] zou worden aangevraagd:



“4.8 Het Hof zal bepalen dat de woning en het appartement verkocht moeten worden aan een derde, waarna aan ieder van partijen in beginsel de helft van de verkoopopbrengst toekomt. Redengevend voor deze beslissing is dat de man al lang de tijd heeft gehad de vrouw uit te kopen, maar hier kennelijk niet voor gekozen heeft, ook niet na het eindvonnis van het Gerecht, waarin hem daarvoor een termijn van zes maanden is gegeven. Sinds het vonnis van het Gerecht is al weer bijna 2 jaar verstreken. Het grote pijnpunt voor de man is dat hij de woning niet wenst te verlaten, hetgeen mede gelet op zijn leeftijd (70 jaar) begrijpelijk is. De situatie voor de vrouw is echter eveneens moeilijk, nu ook zij op leeftijd is (67 jaar) en onweersproken heeft aangevoerd dat zij geen hypothecaire lening kan afsluiten om een nieuwe woning te kopen. De vrouw hoeft niet te dulden dat zij tot in de lengte der dagen in een onverdeelde boedel moet blijven en het daarin vastzittende kapitaal niet kan gebruiken zoals het haar uitkomt. Ter zitting heeft de man toegegeven dat hij geen hypothecaire lening kan krijgen indien uitgegaan wordt van de waarde van de woning en het appartement per heden (hetgeen in dit geval uitgangspunt is, zoals hiervoor is overwogen), ook niet als de hypotheek wordt aangevraagd samen met zijn jongere tweede echtgenote. Verkoop is daarom de beste (of enige) oplossing voor beide partijen.”.




Ter zitting van 8 juni 2026 heeft [geїntimeerde] verklaard dat na het Hofvonnis is onderhandeld met [verzoekster] en [appellant] over de uitkoop van [geїntimeerde], maar het aanbod voldeed niet (het was te laag en een door de bank geaccordeerde financiering ontbrak). [verzoekster] heeft dit onvoldoende weersproken.




4.10
Het Hof heeft in het Hofvonnis dus de belangen van [verzoekster] al meegewogen en deze minder zwaarwegend geacht dan de belangen van [geїntimeerde] om niet in een onverdeelde boedel te hoeven blijven en het haar toekomende kapitaal vrij beschikbaar te hebben. Daar komt bij dat niet duidelijk is in hoeverre [verzoekster] in haar rechten zal worden benadeeld door de verkoop van de woning. In de prijs waartegen de woning aan de derde is verkocht zijn eventuele investeringen, naar valt aan te nemen, verdisconteerd. Na de verkoop van de woning zullen [geїntimeerde] en [appellant] moeten afrekenen zoals bepaald in het Hofvonnis, zodat [appellant] (en [verzoekster]) niet zonder kapitaal blijven, waarmee zij eventueel een nieuwe woning kunnen aanschaffen.



4.11
Weliswaar is het voor [verzoekster] en haar dochter ingrijpend als de woning verkocht wordt en zij daaruit moeten vertrekken. Dat zij het hierop heeft laten aankomen komt voor haar eigen rekening, omdat [appellant] en zij hier al heel lang rekening mee hebben kunnen houden (zie de hiervoor aangehaalde overweging in 4.12 van het Hofvonnis), in ieder geval zeker sinds 19 november 2024. [verzoekster] heeft onvoldoende aangevoerd om aan te nemen dat het voor haar niet mogelijk is andere woonruimte in Aruba te vinden en die te bekostigen (uit het kapitaal van de verkoop van de woning). Het belang bij woonruimte voor haar en haar minderjarige dochter is op die manier voldoende gewaarborgd.



Slotsom





4.12
Het derdenverzet zal als ongegrond worden afgewezen.



4.13 [
[verzoekster] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Een kostenveroordeling levert ook voor de nakosten een executoriale titel op. Dat hoeft dus niet uitdrukkelijk in een dictum te worden toegewezen (HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853).



B E S L I S S I N G



Het Hof:



wijst het verzoek af;



veroordeelt [verzoekster] in de kosten van het derdenverzet, bepaald op Afl 2.000 aan salaris van de gemachtigde;



verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders gevorderde af.





Dit vonnis is gewezen door mrs. C.G. ter Veer, E.A. Saleh en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof uitgesproken op 30 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.