Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

ECLI:NL:OGHACMB:2026:129

2026-05-05 Civiel recht AUA2025H00317
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba
Uitspraakdatum
2026-05-05
Publicatiedatum
2026-06-04
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
AUA2025H00317
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Aruba; afwijzing herroeping art. 382 Rv. Alleen partij kan herroeping verzoeken. Geen gronden voor herroeping.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (6.182 tekens)
Burgerlijke zaken over 2026
Registratienummers: AUA202501642AR en AUA2025H00317
Uitspraak: 5 mei 2026




GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en
van Bonaire, Sint Eustatius en Saba




V O N N I S



in de zaak op een herroepingsverzoek (art. 382 Rv) van:



1. [EISER 1],

hierna: [EISER 1],
en

2. [EISER 2],

hierna: [EISER 2],
eisers tot herroeping,
beiden wonend in [WOONPLAATS],
procederend zonder gemachtigde (voorheen mr. B.M. de Sousa),



tegen




[VERWEERSTER],

hierna: [VERWEERSTER],
wonend in [ADRES],
verweerster in herroeping;
gemachtigde: mr. D.C. Lopez Paz.






1Het verloop van de procedure in herroeping


1.1
Bij een op 21 mei 2025 ingekomen verzoekschrift (met producties) hebben eisers, onder aanvoering van een herroepingsgrond gevorderd dat het Hof:


het tussen [eiser 2] en [verweerster] gewezen vonnis van dit Hof van 19 mei 2024 zal herroepen;


te bepalen dat [eiser 1] de aan [eiser 2] en [verweerster] in mede-eigendom toebehorende woning kan uitkopen voor Afl. 400.648 of enig ander bedrag;





1.2
Bij conclusie van antwoord (met producties) heeft [verweerster] verweer gevoerd. Zij heeft verzocht [eiser 2] en [eiser 1] niet-ontvankelijk te verklaren in hun vordering dan wel die vordering af te wijzen, met veroordeling van hen (hoofdelijk) in de proceskosten.



1.3 [
[eiser 1] heeft op 16 september 2025 nadere stukken ingediend.



1.4
Vonnis is nader bepaald op vandaag.






2De feiten


2.1 [
[eiser 2] was van 1976 tot 1999 getrouwd met [verweerster]. Op 19 november 2024 heeft dit Hof een vonnis gewezen tussen [eiser 2] en [verweerster] (AUA2023H00012, gepubliceerd als ECLI:NL:OGHACMB:2024:267). In dat vonnis heeft het Hof de wijze van verdeling bepaald van de gemeenschap van goederen (die nog altijd niet verdeeld was). In die gemeenschap viel onder meer een perceel grond ([het perceel] in Aruba) met daarop een woning (hierna: de woning) en een appartement. Het Hof heeft in dat vonnis bepaald dat de woning en het appartement verkocht moeten worden aan een derde, met een minimumlaatprijs van Afl. 400.680.



2.2 [
[eiser 2] is in 2011 getrouwd met [eiser 1] en zij wonen samen in de woning. Bij beschikking van 5 mei 2025 is de echtscheiding tussen [eiser 2] en [eiser 1] uitgesproken.






3De beoordeling


3.1
Volgens artikel 382 Rv kan een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, op vordering van een partij worden herroepen indien:


het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd;


het berust op stukken, waarvan de valsheid na het vonnis is erkend of bij gewijsde is vastgesteld, of


de partij na het vonnis stukken van beslissende aard in handen heeft gekregen die door toedoen van de wederpartij waren achtergehouden.





3.2
Het vonnis waarvan herroeping is gevraagd is gewezen door dit Hof op 19 november 2024. Een cassatieberoep had moeten worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Dat is niet gebeurd, zodat de zaak op 19 februari 2025 in kracht van gewijsde is gegaan (voor aanvang en einde van deze termijn zie Hoge Raad 1 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2225).



3.3
Op grond van artikel 383 Rv vangt de termijn voor herroeping pas aan als het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan en moet een verzoek worden ingesteld binnen drie maanden nadat de grond voor herroeping is ontstaan en eiser daarmee bekend is geworden. Dit verzoek is ingesteld op 21 mei 2025. Het Hof gaat er vanuit dat dit tijdig is gebeurd. Verzoekers hebben immers aangevoerd dat de grond voor herroeping is gelegen in hun echtscheiding, die op 5 mei 2025 is uitgesproken.



3.4 [
[verweerster] heeft aangevoerd dat een verzoek tot herroeping alleen kan worden ingediend door diegenen die partij zijn bij het vonnis waarvan herroeping wordt gevraagd en dat [eiser 1] daarom zo’n verzoek niet kan indienen. Dit verweer gaat op, maar afgezien daarvan geldt ook het volgende.



3.5
Eisers hebben als inhoudelijke grond voor de herroeping aangevoerd dat door hun recente echtscheiding [eiser 1] ook deelgenote is in de woning en dat zij de woning toebedeeld wenst te krijgen. Dit is volgens hen een nieuw feit (een novum) dat een herroeping rechtvaardigt.



3.6
Het Hof is van oordeel dat dit feit geen herroepingsgrond vormt. Daarvoor is immers op grond van artikel 382 Rv nodig dat sprake is van bedrog door de wederpartij (sub a), valse stukken (sub b) of het achterhouden van stukken door de wederpartij (sub c). Geen van deze situaties is aan de orde. De vordering van [eiser 1] en [eiser 2] zal dan ook worden afgewezen.



3.7
Eisers zullen, zoals gevorderd, hoofdelijk in de proceskosten van deze herroepingsprocedure worden veroordeeld.



B E S L I S S I N G



Het Hof:



wijst de vordering tot herroeping af;



veroordeelt [eiser 2] en [eiser 1] hoofdelijk in de proceskosten van deze herroepingsprocedure, te bepalen op Cg 2.000 aan salaris van de gemachtigde.




Dit vonnis is gewezen door mrs. E.A. Saleh, C.G. ter Veer en C.J.H.G. Bronzwaer, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 5 mei 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.