Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2025:328

2025-03-18 Strafrecht 21/03656
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2025-03-18
Publicatiedatum
2025-02-24
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
21/03656
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2025-0106 | RvdW 2025/447

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Medeplegen grootschalige oplichting van consumenten met behulp van malafide webwinkels, art. 326.1 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht medeplegen. 2. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft m.b.t. bijdrage van verdachte aan oplichting via een van de websites o.b.v. bewijsmiddelen vastgesteld dat verdachte en medeverdachten A, B, C en D deze website gebruikten en toegangsgegevens hadden voor deze website. Via Skype werden onderling afspraken gemaakt over wie welke dag de website “draaide”, door advertenties te plaatsen, “traffic” te genereren of bestellingen af te handelen. Verdachte heeft ook advertenties geplaatst voor website. Daarnaast verstrekte verdachte identificatiecodes aan medeverdachte D, waarmee D kon inloggen op bankrekeningen waarop geld van oplichting binnenkwam. Voorts blijkt uit chatberichten tussen D en verdachte, die zijn aangetroffen op laptop van verdachte, dat verdachte aan D heeft aangeboden om zijn “passen” (geldezels) te delen. Tot slot blijkt hieruit dat verdachte tegen D heeft gezegd: “Zou jij ook moeten doen die bakfietsen”. T.a.v. 2 andere websites heeft hof vastgesteld dat rolverdeling tussen A, B, verdachte en D inhield dat D advertenties zette en dat A, B en verdachte de bankpassen regelden maar dat iedereen wijzigingen op site kon aanbrengen. Dit betreft substantiële bijdrage aan oplichting die meer omvat dan alleen hulpverlening. Dat hof uit deze feiten en omstandigheden heeft afgeleid dat verdachte bewezenverklaard feit heeft medegepleegd, is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2. HR ambtshalve: Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:714). HR vermindert zelf duur van gijzeling in die zin dat is voldaan aan wettelijk bepaald maximum van 1 jaar. Samenhang met 21/03655 en 21/03659.

Citeert (1)

Geciteerd door (2)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (10.019 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 21/03656

Datum 18 maart 2025




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 augustus 2021, nummer 22-000129-18, in de strafzaak



tegen




[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft D.J.M. Dammers, advocaat in Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en voor zover bij de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partijen de duur van de gijzeling is bepaald op 429 dagen, tot onderscheidenlijk vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot bepaling dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel gijzeling kan worden toegepast voor de duur van ten hoogste een jaar, en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel komt op tegen de bewezenverklaring van het onder 7 tenlastegelegde feit.


2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4.




3Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).



4Beoordeling van het vierde cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


4.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 26 maanden.




5Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof

5.1
Het hof heeft de verdachte de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door het in dat arrest telkens genoemde aantal (in totaal 429) dagen gijzeling.


5.2
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt – ook in gevallen van samenloop als bedoeld in artikel 57 en 58 Sr (vgl. artikel 60a Sr) – ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).


5.3
De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof ambtshalve vernietigen en zelf de duur van de gijzeling verminderen in die zin dat is voldaan aan het wettelijk bepaalde maximum van één jaar.




6Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- vermindert de duur van de opgelegde gevangenisstraf in die zin dat deze 24 maanden beloopt;
- bepaalt dat ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregelen ten behoeve van de na te noemen slachtoffers met toepassing van artikel 6:4:20 Sv telkens gijzeling van de na te melden duur kan worden toegepast:









Slachtoffer




Dagen gijzeling






[slachtoffer 1]



5





[slachtoffer 2]



6





[slachtoffer 3]



7





[slachtoffer 4]



6





[slachtoffer 5]



7





[slachtoffer 6]



5





[slachtoffer 7]



6





[slachtoffer 8]



9





[slachtoffer 9]



7





[slachtoffer 10]



7





[slachtoffer 11]



7





[slachtoffer 12]



18





[slachtoffer 13]



7





[slachtoffer 14]



12





[slachtoffer 15]



11





[slachtoffer 16]



14





[slachtoffer 17]



11





[slachtoffer 18]



23





[slachtoffer 19]



11





[slachtoffer 20]



5





[slachtoffer 21]



23





[slachtoffer 22]



1





[slachtoffer 23]



11





[slachtoffer 24]



19





[slachtoffer 25]



19





[slachtoffer 26]



13





[slachtoffer 27]



23





[slachtoffer 28]



21





[slachtoffer 29]



19





[slachtoffer 30]



13





[slachtoffer 31]



14





- verwerpt het beroep voor het overige.



Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 maart 2025.