Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2022:714
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2022:714 → ECLI:NL:GHAMS:2021:247
- conclusie ECLI:NL:HR:2022:714 → ECLI:NL:PHR:2022:286
Inhoudsindicatie
Medeplegen diefstal d.m.v. braak, art. 311.1 Sr. 1. Maximale duur van gijzeling bij schadevergoedingsmaatregel, art. 36f Sr. Betekenis art. 60a Sr i.g.v. samenloop a.b.i. art. 57 en 58 Sr. Kon hof duur van gijzeling op 365 dagen bepalen? 2. Schriftuur benadeelde partij. Afwijzing vordering b.p. m.b.t. immateriële schade. Ad 1. Hof heeft verdachte schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 304 en 61 (in totaal 365) dagen gijzeling. O.g.v. art. 36f.5 Sr bepaalt rechter bij oplegging van maatregel de duur volgens welke met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling kan worden toegepast. Duur van gijzeling beloopt ten hoogste 1 jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder 1 jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR:2022:498). Redelijke wetsuitleg van art. 60a Sr brengt daarbij met zich dat i.g.v. samenloop a.b.i. art. 57 en 58 Sr, totale duur van gijzeling voor schadevergoedingsmaatregelen het in art. 24c.3 Sr bepaalde maximum van 1 jaar niet mag overschrijden. HR bepaalt, rekening houdend met wettelijk bepaalde maximumduur van in totaal 1 jaar, dat met toepassing van art. 6:4:20 Sv gijzeling van 300 en 60 dagen kan worden toegepast. Ad 2. HR: art. 81.1 RO.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2022:498 Hoge Raad 19-04-2022
Geciteerd door (48)
- ECLI:NL:RBAMS:2026:5549 Rechtbank Amsterdam 02-06-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:311 Parket bij de Hoge Raad 12-05-2026
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2320 Gerechtshof Amsterdam 16-04-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:493 Gerechtshof Den Haag 12-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:177 Hoge Raad 10-02-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2759 Gerechtshof Den Haag 23-12-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1792 Hoge Raad 02-12-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:2358 Gerechtshof Den Haag 12-11-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1513 Hoge Raad 14-10-2025
- ECLI:NL:HR:2025:830 Hoge Raad 03-06-2025
- ECLI:NL:HR:2025:749 Hoge Raad 20-05-2025
- ECLI:NL:HR:2025:750 Hoge Raad 20-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:524 Parket bij de Hoge Raad 13-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:438 Parket bij de Hoge Raad 15-04-2025
- ECLI:NL:HR:2025:328 Hoge Raad 18-03-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:9018 Rechtbank Rotterdam 27-01-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1830 Hoge Raad 10-12-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1829 Hoge Raad 10-12-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:10810 Rechtbank Rotterdam 04-11-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1400 Hoge Raad 15-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1051 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1051 Parket bij de Hoge Raad 09-07-2024
- ECLI:NL:HR:2024:566 Hoge Raad 09-04-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2282 Rechtbank Rotterdam 21-03-2024
- ECLI:NL:RBROT:2024:2283 Rechtbank Rotterdam 21-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:405 Parket bij de Hoge Raad 27-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:154 Parket bij de Hoge Raad 13-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1080 Parket bij de Hoge Raad 28-11-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1159 Hoge Raad 12-09-2023
- ECLI:NL:HR:2023:984 Hoge Raad 27-06-2023
- ECLI:NL:HR:2023:982 Hoge Raad 27-06-2023
- ECLI:NL:HR:2023:983 Hoge Raad 27-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:509 Parket bij de Hoge Raad 16-05-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:436 Parket bij de Hoge Raad 18-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:435 Parket bij de Hoge Raad 18-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:437 Parket bij de Hoge Raad 18-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:205 Parket bij de Hoge Raad 21-02-2023
- ECLI:NL:HR:2023:265 Hoge Raad 21-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:204 Parket bij de Hoge Raad 21-02-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:21 Parket bij de Hoge Raad 10-01-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:21 Parket bij de Hoge Raad 10-01-2023
- ECLI:NL:HR:2022:1905 Hoge Raad 20-12-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1904 Hoge Raad 20-12-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1907 Hoge Raad 20-12-2022
- ECLI:NL:RBNHO:2022:10514 Rechtbank Noord-Holland 29-11-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1647 Hoge Raad 15-11-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1564 Hoge Raad 01-11-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:923 Parket bij de Hoge Raad 11-10-2022
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.546 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 21/00569
Datum 24 mei 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 1 februari 2021, nummer 23-000785-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1995,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Namens de benadeelde partij [benadeelde 1] heeft A. Boumanjal, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De raadsvrouw van de verdachte heeft een verweerschrift ingediend.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover in het kader van de oplegging van de schadevergoedingsmaatregelen de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen, tot bepaling dat de gijzeling (in totaal) 360 dagen bedraagt, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het namens de verdachte voorgestelde cassatiemiddel
2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat met betrekking tot de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen de duur van de gijzeling is bepaald op in totaal 365 dagen.
2.2
Het hof heeft de verdachte voor een feit dat is begaan op 7 juli 2018 de verplichting opgelegd, kort gezegd, om aan de Staat ten behoeve van de in het arrest genoemde slachtoffers [benadeelde 1] en [benadeelde 2] de in het arrest vermelde bedragen te betalen, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door respectievelijk 304 en 61 dagen gijzeling.
2.3
Op grond van artikel 36f lid 5 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) bepaalt de rechter bij de oplegging van de maatregel de duur volgens welke met toepassing van artikel 6:4:20 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gijzeling kan worden toegepast. De duur van de gijzeling beloopt ten hoogste één jaar, waarbij in deze zaak geldt dat onder één jaar 360 dagen moet worden verstaan (vgl. HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498). Redelijke wetsuitleg van artikel 60a Sr brengt daarbij met zich dat in geval van samenloop zoals bedoeld in artikel 57 en 58 Sr, de totale duur van de gijzeling voor de schadevergoedingsmaatregelen het in artikel 24c lid 3 Sr bepaalde maximum van één jaar niet mag overschrijden.
2.4
Het cassatiemiddel slaagt. De Hoge Raad zal de uitspraak van het hof vernietigen en rekening houdend met de wettelijk bepaalde maximumduur van in totaal één jaar, bepalen dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv gijzeling van de na te melden duur kan worden toegepast.
3Beoordeling van het namens de benadeelde partij voorgestelde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de gijzeling die is verbonden aan de opgelegde schadevergoedingsmaatregelen;
- bepaalt dat met toepassing van artikel 6:4:20 Sv ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 1] gijzeling van 300 dagen kan worden toegepast en ten aanzien van de schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde 2] gijzeling van 60 dagen kan worden toegepast;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 mei 2022.