Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Gerechtshof Den Haag

ECLI:NL:GHDHA:2026:493

2026-03-12 Strafrecht 22-003972-23
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Uitspraakdatum
2026-03-12
Publicatiedatum
2026-03-31
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Hoger beroep
Zaaknummer
22-003972-23
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Doodslag en drie pogingen doodslag door te schieten met een vuurwapen op een auto met vier inzittenden. Uitgebreide bewijsoverwegingen. Hoewel de schietpartij niet is vastgelegd op de camerabeelden, kan het niet anders dan dat verdachte de schutter is geweest. Het hof legt een gevangenisstraf van 11 jaar en 11 maanden op aan de nog jeugdige verdachte.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (122.608 tekens)
Rolnummer: 22-003972-23
Parketnummer: 10-318858-21
Datum uitspraak: 12 maart 2026



TEGENSPRAAK





Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 december 2023 in de strafzaak tegen de verdachte:





[verdachte]
,
geboren te [geboorteland] op [geboortedatum 1] 2003,
adres: [woonadres] , [woonplaats] ,
ten tijde van de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep uit anderen hoofde gedetineerd in [verblijfplaats] .



Onderzoek van de zaak


Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.



Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.





Procesgang


In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 4 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van voorarrest. De vorderingen van de benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard. Voorts is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis opgeheven.



De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.





Tenlastelegging


Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:


1.hij op of omstreeks 11 oktober 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in/door de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden;

2.hij op of omstreeks 11 oktober 2021 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal, een of meer kogels naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , althans op/in de richting van een auto waarin die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich bevond(en), heeft afgeschoten en/of afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

3.hij op of omstreeks 11 oktober 2021 te Rotterdam een wapen in de zin van artikel 1,
onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-)automatisch vuurwapen (pistool) van het kaliber 9mm Parabellum, merk Ceska Zbrojovka, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren voorhanden heeft gehad;

4.hij op of omstreeks 24 november 2021 te Rotterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-automatisch) pistool, van het merk Glock, model 19 Gen 4, kaliber 9 millimeter zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 14 kogelpatronen van het kaliber 9 millimeter, voorhanden heeft gehad.




Vordering van de advocaat-generaal


De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van de onder 1 tenlastegelegde moord, de onder 2 tenlastegelegde poging tot moord, meermalen gepleegd en het onder 3 en 4 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 jaren, met aftrek van voorarrest.





Het vonnis waarvan beroep


Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.






Overwegingen ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde



Standpunt van het openbaar ministerie




De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de onder 1 tenlastegelegde moord en de onder 2 tenlastegelegde poging tot moord, meermalen gepleegd, wettig en overtuigend kunnen worden bewezen. Naar mening van de advocaat-generaal ontbreekt wel het wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte deze feiten tezamen en in vereniging met (een) ander(en) heeft gepleegd en hij vordert voor dat onderdeel partiële vrijspraak ten aanzien van zowel feit 1 als feit 2.




Standpunt van de verdediging




De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte integraal van het onder 1 en 2 tenlastegelegde moet worden vrijgesproken. De daartoe aangevoerde verweren en ingenomen standpunten zullen hierna worden besproken.




Oordeel van het hof





Overwegingen van het hof ten aanzien van het bewijs




Het hof verwijst in de tekst van deze overwegingen met voetnoten naar de betreffende bewijsmiddelen.



De als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn, voor zover niet anders aangegeven, in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.



De bewijsmiddelen zijn voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef, onder 5° Sv betreft, telkens slechts gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.




Inleidende feiten en omstandigheden




Op 11 oktober 2021 omstreeks 22.30 uur worden verbalisanten naar de Schiltmanstraat te Rotterdam gestuurd, alwaar schoten zouden zijn gehoord. Aanrijdend werden zij verzocht naar het Ikazia ziekenhuis te Rotterdam te gaan, omdat daar een voertuig was komen aanrijden met kogelgaten in de deur. Het voertuig betrof een roodkleurige Volkswagen Golf, voorzien van het kenteken [kenteken 1] (hierna: de Golf) .
De bestuurder van de auto was [slachtoffer 2] (hierna: [slachtoffer 2] ). [slachtoffer 3] (hierna: [slachtoffer 3] ) zat achterin de auto, achter de bijrijder. [slachtoffer 4] (hierna: [slachtoffer 4] ) zat achterin de auto, achter de bestuurder. In de auto bevond zich op de bijrijdersstoel tevens de gewonde [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ).

[slachtoffer 1] is die avond aan zijn verwondingen komen te overlijden . De forensisch patholoog heeft geconcludeerd dat het overlijden van [slachtoffer 1] wordt verklaard door de gevolgen van één inschot door de romp (verlopend van de rug rechts naar de borst centraal voorwaarts).



Kort voor de schietpartij heeft een beroving plaatsgevonden van [slachtoffer 3] bij een pinautomaat. Daar waren 5 jongens bij betrokken. Er stonden 4 om [slachtoffer 3] heen en er was een bestuurder. De jongens zijn in een grijze Skoda gestapt.



Binnen het onderzoek TGO Schiltman zijn de volgende vijf personen als verdachte aangemerkt en aangehouden:

[verdachte] (hof: de verdachte)

[medeverdachte 1]


[medeverdachte 2]


[medeverdachte 3]


[medeverdachte 4]


[medeverdachte 5]
.



Het hof heeft de vraag te beantwoorden of de verdachte als (mede)pleger - meer in het bijzonder als de schutter - betrokken is bij het beschieten van de auto en daarmee het doodschieten van het slachtoffer [slachtoffer 1] .




Achtervolging en schietincident




Op 11 oktober 2021, vindt in de avond vanaf 22.15 uur vanuit de Korenbloemstraat te Rotterdam, een achtervolging plaats tussen de Golf, met eerdergenoemde inzittenden, en een grijze Skoda, waarbij de Golf achter de Skoda aanrijdt.



Op camerabeelden met audiogegevens die in de avond van 11 oktober 2021 vanaf 22:22 uur zijn opgenomen van de West-Pietermanstraat, de Koolzaadstraat, basisschool [naam basisschool] en de Strevelsweg-Jagerslaan te Rotterdam, is het volgende te zien. Zichtbaar is hoe een Skoda Fabia met kenteken [kenteken 2] en de Golf met hoge snelheid vanaf de West-Pietermanstraat rechtsaf de Dubbelstraat inrijden. Omstreeks 22:23:05 uur, wanneer beide voortuigen op de Dubbelstraat rijden, is te horen dat er veel gas wordt gegeven door één of beide voertuigen; drie seconden later verdwijnen beide voertuigen uit beeld. Twee seconden daarna is te horen dat er wordt getoeterd en direct daaropvolgend zijn zes doffe knallen te horen.



Toen de Golf de hoek om ging werd er op de hoek van de Dubbelstraat-Schiltmanstraat, bezien vanuit de rijrichting van de Golf, vanaf de rechterkant op de Golf geschoten door een jongen die op de stoep stond.



In de tuin van de woning aan de [adres 1] werd een huls aangetroffen en op het wegdek aan de rechterzijde van de straat werden 4 hulzen aangetroffen. Onder een heg behorende bij een woning aan de [adres 2] , tegenover een woning aan de [adres 1] , werd nog 1 huls aangetroffen.
Tevens werden er 3 manteldelen van een projectiel op de Schiltmanstraat aangetroffen.



Uit het forensisch onderzoek aan de Golf blijkt dat de schoten schuin van buiten vanaf de rechter voor- en achterzijde kwamen. Eén projectiel ging door het portier rechtsvoor, onder de rechter buitenspiegel, in de zitting van de bijrijdersstoel. Eén projectiel ging door het portier rechtsvoor, links onder het handvat, tegen de sluitzijde van het portier en werd in het portier en op straat bij het Ikazia ziekenhuis in delen teruggevonden. Eén projectiel ging door de autoruit van het portier rechtsachter en trof het slachtoffer [slachtoffer 1] in zijn lichaam.



Munitieonderzoek wees uit dat het gebruikte vuurwapen, gezien de aangetroffen hulzen, naar verwachting zijn afgevuurd met een (semi-)automatisch werkend pistool van het kaliber 9mm Parabellum, merk Ceska Zbrojovka model 75 P-O1.




Getuigenverklaringen





De bestuurder van de Golf heeft verklaard dat de jongen die op de Golf had geschoten donkere kleding aanhad.



De bewoner van de woning aan [adres 3] hoorde op 11 oktober 2021 omstreeks 22:30 uur vier of vijf knallen. Hij dacht hierbij aan schoten. Hij zag door het raam aan de voorzijde van zijn huis een auto heel hard tegen het verkeer in rijden.
Deze auto kwam dus vanuit de richting Hr. Daniëlstraat/ Dubbelstraat. Hij zag ook een man hard voorbij rennen, achter deze auto aan, met een arm vooruit gestrekt. De man rende in de richting van de Oostendamstraat.



Een bezoeker van de [adres 3] zat op 11 oktober 2021 voor het raam voetbal te kijken toen hij drie knallen hoorde uit de richting van de Heer Danielstraat. Direct daarna zag hij twee auto’s voorbij rijden, tegen de richting in, een grijze en een rode auto.
Achter de auto’s aan rende een man over de straat met gestrekte rechterarm, in de rechterhand had hij een pistool. De man wees met het pistool in de hand in de richting van de weggereden auto’s. De man was donker gekleed en droeg een capuchon over zijn hoofd. De vrouw van de bezoeker heeft die man even later weer terug zien lopen richting de Heer Danielstraat. Daarna hebben ze deze man niet meer gezien.



Een getuige, wonende aan de [adres 4] zag dat er een rode auto langsreed. De getuige zag dat een persoon achter de auto liep.



Een getuige, wonende aan de [adres 5] hoorde ongeveer vijf schoten. Toen de getuige snel naar de voorkant van de woning liep, zag deze een rode auto, met hoge snelheid
door de straat rijden, tegen de richting in, in de richting van de Oostendamstraat.
Achter deze auto rende een donkere jongen in dezelfde richting als de auto. De jongen was geheel in het donker gekleed en had een zwarte capuchon op.



Een andere getuige, eveneens wonende op nummer [huisnummer 1] , hoorde twee a drie schoten en zag uit het raam iemand langs rennen met een capuchon op. Deze persoon rende in de richting van de Schiltmanstraat, komende uit de richting van de Dubbelstraat.



Een getuige, wonende op [adres 6] hoorde vanuit zijn woning vijf schoten. Toen de getuige uit het raam keek zag hij twee donkere jongens in een rode auto zitten die op hoge snelheid wegreed. Achter de auto zag de getuige een donkere jongen lopen die een vuurwapen in zijn rechterhand had. De jongen was in het donker gekleed en had een donkere capuchon op zijn hoofd. De jongen en de rode auto gingen in de richting van de Oostendamstraat.



De bewoonster van de [adres 7] hoorde in de avond van 11 oktober 2021 knallen en liep hierna naar de voordeur. Vanuit de deuropening zag zij een jongeman aan komen rennen vanuit de richting Dubbelstraat in de richting van de Oostendamstraat. De jongen was donker gekleed en droeg een hoodie. De jongen stopte ter hoogte van haar woning met rennen, draaide zich om en liep terug in de richting van de Dubbelstraat. Zij zag dat de jongen naar de overzijde van de Schiltmanstraat liep en het aldaar gelegen plantsoentje passeerde.



Naast de getuigen op de Schiltmanstraat zijn er ook getuigen in de directe nabijheid van de Schiltmanstraat gehoord.



De bewoner van de [adres 2] hoorde op 11 oktober 2021 vier of vijf schoten. Ook zag hij twee auto’s rijden, die tegen de richting in, de Schiltmanstraat inreden. Het waren een grijze en een rode auto.



De bewoner van de [adres 8] was in zijn woning toen hij rond 22.15 uur zes schoten hoorde. Tegelijkertijd hoorde hij een auto wegrijden. Toen hij uit zijn raam keek zag hij een persoon wegrennen. De man liep weg de Dubbelstraat in.



Een buiten wandelende getuige liep op 11 oktober 2021 met haar honden langs haar woning op de Dubbelstraat. Zij liep vanaf de Dubbelstraat rechtsaf de West-Pietermanstraat in. Direct bij die hoek is een overkapping. Vervolgens zag en hoorde zij dat er twee auto’s door de West-Pietermanstraat scheurden, rechtsaf de Dubbelstraat in. Vervolgens hoorde zij harde knallen.
Een paar ogenblikken later kwam er uit de richting van de Dubbelstraat een persoon gerend. Hij rende onder de onderdoorgang door, richting de West-Pietermanstraat. Zij zag hem daarna de Oost-Pietermanstraat oprennen. Het was een jongen van ongeveer 1.75 meter lang met een grijze broek en zwarte bovenkleding.



Een andere getuige stond op 11 oktober 2021 buiten op de [adres 9] . Hij hoorde omstreeks 22.20 uur vijf schoten. Kort daarna, maximaal vijf minuten later, zag hij vanaf de West-Pietermanstraat een jongen aan komen rennen. Hij kwam vanuit zijn positie gezien vanaf de rechterzijde de Oost-Pietermanstraat inrennen. Toen de jongen de getuige zag ging hij in een normaal tempo lopen. De jongen had een telefoon in zijn hand en die had hij op de speaker staan. De jongen sprak in een andere taal, vermoedelijk Papiamento/Antilliaans. De jongen liep in de richting van de Oostendamstraat.




Camerabeelden




Op camerabeelden is in de avond van 11 oktober 2021 rond 22:24:23 uur een persoon ‘V1’ te zien die op de Dubbelstraat rent. Hij komt vanaf de richting van de Schiltmanstraat en rent de West-Pietermanstraat in. ‘V1’ heeft het volgende signalement: een donkere jas met een wit embleem ter hoogte van de linkerborst, een capuchon over het hoofd, een lichtkleurige broek en donkere schoenen. Verder is te zien dat ‘V1’ in zijn rechterhand een voorwerp vasthoudt dat licht uitstraalt, vermoedelijk een telefoon.



De politie verbaliseert dat tussen het moment waarop de auto’s vanaf de West Pietermanstraat de Dubbelstraat zijn opgereden, om 22.23.05 uur, en het moment waarop een persoon rennend over de Dubbelstraat vanuit de richting van de Schiltmanstraat en gaande naar de West Pietermanstraat is te zien, om 22.24.23 uur, niemand de camera passeert.



Op de camerabeelden is voorts te zien dat ‘V1’ omstreeks 22:27:06 uur vanaf de Oostendamstraat de Koolzaadstraat inloopt. Verder is te zien dat ‘V1’ in zijn rechterhand een voorwerp vasthoudt dat licht uitstraalt. Het signalement is: een man met een donkere huidskleur en kort zwart haar, hij heeft een zwarte jas aan met een wit embleem op de linkerborst, zijn capuchon is niet over zijn hoofd, hij draagt een lichtgrijze joggingbroek met zwarte strepen aan de zijkant en zwarte schoenen. ‘V1’ rent vervolgens de Koolzaadstraat in.



Op de camerabeelden van de Koolzaadstraat passeert niemand de camera tussen het moment dat de Volkswagen Golf de camera passeert rond 22:23 uur en het moment dat ‘V1’ de camera passeert rond 22:27 uur.



Omstreeks 22:28 uur komt ‘V1’ in beeld op de Strevelsweg. Hij komt vanaf de Meekrapstraat, steekt in versnelde pas de Strevelsweg over en loopt de Jagerslaan in. Op dat moment is te zien dat hij een lichtkleurig shirt/trui onder zijn zwarte jas draagt en hij kijkt, voordat hij uit het beeld verdwijnt, kort in de richting van de camera.



Om 22:29:32 uur is te zien dat ‘V1’ over het schoolplein van basisschool [naam basisschool] loopt, komend uit de richting van de Strevelsweg en lopend in de richting van de Sikkelstraat. Op de beelden is zichtbaar dat de schoenen van ‘V1’ aan de achterzijde wit zijn.



Rondom 22:29:40 uur is te zien dat ‘V1’ het schoolplein af en de Sikkelstraat in. Hij gaat de eerste zijstraat, de Zeisstraat, linksaf en verdwijnt daarna uit beeld.




Tussenconclusie




De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat er gelet op de verschillende beschrijvingen van kleuren kleding en schoenen op en in de nabijheid van de plaats delict door de getuigen verschillende personen zijn waargenomen en - naar het hof begrijpt - dat mede daarom niet kan worden vastgesteld wie van hen de schutter is geweest nu de schietpartij zelf niet op camerabeeld is vastgelegd, noch door de getuigen is waargenomen.



Het hof stelt op grond van bovenstaande getuigenverklaringen en camerabeelden het navolgende vast.



Om 22.23.10 uur zijn op de hoek van de Dubbelstraat-Schiltmanstraat de schoten op de Golf gelost. Uit de verschillende getuigenverklaringen en hun posities ten tijde van hun waarneming leidt het hof af dat - ander dan door de verdediging is betoogd en met de advocaat-generaal - daarbij sprake is geweest van slechts één persoon, die na de geloste schoten met een wapen in de hand tot aan nummer [huisnummer 2] de Schiltmanstraat is ingerend, om vervolgens diezelfde Schiltmanstraat weer terug te lopen tot aan in ieder geval nummer [huisnummer 3] .



Op de camerabeelden is vervolgens te zien dat 22:24:23 uur, derhalve 1 minuut en 13 seconden later, vanuit de richting van de Schiltmanstraat, over de Dubbelstraat, een man komt aangerend. Die man rent de West-Pietermanstraat in, onder de onderdoorgang van nummer [huisnummer 3] door.



De politie is nagegaan hoeveel tijd er nodig is om de route van de schutter af te leggen; dit is van de plaats delict op de hoek Dubbelstraat-Schiltmanstraat naar de Schiltmanstraat ter
hoogte van nr. [huisnummer 2] , weer terug naar de plaats delict en vervolgens naar de positie op de Dubbelstraat waar de camera om 22.24.23 uur nog een rennende man registreert. Uit dat politieonderzoek volgt dat de tijd die nodig is voor de politie om deze route al rennend af te leggen ongeveer 1 minuut en 21 seconden bedraagt.



Tussen het moment waarop de auto’s vanaf de West-Pietermanstraat de Dubbelstraat zijn opgereden, dat was om 22.23.05 uur, en het moment waarop een persoon rennend over de Dubbelstraat vanuit de richting van de Schiltmanstraat en gaande naar de West-Pietermanstraat is te zien, om 22.24.23 uur, heeft niemand (hof: ook niemand anders) de camera gepasseerd.



De getuigen in de Schiltmanstraat en omliggende straten zien kort na het schietincident alleen één persoon (met een wapen in zijn hand). Niet is komen vast te staan dat zij andere personen hebben gezien. De inzittenden van de Golf verklaren niet over een andere persoon dan de schutter.



Ook op de camerabeelden is geen andere persoon op straat te zien.



Gelet op het vorenstaande kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat de man die in de Schiltmanstraat door de getuigen is waargenomen en de man die op de camerabeelden te zien is, ondanks de enigszins verschillende signalementen met betrekking tot de kleding van de waargenomen persoon, een en dezelfde persoon betreft en dat het niet anders kan zijn dan dat hij de schutter is geweest.




Vaststelling identiteit van ‘V1’ op de camerabeelden




De beelden waarop ‘V1’ (de persoon die op de beschreven beelden) te zien is, zijn getoond tijdens de uitzending van Opsporing Verzocht op 23 november 2021. Diezelfde avond meldt de moeder van [slachtoffer 1] bij de politie dat een aantal personen in haar omgeving ‘V1’ hebben herkend als zijnde ‘ [verdachte] ’: een achttienjarige Antilliaanse jongen, die aan de [adres 10] in [plaats] zou wonen, met zijn moeder en zus, en in [maand] jarig zou zijn. Ze heeft daarbij foto’s toegestuurd ter onderbouwing dat het om [verdachte] zou gaan.
Op één foto staat [verdachte] met een op een vuurwapen gelijkend voorwerp.



Een getuige herkent de persoon op de beelden van Opsporing Verzocht als een jongen genaamd [verdachte] , dat iedereen hem [bijnaam] noemt en hij gebruik zou maken van de Snapchatnaam [snapchatnaam 1] en [snapchatnaam 2] . Zij herkende de jongen aan zijn loopje en zijn gezicht. Ze heeft bij hem op school gezeten en ze kent hem van buiten.



Onderzoek van de politie wijst vervolgens uit dat het klaarblijkelijk om [verdachte] gaat, mede aan de hand van een aantal verifieerbare gegevens zoals leeftijd (18 jaar), verjaardag (in [maand] ), huis ( [adres 10] ), gezinssamenstelling (met moeder en zus),
bijnaam ( [bijnaam] ) en snapchatnaam( [snapchatnaam 1] [snapchatnaam 2] ). En ook door herkenning van de door
moeder gestuurde foto's met de politiefoto van de verdachte.
De verdachte wordt vervolgens ook als verdachte in deze strafzaak aangemerkt.



Bij de doorzoeking van de woning van de moeder van de verdachte aan de [adres 11] in [plaats] op 25 november 2021 worden 2 jassen, te weten een dun jack en een winterjack, beide van het merk The North Face aangetroffen. In het winterjack trof de politie een doorgeladen vuurwapen aan van het merk Glock.
Het betrof een gewatteerde jas met horizontale stiksels en voorzien van een capuchon.
Op het wapen zijn biologische sporen aangetroffen waarvan DNA-profielen zijn verkregen. Sommige van deze DNA-profielen matchen met het DNA-profiel van de verdachte en dat van [medeverdachte 4].
Bij de doorzoeking wordt in de slaapkamer van de verdachte voorts een schoenendoos aangetroffen van het merk Alexander McQueen. Onderzoek, aan de hand van de streepjescode op de doos, naar de schoenen die in die doos gezeten moeten hebben leert dat het om zwarte schoenen van dat merk met een witte achterkant gaat.



Uit het onderzoek van de politie komt naar voren dat het soort schoenen dat past bij de schoenendoos, ook het type schoenen is dat de verdachte aan heeft op de foto’s die op zijn sociale media staan en die ‘V1’ draagt op de beelden.



Uit het onderzoek van de politie is tevens gebleken dat op het Facebookprofiel ‘ [verdachte] ’ op 19 september 2021 een foto is geplaatst waarop een jongen is te zien met zwarte sportschoenen met een dikke zwarte zool en een witte/lichtkleurige hiel.



Getuigen hebben verklaard dat de verdachte in de avond van 11 oktober 2021 in de woning aan de [adres 12] te Rotterdam aanwezig was en daar op enig moment in diezelfde avond weer weg is gegaan.




Verklaringen van de verdachte




Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte verklaard dat een vuurwapen is
gevonden in zijn jas en tegen de politiële inwinner op de luchtplaats heeft de verdachte
gezegd dat hij [snapchatnaam 1] heet, dat ‘die hoer tegen hun heeft gezegd ‘dat is [snapchatnaam 1] ik herken hem aan zijn lopen’, dat zij snitcht omdat ze gaat met de broer van die diddie (fon) man, dat hij zijn telefoon bij zich had en door [persoon 1] werd gebeld, en - bovendien - dat hij erbij was toen er werd geschoten.



Uit zijn gesprek met de inwinner blijkt dat de verdachte Antilliaans kan spreken.



Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat het zou kunnen dat mensen hem herkenden van de bij Opsporing Verzocht getoonde beelden. Na de uitzending is hij ook zelf door mensen gebeld die zeiden dat ze hem hadden herkend van de beelden.
De verdachte heeft voorts ter terechtzitting, bij het voorhouden van de foto linksboven op

p. 1058 van het dossier, aangetroffen op de telefoon laatst in gebruik bij [getuige 12] en ‘created: 11-10-2021 01:58:30, waarop een donkere jongen met een wapen in zijn hand is te zien, desgevraagd verklaard dat hij wel op deze jongen lijkt.



Historische gegevens




Door de politie is onderzoek gedaan naar het telefoonnummer dat ten tijde van het incident in gebruik was bij verdachte. Uit dat onderzoek blijkt dat verdachte toen gebruik maakte van het nummer [telefoonnummer 1] .
Uit de analyse van dit telefoonnummer blijkt dat verdachte op 11 oktober 2021 om 22.25.33 uur ingebeld is door het telefoonnummer [telefoonnummer 2] . Daarbij ontstaat een contact van 34 seconden. Vervolgens wordt er een uitgaand data 4G signaal geregistreerd om 22.26.09 uur voor de duur van zes seconden. Om 22.26.17 is er weer een inkomend gesprek voor de duur van 52 seconden met het nummer [telefoonnummer 2] . Gelet op de duur van de verbinding eindigt dat gesprek om 22.27.09. Vanaf 22.27.11 uur is weer sprake van een data 4g verbinding voor de duur van 212 seconden. De betreffende vier contacten vinden plaats via de telefoonmasten aan de Maashaven Zuidzijde 1 en de Hillevliet 116. Die masten, zo blijkt uit het proces verbaal van de politie, dekken qua bereik de plaats delict.
Het nummer in gebruik bij de verdachte is vanaf kort na het schietincident rond 22:33 uur niet meer gebruikt, terwijl het daarvoor dagelijks werd gebruikt.



De gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer 2] is [persoon 2]. Dit betreft het broertje van [medeverdachte 4], een van de aangehouden medeverdachten in het onderzoek TGO Schiltman.



De telefoon is niet aangetroffen door de politie.




Tussenconclusie




Op grond van bovenstaande feiten en omstandigheden kan naar het oordeel van het hof worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die als ‘V1’ op de camerabeelden is waargenomen.



Dat de verdachte ook de schutter is geweest stelt het hof voorts vast uit het navolgende.

OVC- en tapgesprekken





Betrouwbaarheid van de verklaringen van [persoon 3]




De raadsman heeft zich naar het hof begrijpt op het standpunt gesteld dat [persoon 3] onbetrouwbaar is en er derhalve geen waarde kan worden gehecht aan hetgeen hij in zijn getapte telefoongesprekken met anderen vertelt. De raadsman voert daartoe aan dat het erop lijkt dat [persoon 3] door de politie van informatie werd voorzien en dat hij die informatie vervolgens al dan niet bewust deelde met derden.



Het hof overweegt hierover het volgende.



Het hof heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van [persoon 3] en hetgeen hij heeft verklaard en gezegd. Naar het oordeel van het hof biedt het dossier op de eerste plaats geen aanknopingspunten voor de vaststelling dat [persoon 3] door de politie is gevoed met informatie. Het hof neemt daarbij op de tweede plaats in het bijzonder in aanmerking dat [persoon 3] al op 12 oktober 2021 met zijn vader informatie over de schietpartij deelt en hij op 22 november 2021 (dader)wetenschap van het bij de schietpartij gebruikte wapen heeft, terwijl het door de politie aan het NFI uitbestede onderzoek met betrekking tot het in de jas van verdachte aangetroffen wapen eerst op 7 februari 2022 was afgerond.



Een en ander maakt dat het hof ook bij het ontbreken van een andere onderbouwing daarvan geen reden heeft te twijfelen aan de betrouwbaarheid van [persoon 3] en hetgeen hij heeft verklaard tegen onder anderen zijn vader en vriendin. Hetgeen hij in de opgenomen OVC-gesprekken heeft gezegd kan daarom tot het bewijs worden gebezigd, temeer nu dit overeenkomt met overige bevindingen in het dossier.





OVC-gesprekken




Op 26 november 2021 is er vanuit het strafrechtelijk politieonderzoek Zeis contact opgenomen met verbalisanten uit het TGO onderzoek Schiltman. Onderzoek Zeis betreft een schietincident op de Zeisstraat te Rotterdam.
Binnen onderzoek Zeis had de politie een persoon [persoon 3] , geboren [geboortedatum 2] aangehouden. Na de heenzending van [persoon 3] is er een telefoontap op zijn telefoonnummer geplaatst.




[persoon 3] belt op 12-10-2021 om 13:12 uur met zijn vader. In het gesprek wordt onder meer het volgende gezegd.

[persoon 3] = [vader]



; Ja

[persoon 3] : Wat doe je?
: Ik ben thuis, wat moet ik anders [persoon 3]
: Ik heb geld nodig, dat is één en ten tweede, heb je het gehoord, die van 20 jaar in Bloemhof, die is dood
: Daar had je moeder het ook over, wie is die jongen?

[persoon 3] : Zo'n zwarte jongen, dat is echt heel erg, die ezelsveulens van ons hebben op hem
geschoten
: Hmmm, kom maar eens hierheen, dan hebben we het er wel over

[persoon 3] : Is goed



In de auto van [persoon 3] , Audi A6 met kenteken [kenteken 3] , die op 15 december 2021 aan hem werd teruggegeven was heimelijk afluisterapparatuur geplaatst. De communicatie in de auto is hierna opgenomen en afgeluisterd. Ook werd de telecommunicatie die [persoon 3] had via het telefoonnummer [telefoonnummer 3] opgenomen en afgeluisterd.



Tijdstip Bron Inhoud



12:16:23 OVC telefoongesprek tussen [persoon 3] en NN (vermoedelijk betreft
het [persoon 2] , broer van verdachte [medeverdachte 4] )

[persoon 3] : jo, eh, ik kom net van die politiebureau toch…
Ik zei jullie moeten mij bedanken man jullie hebben dankzij mij twee personen gepakt…Hij zegt: ja, maar we zeken nog een en zo zegt ‘ie…. Dus nu probleem is: jouw broer heeft kanker veel geluk. Hem, hem, ze hebben niks van hem.



12:19:50 OVC [persoon 3] belt/wordt gebeld.
[persoon 3] : Yo
NN-man: Ze hebben [persoon 4] (fonetisch: [persoon 4] ) net gepakt.



18:46:33 OVC [persoon 3] : Julie mattie [snapchatnaam 1] is vrij hè
NN-vrouw: Is [snapchatnaam 1] vrij?
NN-vrouw: Hoe dan?



19:53:56 OVC Er zitten nog 2 personen in de auto. [persoon 3] en een
vrouw die [vrouw 1] wordt genoemd.




[persoon 3] : [persoon 4] is gepakt weet je dat?
[persoon 3] : Toen ik bij politiebureau was, is hij gepakt



Op 16 december 2021 is door [persoon 3] een gesprek gevoerd met een
onbekende man. Tijdens dit gesprek zei [persoon 3] dat [snapchatnaam 1] iemand vermoord heeft en nu minimaal 8 jaar zal krijgen. Tevens zei [persoon 3] dat het moord is en dat [snapchatnaam 1] was gebeld uit de auto.




[persoon 3] : Maar wat zei ik nou [snapchatnaam 1] , jij kent [snapchatnaam 1] niet toch ofwel?
NNman: Wie [snapchatnaam 1] die shooter?

[persoon 3] : ja ken je hem? Hij is 3/4 maanden met [persoon 5] om gegaan kijk waar hij nu is. Hallo?
…
NNman: Wat denk je [persoon 5] gaat 3 4 jaar doekoe naar hem sturen

[persoon 3] : Wat zeg je 3 a 4 jaar broer wat zeg je broer
NNman: Ik neem een voorbeeld
Thir: Welke voorbeeld is dat broer? Die man heeft iemand vermoord broer
NNman: Ja als hij Pij krijgt dan ja

[persoon 3] : Hij is 18 plus broed! Welke Pij? Hij is 18 plus. Hij gaat minimaal 8 jaar naar binnen, minimaal
NNman: ...(ntv) vermoorden op straat midden in woonwijk hij krijgt misschien 25 ofzo ja
…

[persoon 3] : Het is moord het is moord, hij is aangehouden voor moord.
NNman: Weet je wat moord is broer? Moord is ik zoek jou.

[persoon 3] : Dat is het ook. Dat is ook gebeurd want vanuit die auto is speciaal gebeld naar de schutter.




Op 22 december 2021 vindt het volgende gesprek plaats tussen [persoon 3] , [vrouw 1] en een NN-man:




[vrouw 1] : Kankerzielig [snapchatnaam 1] krijgt 10 jaar, sowieso.
…

[vrouw 1] : voor [persoon 4] vind ik het ook zielig

[persoon 3] : Hij doet het zelf joh, domme sukkel dat hij is
…

[persoon 3] : What tha fuck, ieddereen zit vast toch. [snapchatnaam 1] , [persoon 6] , [persoon 7] , [persoon 4] , iedereen
…

[persoon 3] : Toen [snapchatnaam 1] werd gepakt ohh, die glock is ook gepakt. Lange clip zat erop, laser zat erop
NNman: Die gun waarmee die boy boem is gepakt?

[persoon 3] : Nee joh ben je gek
NNMan: wou net zeggen.

[persoon 3] : Andere. Maar die nu vermoord is deze.CZ. Die vent die denkt dat hij fucking automatisch begint te schieten broer. Hij blaast kanker vaak.
...
NNman: ik denk hun gaan op elkaar snitchen man broer
Niemand wil deze op zich nemen broer

[persoon 3] : [persoon 6] enzo, ben je gek hij gaat snitchen broer, faka. [persoon 7] ook, ben je gek.

[persoon 3] : misschien [persoon 8] , hij is Jood, hij kan snitchen
…
NN-man: ja broer, denk je hij zit voor moord nu

[persoon 3] : nee, niemand. Ze verdenken ook niet van moord aan hun.

[persoon 3] : van roof en dat die, gewoon dat ze erbij waren dat ze hebben gebeld om te laten schieten.
NN-man: ja toch, maar dan krijg je toch moord door schuld?

[persoon 3] : ja dat
NNman: want als hij niet had gebeld dan was hij niet vermoord?
…
NN-man: kijken wat er gaat gebeuren man, ik weet sowieso eentje gaat sowieso praten daar. Of eentje gaat praten of alles wordt op die [snapchatnaam 1] geschoven, een van die twee 100%.




Op 25 december 2021 om 14:55:16 uur vindt een gesprek plaats tussen [persoon 3] , [slachtoffer 4] en [persoon 9] . Tijdens dit gesprek werd gezegd dat [snapchatnaam 1] een pijp heeft getrokken. [persoon 3] zegt dat hij niet alleen een pijp heeft getrokken, maar ook echt iemand heeft dood gemaakt en dat hij gek is.



Op 25 december 2021 om 18.32 uur vindt een gesprek plaats tussen [persoon 3] en een NNV.
Uit dit gesprek kan opgemaakt worden dat [persoon 3] zegt dat [snapchatnaam 1] ( [verdachte] ) heeft geschoten voor iemand en diegene heeft daarna zijn glock aan [snapchatnaam 1] uitgeleend, zodat hij zichzelf kon beschermen.



Op 27 december 2021 vindt een gesprek plaats tussen [persoon 3] en een vrouw genaamd [vrouw 2] .



NNvrouw: Maar ze hebben nu iedereen gepakt?

[persoon 3] : Ja, volgens mij wel. Behalve [medeverdachte 5] .
NNvrouw: Wie heeft er nou geschoten dan?

[persoon 3] : [snapchatnaam 1] , ken je niet.
NNvrouw: En wat heeft [medeverdachte 5] ermee te maken?

[persoon 3] : Weet je waarvoor ik echt echt echt nog steeds dankbaar ben, voor mij eigen.
Gelukkig, ik ben zo blij. Jonge kijk, het was gewoon... Het begon normaal he. Ze rijden gewoon auto, dus ik kon ook achter het stuur zitten. Opeens stappen ze allemaal uit, “wacht, wacht” zeggen ze allemaal. Ze stappen uit, ze gaan die jongen beroven.
NNvrouw: Hmm hmm

[persoon 3] : Wat als... Wat als ik achter die stuur zou zitten. Die jongen zit nog steeds vast die achter het stuur zat he, nog steeds! Woo Shit, en ik ben gewoon vaak met hun omgegaan, vaak zaten ze in de auto.



Op donderdag 13 januari 2022 zijn zowel de verdachte (aangeduid als “ [snapchatnaam 2] ”) als de verdachte [medeverdachte 4] gelicht en aanvullend als verdachte gehoord, waarbij de OVC-gesprekken van [persoon 3] aan de verdachte zijn voorgehouden.
Het transport van beide verdachten was geregeld door afdeling Dienst Vervoer en Ondersteuning. In het vervoermiddel waarmee beide verdachten zijn vervoerd was heimelijk afluisterapparatuur geplaatst.
De verdachten spreken onderling in twee verschillende talen, Nederlands en Papiamento.




Eerste OVC-bestand (heenreis)





[snapchatnaam 2] : Hey en euh...ik heb ook tegen jouw broertje gezegd dat we iets moeten regelen. Dat
ene ding van jullie dat ik ben kwijtgeraakt.

[medeverdachte 4] : [persoon 10] (fonetisch) heeft al geregeld.

[snapchatnaam 2] : Dan is het goed.



…

[medeverdachte 4] : Is het waar dat ze jouw praatding hebben gevonden?

[snapchatnaam 2] : Wie?

[medeverdachte 4] : Die mensen

[snapchatnaam 2] : Van wie.......bij wie ze een praat ding hebben aangetroffen.

[medeverdachte 4] : Dat ding thuis.....

[snapchatnaam 2] : Hebben ze bij mij een praat ding aangetroffen?

[medeverdachte 4] : Van jou.

[snapchatnaam 2] : Nee joh, ik had geen praat ding. Ben je nou gek?

[medeverdachte 4] : Je hebt hem toch weggegooid?

[snapchatnaam 2] : Ja ja ja, ik heb die van mij weggegooid. Vraag [persoon 10] (fonetisch) maar. Toen ze daar
binnen kwamen, bleven ze vragen: “waar is jouw praat ding, waar is jouw praat ding”. Ik zei
tegen hen: “ik heb niet, ik heb niet, ik heb niet, ik heb niet, ik heb niet”. Ik had de nieuwe
toch?

[medeverdachte 4] : (lacht) Ja

[snapchatnaam 2] : Ze hebben dat ding niet gevonden. Ben je gek. Ze hebben alleen één ding
gevonden....jouw ding.......en een gympen doos.

[medeverdachte 4] : Ja. Ik heb het gezien.

[snapchatnaam 2] : Klaar. Geen klote meer.

[medeverdachte 4] : Met jouw jas.

[snapchatnaam 2] : Nee maar....je weet toch? Die... ik kan je niet zeggen maar je weet wat ik bedoel....die
is nieuw toch?

[medeverdachte 4] : Aha

[snapchatnaam 2] : Dat ding is nieuw broer. Dat is wat ik je zeg...vandaag gaan ze niet veel doen...weet je
wat ze naar voren gaan brengen als het om mij gaat? Ze zijn vandaag op poeder. Ze zijn op
de poeder toch....en ze keken/onderzochten of dat ene ding....je weet toch dat ene ding dat ik
had? Die ene van jou

[medeverdachte 4] : Ja

[snapchatnaam 2] : ....Ze waren aan het kijken of dat ding een beetje schoon is. Weetje wel?

[medeverdachte 4] : Dat is hem niet

[snapchatnaam 2] : Dat is wat ze nu gaan proberen. Klaar. Niet meer. Ze kunnen de tyfus krijgen.
….

[medeverdachte 4] : Weet je wie echt alles heeft verkloot?

[snapchatnaam 2] : Wie?

[medeverdachte 4] : Die Turkse flikker.

[snapchatnaam 2] : Welke Turk?

[medeverdachte 4] : Broer....ach nee

[snapchatnaam 2] : Ow ja ja ja ja. Ja, de klootzak met de telefoon toch?

[medeverdachte 4] : Ja

[snapchatnaam 2] : Jeetje man. Heb je wel gezien wat hij zijn vader over ons heeft verteld?

[medeverdachte 4] : Hij kan de tyfus krijgen man. Ik sla hem dood.

[snapchatnaam 2] : Hij kan de tyfus krijgen vriend. Hij is een grote flikker. Terwijl we goed voor hem
hebben gezorgd. Die flikker...... hij kan de tyfus krijgen
….

[medeverdachte 4] : Vriend, ik heb compleet dossier. Het is een meid die [het meisje] (fonetisch) heeft.

[snapchatnaam 2] : Ja, het meisje genaamd [het meisje] heeft daarna gepraat....hij is de eerste die gesproken
heeft. Ik was met hem op [naam school 1] (fonetisch) en met [het meisje] op [naam school 2] (fonetisch).
Ik heb op een andere school met [het meisje] gezeten. Ik was alleen met de kleine broer op

[naam school 1] . Ze hebben de school en alle klote dingen tegen mij gezegd. Begrijp je? Hij is de
enige, toch. Daarom zeg ik je....ik weet het, ik weet het, ik weet het. Ik weet precies door wie ik hier binnen ben beland. De mensen zeggen....ze zien me niet. Je weet toch. Ze weten nu dat ik het ben doordat de flikkers gepraat hebben.




Tweede OVC-bestand (terugreis)





[snapchatnaam 2] : Nee. Ik wilde het net tegen jou zeggen maar ik ben de klote neef. Goed verneukt.

[medeverdachte 4] : Maak je geen zorgen.

[snapchatnaam 2] : Nee echt....het is real...... jij ook.

[medeverdachte 4] : Wat?

[snapchatnaam 2] : Jouw Turkse vriend heeft ons verneukt. Begrijp je het dan niet? Ik leg je één ding uit.
Kort (oppervlakkig)....de man heeft de dingen net net (precies/gedetailleerd) gezegd.....wat ik heb gedaan. Klaar! Ik zeg je niets meer. (lacht) Je leest mijn verklaring wel....maak je geen zorgen.

[medeverdachte 4] : Ik ben straat straat (ik kom vrij)

[snapchatnaam 2] : Jij wel. Nee, ik weet het. Ik heb het gezien.

[medeverdachte 4] : Ik kom sowieso buiten

[snapchatnaam 2] : Ik.....vergeet dat maar
……



Het hof gaat ervan uit dat de verdachte en [medeverdachte 4] spreken over de telefoon van de verdachte waar het gesprek over het “praatding” gaat en dat zij met “ding” onder andere een vuurwapen bedoelen. Het hof gaat er voorts van uit dat met de “Turkse flikker” wordt gedoeld op [persoon 3] .



Gelet op zijn eigen verklaring in het gesprek met de inwinner van de politie gaat het hof ervan uit wanneer er over “ [snapchatnaam 1] ” wordt gesproken de verdachte wordt bedoeld.




Tapgesprekken




Op 24 november 2021, omstreeks 17:03 uur vond een gesprek plaats tussen [moeder] , de moeder van de verdachte, en een onbekende man.




[moeder]




N: Nee, maar ze hebben niets in huis gevonden, hè?
: Nee, dat ding.. er was alleen één ding, maar ja!
N: Hebben ze dat meegenomen?
: Mm, mm (bevestigend).
N: Maar niet dat van.. hem toch?
: Nee, nee! Niets, niets, niets van die dingen.



Ook hier gaat het hof ervan uit dat met “ding” een vuurwapen wordt bedoeld.



Op 13 februari 2022, omstreeks 16:25 uur vond een gesprek plaats tussen [moeder] en haar zoon [zoon] , die tevens gedetineerd zit. Tijdens dit gesprek spraken [moeder] en [zoon] erover dat ze uit moeten kijken wanneer [verdachte] vrijkomt. [zoon] zei dat ze hem verlinkt hebben, terwijl hij hun wel was gaan helpen.
16:32:45

[zoon] : Mm, ja. Maar het komt wel goed.

[moeder] : Ach ja. [snapchatnaam 2] is het al gewend en [zoon] moet zich erin berusten. Daarom heeft hij tegen me gezegd, 'Kijk? Ik weet dat ze gevangenisstraf zullen krijgen. Daar maak ik me niet druk over, want iedereen zit al. Als hij weet welk gevangenisstraf ze hem gaan geven, dan maakt hij zich niet druk. Hij krijgt gevangenisstraf. Maar ja, wanneer hij vrijkomt, moet ze kijken (opletten).

[zoon] : Ja, want ze hebben hem verlinkt. Terwijl hij hun was gaan helpen.

[moeder] : En weetje wie? Weetje die rotzak, die Turk. Die ene die kwam ophalen om naar België te gaan zus en zo.





Vrijspraak van medeplegen (feiten 1 en 2)




Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte de feiten tezamen en in vereniging heeft gepleegd, zodat de verdachte voor dat onderdeel telkens partieel zal worden vrijgesproken.





Vrijspraak voorbedachte raad (feiten 1 en 2)




Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.



Weliswaar is uit het onderzoek niet komen vast te staan welke informatie en
eventuele opdracht verdachte vanuit de auto (de Skoda) heeft gekregen, maar
vaststaat, gelet op het voorgaande, dat de strekking moet zijn geweest dat
de verdachte de inzittenden van de Golf moest gaan helpen.
Niet is evenwel komen vast te staan dat verdachte dit moest doen met behulp van een vuurwapen, door op de auto te schieten, en evenmin dat hij dit met voorbedachte raad heeft gedaan. Het kan niet anders zijn, gelet op de specifieke route die door de Skoda is afgelegd en de straat waar geschoten is, dat er een bepaalde afspraak is gemaakt, dan wel een bepaalde opdracht is gegeven, maar hier kan maar een redelijk korte tijd tussen hebben gezeten. Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad komen vast te staan dat verdachte zich
gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen
besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling,
zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de
gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
In deze zaak kan niet worden vastgesteld of er bij de verdachte sprake is geweest van
kalm overleg en bedaard nadenken voorafgaand aan de uitvoering. Het redelijk korte
tijdsbestek waarin een en ander zich heeft afgespeeld doet juist het
tegenovergestelde vermoeden. Gelet op het voorgaande kan niet worden
vastgesteld dat de verdachte met voorbedachte raad op de Golf en derhalve de inzittenden heeft geschoten. Hetgeen de advocaat-generaal daartoe naar voren heeft gebracht, acht het hof alles bijeen genomen niet voldoende in de onderhavige zaak. De verdachte zal daarom worden vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair tenlastegelegde moord op [slachtoffer 1] en de onder 2 impliciet primair tenlastegelegde poging moord op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] .




Voorwaardelijk opzet op de dood van de inzittenden van de Golf (feiten 1 en 2)




Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte tenminste drie keer met naar alle waarschijnlijkheid een (semi) automatisch vuurwapen op korte afstand op de rijdende Golf heeft geschoten. Dit blijkt uit het feit dat in het raam van de rechterachterdeur een inschot zat en in de bijrijdersdeur twee inschoten werden waargenomen, waarvan er bij een inschot ook een uitschot aan de binnenzijde van de deur zichtbaar was. Ter plaatse van het schietincident zijn zes hulzen aangetroffen.
Op het moment dat de verdachte heeft geschoten zaten [slachtoffer 1] , als bijrijder, [slachtoffer 2] , als bestuurder en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , als inzittenden op de achterbank, in de Golf.



Het hof stelt voorop dat naar algemene ervaringsregels het op korte afstand met een dergelijk vuurwapen schieten op een rijdende auto waarin personen zich bevinden, de aanmerkelijke kans oplevert dat die personen daardoor komen te overlijden.
Het hof is voorts van oordeel dat dit gedrag van verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op het doden van de inzittenden van die auto gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg ook bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is het hof niet gebleken.



Naar het oordeel van het hof heeft verdachte derhalve op zijn minst genomen het voorwaardelijk opzet gehad om [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] te doden.





Alternatief scenario (feiten 1 en 2)




Het hof stelt vast dat het alternatieve scenario door de raadsman in zijn pleitaantekeningen onder 25 is gepresenteerd als een algemene theorie en in het geheel niet met concrete gegevens is onderbouwd. Daar komt bij dat dit scenario ook geen steun vindt in hetgeen door de verdachte zelf is aangevoerd. Het alternatieve scenario is dan ook niet aannemelijk geworden, reden waarom het hof dit terzijde schuift.





Bewijsoverweging ten aanzien van feit 4


Op 25 november 2021 is er in de woning van de moeder van de verdachte aan de [adres 11] te Rotterdam een doorgeladen vuurwapen (Glock) aangetroffen met bijbehorende patronen.
Ten tijde van de doorzoeking was de verdachte aanwezig. Het vuurwapen werd aangetroffen in de slaapkamer van de moeder en zus van de verdachte, maar wel in een jas van de verdachte .
Op zowel het vuurwapen als op de patroonhouder zijn biologische sporen aangetroffen waarvan DNA-profielen zijn verkregen. Sommige van deze profielen matchen met het DNA-profiel van de verdachte.



Het in beslag genomen voorwerp betreft een semi automatisch pistool kaliber 9mm, van het merk Glock, model 19 Gen 4, voorzien van serienummer [serienummer] .
In het magazijn waren 14 kogelpatronen van het kaliber 9 mm aanwezig.
Het pistool (met patroonmagazijn) betreft een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3°, gelet op artikel 2, lid 1, categorie III, onder 1° van de Wet wapens en munitie.
Het vuurwapen valt niet onder categorie II, sub 2, 3 of 6 van de WWM.



De munitie, te weten de kogelpatronen, is geschikt om te worden afgeschoten met het aangetroffen pistool Glock. De veertien kogelpatronen zijn munitie in de zin van artikel 1, onder 4° gelet op artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet wapens en munitie.



De verdachte heeft bij de rechter-commissaris verklaard dat het aangetroffen vuurwapen in zijn jas zat. Ook in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat er een Glock in zijn jas is aangetroffen.





Vrijspraak van feit 3


Naar het oordeel van het hof kan op grond van het dossier weliswaar worden vastgesteld dat de verdachte op 11 oktober 2021 met een vuurwapen, niet zijnde de onder 4 tenlastegelegde Glock, kogels heeft afgeschoten op de Golf, echter ontbreekt het wettig en overtuigend bewijs dat dit vuurwapen een wapen is geweest in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 van Categorie II, onder 2 van de Wet wapens en munitie, te weten een
(semi-)automatisch vuurwapen (pistool) van het kaliber 9mm Parabellum, merk Ceska Zbrojovka, zijnde een vuurwapen geschikt om automatisch te vuren.
Het hof neemt daarbij in overweging dat het desbetreffende wapen niet is aangetroffen, een goede gedetailleerde omschrijving daarvan in het dossier ontbreekt en ook het Forensisch rapport, munitieonderzoek naar aanleiding van een schietincident in Rotterdam op 11 oktober 2021, daartoe geen, althans onvoldoende uitsluitsel geeft.



Nu derhalve niet wettig en overtuigend is bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, zal de verdachte daarvan worden vrijgesproken.










Bewezenverklaring


Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


1.hij op of omstreeks 11 oktober 2021 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, een persoon genaamd [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen een kogel in/door de rug, althans het lichaam, van die [slachtoffer 1] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer 1] is overleden; (Art. 289/287 jo 47 Wetboek van Strafrecht)

2.hij op of omstreeks 11 oktober 2021 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, in elk geval opzettelijk, (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] van het leven te beroven, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal, een of meer kogels naar en/of in de richting van die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , althans op/in de richting van een auto waarin die [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] zich bevond(en), heeft afgeschoten en/of afgevuurd, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid; (Art. 289/287 jo 47 jo 45 Wetboek van Strafrecht)

4.hij op of omstreeks 24 november 2021 te Rotterdam een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 van Categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-automatisch) pistool, van het merk Glock, model 19 Gen 4, kaliber 9 millimeter zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 van Categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten 14 kogelpatronen van het kaliber 9 millimeter, voorhanden heeft gehad; (art. 26 jo 55 Wet wapens en munitie)


Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.





Strafbaarheid van het bewezenverklaarde


Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:




Doodslag.




Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:




Poging tot doodslag, meermalen gepleegd.




Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:




De eendaadse samenloop van:





Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III





en





handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.







Strafbaarheid van de verdachte


Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.





Strafmotivering



Het toe te passen sanctiestelsel




Verdachte was ten tijde van het plegen van het feit net 18 jaar en dus meerderjarig. Dat brengt mee dat in beginsel het volwassenenstrafrecht wordt toegepast. Ingevolge het bepaalde in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter de bepalingen van het jeugdstrafrecht toepassen, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.



De raadsman heeft, evenals in eerste aanleg bij de rechtbank, verzocht om het adolescentenstrafrecht toe te passen, gelet op de jeugdige leeftijd van de verdachte - ten tijde van het ten laste gelegde was hij slechts enkele maanden achttien jaar oud - het feit dat hij nog naar school ging en hij bij zijn moeder thuis woonde. De raadsman stelt zich wederom op het standpunt dat de verdachte op basis van het wegingskader adolescentenstrafrecht en met het oog op de toekomst meer baat zou hebben bij de
toepassing van het jeugdstrafrecht, mede gelet op het gedrag van de verdachte en zijn
mogelijke beïnvloedbaarheid.



Het hof heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 14 december 2022.
De conclusies van de reclassering luiden dat er weliswaar enkele indicaties zijn om het jeugdstrafrecht toe te passen, maar vooral ook sterke contra-indicaties voor de toepassing daarvan. Het hof neemt deze conclusies ook voor wat betreft het respectievelijke gewicht daarvan over. Tevens heeft het hof acht geslagen op hetgeen ter terechtzitting in hoger beroep omtrent de persoon van de verdachte is gebleken en de omstandigheden waaronder het feit is begaan, alsmede op de conclusie uit een reclasseringsadvies van 1 mei 2025 en de conclusie van de reclassering daarin dat, na het doorlopen van het wegingskader ASR, de reclassering geen aanwijzingen ziet voor toepassing van het jeugdstrafrecht.



Gelet op het vorengaande zal het hof geen toepassing geven aan artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht.



Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.



Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.




Ernst van de feiten




De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan doodslag en een poging tot doodslag op drie personen.



De verdachte heeft op 11 oktober 2021 vanaf de stoep met een vuurwapen meerdere kogels afgeschoten op een langsrijdende auto waarin het slachtoffer [slachtoffer 1] , samen met [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , zaten.

[slachtoffer 1] is door één van deze kogels geraakt. Zijn drie vrienden zijn direct hierna met hun zwaar gewonde vriend naar het ziekenhuis gereden, waar hij kort na aankomst overleed. Zij hebben van dichtbij mee moeten maken hoe hun vriend voor zijn leven heeft gevochten. Dat deze vrienden zelf niet door een kogel zijn geraakt is puur toeval geweest.
Het schietincident heeft midden in een woonwijk op straat plaatsgevonden. Een dergelijk schietincident zal, niet alleen voor de omwonenden, maar ook in het algemeen in de maatschappij gevoelens van angst en onveiligheid teweeg brengen of versterken.



Bovenal heeft de verdachte door zijn handelen [slachtoffer 1] gedood. Doodslag behoort tot een van de zwaarste categorieën van strafbare feiten die het Wetboek van Strafrecht kent, nu het opzettelijk benemen van iemands leven de meest ernstige en onomkeerbare aantasting van het hoogste rechtsgoed, het recht op leven, is. Het is zeer kwalijk dat het slachtoffer, dat nog jong was en in de bloei van zijn leven, dat recht is ontnomen. De verdachte heeft niet alleen het leven van het slachtoffer ontnomen, hij heeft ook diens nabestaanden en dierbaren onherstelbaar verdriet aangedaan. Dat dit leed nog altijd voortduurt blijkt alleen al op indringende wijze uit de ter terechtzitting in hoger beroep voorgedragen slachtofferverklaring van de moeder van het slachtoffer. Vanwege de door verdachte ingenomen proceshouding tasten zij over het waarom van deze daad nog steeds in het duister.
Het hof rekent dit alles verdachte zeer zwaar aan.



De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen.



Tijdens de doorzoeking van de woning van de moeder van de verdachte, waar de verdachte verbleef, heeft de politie een doorgeladen pistool aangetroffen, niet zijnde het wapen waarmee bovengenoemde feiten zijn gepleegd. In het pistool bevond zich een patroonhouder die gevuld was met dertien kogelpatronen en er zat één kogelpatroon in de kamer van het wapen. Het pistool was daarom klaar voor direct gebruik. De verdachte heeft zich daarmee schuldig
gemaakt aan het voorhanden hebben van een doorgeladen vuurwapen met (bijbehorende)
munitie.



Het ongecontroleerd bezit van een vuurwapen kan ook zeer ernstig letsel aan personen en schade aan de maatschappij als geheel toebrengen. Het ongecontroleerde bezit daarvan brengt in de samenleving bovendien gevoelens van onveiligheid teweeg en vormt een ernstige inbreuk op de rechtsorde. Het is algemeen bekend dat vuurwapenbezit niet zelden leidt tot het (ondeskundig) gebruik ervan,
met alle ernstige gevolgen voor anderen. Daarbij bestaat tevens een risico dat
onschuldige omstanders worden getroffen. Gelet op de toename van het vuurwapenbezit en
het hoge gevaarzettend karakter daarvan, dient daartegen daarom streng te worden
opgetreden.



Waartoe vuurwapenbezit kan leiden, is in deze zaak op tragische wijze volstrekt duidelijk geworden. Ook dat rekent het hof de verdachte aan en neemt het hof mee in de strafoplegging.




Persoonlijke omstandigheden





Strafblad




Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 3 februari 2026, waaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten niet onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen soortgelijke strafbare feiten.




Rapportage




Het hof heeft kennis genomen van het rapport van de Reclassering Nederland van 14 december 2022. Dit rapport houdt - zakelijk - weergegeven en voor zover van belang – nog het volgende in.
Verdachte heeft zich niet als volwassene gevestigd in de maatschappij. Er is bij hem geen sprake van een school- dan wel werkcarrière en een legitieme inkomstenbron. Wel is er sprake van een negatief sociaal netwerk en een criminele levensstijl. Er zijn vermoedens van een lichte verstandelijke beperking, beperkt moreel denkvermogen en een pro-criminele attitude. De verdachte heeft veel wapengeweld meegemaakt en hij lijkt dit genormaliseerd te hebben, hetgeen overigens ook uit de houding van de verdachte ten aanzien van wapenbezit blijkt.




Op te leggen straf




Het hof heeft geconstateerd dat de bewezenverklaarde feiten ruim 4 jaar geleden zijn gepleegd, te weten in oktober en november 2021.
De ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder die zijn gepleegd, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof enkel een straf die langdurige vrijheidsbeneming met zich brengt. In verdachtes voordeel houdt het hof nog rekening met de betrekkelijk jonge leeftijd van de verdachte.



Gelet op het vorengaande is het hof van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 12 jaren een passende en geboden reactie vormt.






Redelijke termijn




Het hof stelt vast dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, zowel in eerste aanleg (een overschrijding van 2 weken) als in hoger beroep (een overschrijding van 3 maanden). De redelijke termijn is aangevangen met de in verzekeringstelling van de verdachte op 25 november 2021. Gelet op de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht gaat het hof uit van een redelijke termijn van 2 jaar. Het hoger beroep is ingesteld op 28 december 2023. De verdachte is voor de onderhavige zaak in hoger beroep niet voorlopige gehecht geweest, zodat ook in hoger beroep wordt uitgegaan van een redelijke termijn van 2 jaar. Het hof heeft voorts in aanmerking genomen de duur van de procedure als geheel.



Het hof volstaat met de constatering dat de redelijke termijn in eerste aanleg enigszins is overschreden.



Het hof ziet in de overschrijding in de appelfase aanleiding om de straf te verlagen door de in beginsel passend geachte gevangenisstraf van 12 jaren te verminderen met een maand gevangenisstraf.



Het hof is derhalve - alles afwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 11 jaren en 11 maanden een passende en geboden reactie vormt.



Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.




Bevel gevangenneming


De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting de gevangenneming van verdachte gevorderd, met ingang van de datum waarop het hof arrest wijst in deze zaak.



De verdediging heeft geen opmerkingen gemaakt over deze vordering tot gevangenneming.



Het hof overweegt hiertoe het volgende.



Omdat verdachte door de rechtbank van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde is vrijgesproken, is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis bij vonnis opgeheven.



Het hof komt - zoals hiervoor is vermeld - anders dan de rechtbank wel tot een bewezenverklaring van de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag op [slachtoffer 1] en de onder 2 impliciet subsidiair tenlastegelegde poging tot doodslag op [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] . Voor deze feiten is voorlopige hechtenis toegelaten.



Het hof is van oordeel dat, gelet op de veroordeling bij dit arrest, sprake is van ernstige bezwaren tegen de verdachte. Het gaat om strafbare feiten waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer is gesteld, en het hof is van oordeel dat de rechtsorde door deze feiten ernstig is geschokt. De gevangenneming van
verdachte is dus mogelijk.



Het hof heeft daarbij een ook afweging gemaakt tussen de persoonlijke belangen van de verdachte, zoals die ter terechtzitting zijn gebleken, enerzijds en het belang van strafvordering anderzijds, waarbij het hof het laatstgenoemde belang laat prevaleren op grond van de bijzondere ernst van de feiten waarvoor de verdachte heden is veroordeeld.



In de persoonlijke omstandigheden van verdachte ziet het hof geen aanleiding om een bevel tot gevangenneming achterwege te laten. De verdachte zit momenteel uit anderen hoofde gedetineerd ter zake van een nog niet onherroepelijk vonnis van de rechtbank Rotterdam.



Gelet op al het voorgaande zal het hof de vordering van de advocaat-generaal daarom toewijzen.



Het hof zal de gevangenneming van verdachte bevelen met ingang van heden (12 maart 2026), welk bevel afzonderlijk zal worden geminuteerd.





Vorderingen tot schadevergoeding


In onderhavige zaak hebben [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] zich ter zake van het onder 1 tenlastegelegde als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd en een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van door hen geleden schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.



Voorts heeft [slachtoffer 4] zich ter zake van het onder 2 tenlastegelegde als benadeelde partij in het strafgeding gevoegd en een vordering ingediend die strekt tot vergoeding van door hem geleden immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade.



Alle benadeelde partijen hebben hun vordering gehandhaafd in hoger beroep. Schematisch weergegeven gaat het om de volgende vorderingen:












Benadeelde




Relatie tot het feit




Schadepost




Gevorderd bedrag




















[benadeelde partij 1]



Moeder van het overleden slachtoffer


Affectieschade
Schokschade
Materiële schade


€ 20.000,00
€ 15.000,00
€ 18.650,20





[benadeelde partij 2]



Vader van het overleden slachtoffer


Affectieschade
Schokschade
Materiële schade


€ 20.000,00
€ 15.000,00
€ 208,95





[benadeelde partij 3]



Broertje van het overleden slachtoffer


Affectieschade


€ 17.500,00





[benadeelde partij 4]



Zus van het overleden slachtoffer


Affectieschade


€ 17.500,00





[benadeelde partij 5]



Partner van het overleden slachtoffer


Affectieschade
Schokschade
Materiële schade


€ 20.000,00
€ 10.000,00
€ 370,48



















[slachtoffer 4]



Slachtoffer


Persoonsaantasting


€ 10.000,00









De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot integrale toewijzing van de vorderingen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente.



Ten aanzien van de vordering van [benadeelde partij 5] heeft de advocaat-generaal geconcludeerd tot toewijzing van de vordering met betrekking tot de gevorderde materiële schade en schokschade.
Voor de gevorderde affectieschade dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard, nu zij naar het wettelijk kader niet als levensgezel kan worden aangemerkt.



De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] kan naar mening van de advocaat-generaal tot een bedrag van € 5.000,00 worden toegewezen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, te vermeerderen met de wettelijke rente. Voor het overige dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te worden verklaard.



De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen dienen te worden afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk te worden verklaard.





Vorderingen van [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5]




De vorderingen lenen zich voor gezamenlijke bespreking, per schadepost.




Affectieschade




In artikel 6:108, lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) is bepaald dat indien iemand overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht is een vaste vergoeding te betalen aan bepaalde naasten voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, geleden als gevolg van het overlijden. Dit wordt affectieschade genoemd. Wie die naasten zijn, is bepaald in lid 4 onder a tot en met g. Onder g is een zogenoemde hardheidsclausule opgenomen, die luidt: “een andere persoon die ten tijde van de gebeurtenis in een zodanige nauwe persoonlijke relatie tot de overledene staat, dat uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat hij voor de toepassing van lid 3 als naaste wordt aangemerkt”.




[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] behoren tot de in lid 4 onder c genoemde naasten en zij hebben dus een aanspraak op vergoeding van affectieschade. De hoogte van de gevorderde schadevergoeding correspondeert met de voor deze naasten in het Besluit vergoeding affectieschade genoemde bedragen en is door de verdediging ook niet betwist. Het hof zal hun vorderingen in zoverre dan ook toewijzen.




[benadeelde partij 3] , broertje, [benadeelde partij 4] , zus, en [benadeelde partij 5] , nu zij en het slachtoffer niet waren getrouwd, geen geregistreerd partners waren en niet de kans hebben gekregen om samen te wonen, behoren niet tot de in lid 4, onder a tot en met f, genoemde naasten. Zij hebben een beroep gedaan op de hardheidsclausule. Voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule moet een hechte affectieve relatie worden aangetoond. Factoren van belang zijn onder meer de intensiteit, de aard en de duur van de relatie.




[benadeelde partij 3] heeft ter onderbouwing daarvan gesteld dat zijn broer zijn steun en toeverlaat was, degene die altijd alles voor hem deed en tegen wie hij opkeek. Zij woonden nog bij hun ouders thuis en waren onafscheidelijk. Zij deden alles samen, zoals op vakantie gaan, winkelen en gewoon samen chillen.

[benadeelde partij 4] heeft ter onderbouwing gesteld dat zij een hele hechte band had met haar broertje, ondanks dat zij niet meer thuis woonde. Ze hadden elke dag wel telefonisch contact (bellen en/of whatsappen). Hij had haar huissleutels en kwam vaak even op bezoek. Ook sliep zij nog wel eens thuis. Hij was echt zorgzaam voor haar en was er altijd voor haar.

[benadeelde partij 5] heeft ter onderbouwing gesteld dat zij en het slachtoffer iets langer dan twee jaar een relatie hadden. Ze hadden al samen toekomstplannen gemaakt. Hij gaf haar een veilig en liefdevol gevoel. Hun band was uniek, vertrouwd en liefdevol. Ze konden alles samen delen.



Zonder tekort te willen doen aan de liefdevolle relaties van betrokkenen met het slachtoffer of het verdriet van hen nu zij hem moeten missen, geeft hetgeen [benadeelde partij 3] , [benadeelde partij 4] en [benadeelde partij 5] ter onderbouwing hebben gesteld naar het oordeel van het hof in onvoldoende mate blijk van een hechte affectieve relatie zoals die volgens de wet en jurisprudentie is vereist voor een geslaagd beroep op de hardheidsclausule.



Daarbij merkt het hof in het bijzonder op dat broers en zussen - naar geldend recht - niet tot de in lid 4 onder a tot en met f genoemde naasten behoren, waaruit het hof afleidt dat er, om een geslaagd beroep op de hardheidsclausule te kunnen doen, voor broers en zussen iets extra’s aan de hand moet zijn waardoor hun relatie met de overledene uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben. Het hof acht onvoldoende onderbouwd dat daarvan in dit geval sprake is. Hetgeen de benadeelde partijen hebben gesteld geeft weliswaar blijk van een warme en liefdevolle familieband, maar niet van een relatie die naar aard en intensiteit uitstijgt boven de gebruikelijke relatie die broers en zussen met elkaar hebben.
De benadeelde partijen de gelegenheid geven hun vorderingen op dit punt nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Zij zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.




Schokschade





Juridisch kader




Iemand die een ander door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt, kan – afhankelijk van de omstandigheden waaronder die onrechtmatige daad en de confrontatie met die daad of de gevolgen daarvan, plaatsvinden – ook onrechtmatig handelen jegens degene bij wie die confrontatie een hevige emotionele schok teweeg brengt.



Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht als hiervoor bedoeld (hierna: het secundaire slachtoffer) zijn onder meer:

- de aard, de toedracht en de gevolgen van de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad, waaronder de intentie van de dader en de aard en ernst van het aan het primaire slachtoffer toegebrachte leed;
- de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de jegens het primaire slachtoffer gepleegde onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan. Daarbij kan onder meer worden betrokken of hij door fysieke aanwezigheid of anderszins onmiddellijk kennis kreeg van het onrechtmatige handelen jegens het primaire slachtoffer, of dat hij nadien met de gevolgen van dit handelen werd geconfronteerd. Bij een latere confrontatie kan een rol spelen in hoeverre zij onverhoeds was;
- de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.
De rechter moet aan de hand van onder meer deze gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwd van geval tot geval beoordelen of sprake is van onrechtmatigheid, waarbij niet op voorhand aan een van deze gezichtspunten doorslaggevende betekenis toekomt. Als een van deze gezichtspunten geen duidelijke indicatie voor het aannemen van onrechtmatigheid geeft, kan onrechtmatigheid desondanks worden aangenomen als de omstandigheden daarvoor, bezien vanuit de overige gezichtspunten, voldoende zwaarwegend zijn.


Vergoeding van immateriële schade zoals in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoeld kan dus plaatsvinden als door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, een hevige emotionele schok bij de benadeelde partij is teweeggebracht, waaruit geestelijk letsel voortvloeit, hetgeen zich met name zal kunnen voordoen indien iemand tot wie de aldus getroffene in een nauwe affectieve relatie staat, bij het tenlastegelegde is gedood of gewond (zogenoemde schokschade).



Voor vergoeding van immateriële schade als deze is dan wel vereist dat het bestaan van geestelijk letsel, waardoor iemand in zijn persoon is aangetast, in rechte naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, hetgeen in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Daarmee is beoogd tot uitdrukking te brengen dat die emotionele schok moet hebben geleid tot geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar. Dit brengt mee dat als de rechter op grond van een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige – waarbij gedacht kan worden aan een ter zake bevoegde en bekwame psychiater, huisarts of psycholoog – tot het oordeel komt dat sprake is van geestelijk letsel in de hiervoor bedoelde zin, hij tot toewijzing van schadevergoeding kan overgaan, ook als in die rapportage geen diagnose van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld wordt gesteld.



De vaststelling van de hoogte van de geleden schokschade geschiedt ingevolge artikel 6:106 BW naar billijkheid met in achtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de ernst van het aan de verdachte te maken verwijt, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van de benadeelde partij. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.







Beoordeling van de onrechtmatigheid in deze zaak





[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] hebben gesteld dat de confrontatie met de gevolgen van het onder 1 tenlastegelegde bij hen een hevige emotionele schok teweeg heeft gebracht en dat de verdachte daardoor jegens hen onrechtmatig heeft gehandeld.

Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde gezichtspunten, overweegt het hof als volgt.



De verdachte heeft het slachtoffer opzettelijk om het leven gebracht door met een vuurwapen op de auto waarin het slachtoffer zat te schieten.
De benadeelde partijen stonden allen in een nauwe relatie tot het slachtoffer. Voor zijn ouders, bij wie het slachtoffer nog inwonend was, is dat evident. Voor [benadeelde partij 5] geldt dat haar relatie met het slachtoffer weliswaar niet zodanig was dat zij een aanspraak heeft op affectieschade, maar wel dat sprake was van een vaste liefdesrelatie.




[benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben hun zoon moeten identificeren in het ziekenhuis. Zij hebben moeten zien hoe artsen hebben gevochten voor het leven van hun zoon. Naderhand zijn zij door de media aandacht in de zaak en beschrijvingen welke zijn opgenomen in het strafdossier en het sectierapport geconfronteerd met het letsel en de omstandigheden, waaraan en waaronder hun zoon is overleden.
Ook [benadeelde partij 5] was bij het ziekenhuis aanwezig en is geconfronteerd met het levenloze lichaam van haar vriend. Naderhand is zij door de media aandacht in de zaak en beschrijvingen welke zijn opgenomen in het strafdossier en het sectierapport geconfronteerd met het letsel en de omstandigheden, waaraan en waaronder haar partner is overleden.



De gezichtspunten in hun onderlinge samenhang beschouwend, komt het hof tot het oordeel dat het handelen van de verdachte een hevige emotionele schok bij deze personen teweeg heeft gebracht en dat de verdachte aldus onrechtmatig heeft gehandeld jegens deze benadeelde partijen.



De vraag is vervolgens of kan worden vastgesteld dat de emotionele schok die bij de benadeelde partijen is teweeggebracht door de confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezenverklaarde, bij hen heeft geleid tot geestelijk letsel. Het hof beantwoordt die vraag ten aanzien van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] ontkennend, gelet op het navolgende.




[benadeelde partij 1] heeft ter onderbouwing van haar vordering een brief van haar huisarts van 17 oktober 2023 bij haar schriftelijke vordering gevoegd. Hieruit blijkt dat het plotselinge overlijden van haar zoon een grote impact heeft gehad op haar lichamelijke en geestelijke gezondheid. Zij bezoekt regelmatig de huisartsenpraktijk met lichamelijke en psychische klachten.
Volgens haar advocaat is recente informatie niet voorhanden, maar loopt de behandeling nog steeds, waarbij duidelijk is dat de klachten niet zijn verminderd. Stukken hiervan ontbreken bij de vordering.




[benadeelde partij 2] heef ter onderbouwing van zijn vordering een e-mailbericht van SANE Psychologen van 21 juli 2023 bij zijn schriftelijke vordering gevoegd, waaruit blijkt dat er een intakegesprek plaats zou vinden op 24 juli 2023.
Volgens zijn advocaat zou hij door zijn huisarts zijn verwezen, zou het intakegesprek inmiddels plaats hebben gehad, zou er een behandelplan en/of diagnose zijn aangegeven,
maar nog niet zijn bevestigd en zou er sprake zou zijn van depressieve en posttraumatische
klachten. Stukken hiervan ontbreken bij de vordering.



Deze onderbouwingen geven, bij gebrek aan voldoende ondersteunende stukken, naar het oordeel van het hof onvoldoende mate blijk van het bestaan van geestelijk letsel, waardoor de benadeelde partijen in hun persoon zijn aangetast.



De benadeelde partijen de gelegenheid geven hun vorderingen op dit punt nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Zij zullen in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen.




[benadeelde partij 5] heeft ter onderbouwing van haar vordering berichten van haar huisarts d.d. 23 oktober 2023 en een GZ-psychoog d.d. 20 april 2022 bij haar schriftelijke vordering gevoegd.
Hieruit blijkt dat zij door haar huisarts is verwezen naar de Basis GGZ en dat zij daar is gediagnostiseerd met een posttraumatische stressstoornis. Zij heeft last van herbelevingen, prikkelbaarheid, alertheid, concentratieproblemen en somberheid, nadat haar vriend met wie ze 2 jaar een relatie had op 11 oktober 2021 plotseling is doodgeschoten toen hij onderweg was in een auto met anderen. De klachten bestaan sinds die tijd en belemmeren haar in haar
functioneren. Het hoofddoel van de behandeling is het verminderen van de klachten en versterken van de coping.



Deze onderbouwing geeft naar het oordeel van het hof wel in voldoende mate blijk van het bestaan van geestelijk letsel, waardoor de benadeelde partij in haar persoon is aangetast. Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte aan de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft toegebracht.





Vaststelling hoogte schade




Bij het vaststellen van de hoogte van de schokschade acht het hof het volgende van belang. Voorop staat dat het aan de verdachte te maken verwijt zeer ernstig is en dat de benadeelde partij als gevolg daarvan geestelijk letsel heeft opgelopen: een posttraumatische stressstoornis. Zij heeft klachten ervaren, waarvoor behandeling aangewezen was.



Op grond van de door de benadeelde partij overgelegde stukken kan evenwel niet worden vastgesteld wat de ernst en het beloop van het geestelijk letsel is. Zo is onduidelijk gebleven in hoeverre de behandeling succesvol is geweest, in hoeverre de benadeelde partij thans nog klachten ondervindt en in hoeverre de klachten hun weerslag hebben of hebben gehad op aspecten van haar leven.



Met inachtneming daarvan en alle andere omstandigheden van het geval, stelt het hof thans naar billijkheid de geleden schokschade voor de benadeelde partij vast op een bedrag van
€ 3.000,00.



De benadeelde partij de gelegenheid geven haar vordering nader te onderbouwen, zou een onevenredige belasting van het strafproces vormen. Zij zal in zoverre niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vorderingen.






Materiële kosten





[benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] vorderen vergoeding van materiële schade.
Bij [benadeelde partij 1] gaat het om de kosten van de uitvaart van het slachtoffer, diverse andere kosten met betrekking tot de uitvaart, kosten grafsteen, kleding voor het slachtoffer voor de begrafenis en de onderhoudsrechten van het graf van het slachtoffer, zijnde een bedrag van € 18.430,33.
Voorts vordert zij het eigen risico van haar zorgverzekering over de jaren 2021, 2022 en 2023, zijnde een bedrag van € 219,87.
Bij [benadeelde partij 2] gaat het om en het eigen risico van zijn zorgverzekering over de jaren 2022 en 2023, zijnde een bedrag van € 208,95.
Bij [benadeelde partij 5] gaat het om het eigen risico van haar zorgverzekering over het jaar 2022, zijnde een bedrag van € 370,48.



In artikel 6:108, lid 3, BW is bepaald dat indien iemand overlijdt ten gevolge van een gebeurtenis waarvoor een ander jegens hem aansprakelijk is, die ander verplicht is aan degene te wiens laste de kosten van lijkbezorging van de overledene zijn gekomen, deze kosten te vergoeden, voor zover zij in overeenstemming zijn met de omstandigheden van de overledene.



De kosten van de uitvaart van het slachtoffer, diverse andere kosten met betrekking tot de uitvaart, kosten grafsteen, kleding voor het slachtoffer voor de begrafenis, de onderhoudsrechten van het graf van het slachtoffer zijn als kosten van lijkbezorging in voormelde zin aan te merken. Door de verdediging zijn deze schadeposten niet betwist. Het hof zal de vordering dan ook in zoverre toewijzen.



Voor vergoeding van de kosten van het eigen risico geldt het volgende. Gezien de nadere toelichting die namens de benadeelde partijen ter terechtzitting in hoger beroep is gegeven, begrijpt het hof dat deze schadepost is bedoeld als materiële component van de gevorderde schokschade. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat onder schokschade zowel immateriële als materiële schade kan worden begrepen, zolang die schade het gevolg is van geestelijk letsel veroorzaakt door de hevige emotionele schok (Hoge Raad 28 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:958, r.o. 3.6).



Zoals het hof hiervoor reeds heeft overwogen, is bij [benadeelde partij 5] sprake van geestelijk letsel in vorenbedoelde zin.



Ten aanzien van de gevorderde materiële schade ter hoogte van € 370,48, die ziet op het gebruikte eigen risico ten behoeve van de behandeling bij de psycholoog, is het hof van oordeel dat deze kan worden toegewezen. De vordering betreft rechtstreekse schade, is voldoende onderbouwd, is niet betwist en komt het hof niet onrechtmatig of ongegrond voor.



De behandeling van de vordering van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] met betrekking tot de post 'eigen risico' levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op, nu vooralsnog niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat deze kosten kunnen worden gerekend tot de schokschade, dan wel zijn gemaakt als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde.



Het hof zal de benadeelde partijen voor dit deel niet-ontvankelijk verklaren in de vordering.
Deze vordering kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.





Vordering tot schadevergoeding [slachtoffer 4]




Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (artikel 6:95, eerste lid, BW).




Aantasting in de persoon




Artikel 6:106 BW geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen. In dit artikel is bepaald dat een benadeelde onder meer recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding indien sprake is van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’(aanhef en onder b). Hiervan is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit dit blijkt. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht (vgl. Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793).
Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat de benadeelde partij als rechtstreeks gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde op andere wijze in de persoon is aangetast als bedoeld artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek. Weliswaar heeft de benadeelde partij dat niet met concrete gegevens onderbouwd, maar het hof is van oordeel dat de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Het gaat hier immers om een poging doodslag, waarbij de verdachte met een vuurwapen meerdere keren geschoten heeft op de auto waarin de benadeelde partij zich met drie anderen bevond. Een van deze inzittenden is door dit schietincident komen te overlijden.



Daarmee is sprake van een grond voor toekenning van een schadevergoeding. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich – naar maatstaven van billijkheid – voor toewijzing tot een bedrag van € 5.000,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 11 oktober 2021 tot aan de dag der algehele voldoening.





Conclusie




De vorderingen van de benadeelde partijen worden deels toegewezen. Schematisch weergegeven en uitgesplitst per schadepost als volgt:













Benadeelde




Schadepost




Toegewezen bedrag




Niet-ontvankelijk




















[benadeelde partij 1]



Affectieschade
Schokschade
Materiële schade


€ 20.000,00
€ 0,00
€ 18.430,33



€ 15.000,00
€ 219,87





[benadeelde partij 2]



Affectieschade
Schokschade
Materiële schade


€ 20.000,00
€ 0,00




€ 15.000,00
€ 208,95





[benadeelde partij 3]



Affectieschade


€ 0,00


€ 17.500,00





[benadeelde partij 4]



Affectieschade


€ 0,00


€ 17.500,00





[benadeelde partij 5]



Affectieschade
Schokschade
Materiële schade


€ 0,00
€ 3.000,00
€ 370,48


€ 20.000,00
€ 7.000,00





[slachtoffer 4]



Persoonsaantasting


€ 5.000,00


€ 5.000,00











Wettelijke rente




De toe te wijzen bedragen worden vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente over deze bedragen, tot aan de dag der algehele voldoening.



Voor de materiële schade zal het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente telkens bepalen op de factuurdatum.



Voor de immateriële schade zal het hof de aanvangsdatum van de wettelijke rente telkens bepalen op 11 oktober 2021. Op die dag is het slachtoffer overleden.





Proceskosten




Gelet op het voorgaande dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] , [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 5] en [slachtoffer 4] tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen hebben gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partijen ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moeten maken.



Gelet op het voorgaande dienen de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] te worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met de vorderingen heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de verdachte ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.




Betaling aan de Staat ten behoeve van de nabestaanden




Nu vaststaat dat de verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 en 2 bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen die bedragen aan de Staat te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de hiervoor genoemde data tot aan de dag der algehele voldoening, ten behoeve van de benadeelde partijen van wie de vorderingen tot schadevergoeding (deels) zijn toegewezen.



Het hof zal daarbij telkens bepalen dat gijzeling van na te melden duur kan worden toegepast indien verhaal niet mogelijk blijkt, met dien verstande dat de toepassing van die gijzeling de verplichting tot schadevergoeding niet opheft. De duur van de gijzeling zal het hof bepalen evenredig aan de hoogte van de schadevergoeding, rekening houdend met het wettelijk bepaalde totale maximum van 365 dagen (zie Hoge Raad 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714).






Toepasselijke wettelijke voorschriften


Het hof heeft gelet op de artikelen 45, 55, 57, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.





BESLISSING


Het hof:



Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:



Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair, 2 impliciet primair en 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair, 2 impliciet subsidiair en 4 tenlastegelegde heeft begaan.



Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.



Verklaart het onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.



Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 11 (elf) jaren en 11 (elf) maanden.



Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte kosten en begroot deze op nihil.




Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 20.000,00 (twintigduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 20.000,00 (twintigduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 82 (tweeëntachtig) dagen.



Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 oktober 2021.







Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 38.430,33 (achtendertigduizend vierhonderddertig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 18.430,33 (achttienduizend vierhonderddertig euro en drieëndertig cent) materiële schade en

€ 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 38.430,33 (achtendertigduizend vierhonderddertig euro en drieëndertig cent) bestaande uit € 18.430,33 (achttienduizend vierhonderddertig euro en drieëndertig cent) materiële schade en € 20.000,00 (twintigduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 158 (honderdachtenvijftig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op

- 14 oktober 2021 over een bedrag van € 10.714,10 ter zake van kosten uitvaart - 14 oktober 2021 over een bedrag van € 45,98 ter zake van kleding slachtoffer - 14 oktober 2021 over een bedrag van € 660,00 ter zake van kosten uitvaart diversen - 5 november 2021 over een bedrag van € 6.000,00 ter zake van kosten grafsteen - 11 november 2021 over een bedrag van € 1.010,25 ter zake van onderhoudskosten graf



en van de immateriële schade op 11 oktober 2021.





Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 5]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 5] ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.370,48 (drieduizend driehonderdzeventig euro en achtenveertig cent) bestaande uit € 370,48 (driehonderdzeventig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 5] , ter zake van het onder 1 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.370,48 (drieduizend driehonderdzeventig euro en achtenveertig cent) bestaande uit
€ 370,48 (driehonderdzeventig euro en achtenveertig cent) materiële schade en € 3.000,00 (drieduizend euro) immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 14 (veertien) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de materiële schade op 8 juni 2023
en van de immateriële schade op 11 oktober 2021.





Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer 4] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 5.000,00 (vijfduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de benadeelde partij in zoverre de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.



Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.



Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [slachtoffer 4] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van
€ 5.000,00 (vijfduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.



Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 21 (eenentwintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.



Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.



Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 11 oktober 2021.





Beveelt de gevangenneming van verdachte, welke beslissing ook in een afzonderlijke beslissing zal worden neergelegd.




Dit arrest is gewezen door mr. A.S.I. van Delden, als voorzitter, en mr. W. J . van Boven en mr. E.C. van Veen, leden,
in bijzijn van de griffier mr. C.B. Jans.



Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 maart 2026.




Voor zover niet anders vermeld, wordt in de hierna volgende voetnoten telkens verwezen naar bewijsmiddelen die zich bevinden in het aan deze zaak ten grondslag liggende zaaksdossier, Zaak TGO Schiltman, van de Districtsrecherche Rotterdam-Zuid met documentcode 2110121500.DOC, volgens de in dat dossier toegepaste nummering..


Proces-verbaal van bevindingen, 2110112242. AMB, p. 9


Proces-verbaal van bevindingen, 2110112242. AMB, p.10


Proces-verbaal van bevindingen, 2110112242.AMB, p. 10 en 11


NFI-rapport d.d. 30 oktober 2021, pathologieonderzoek naar aanleiding van een mogelijk niet-natuurlijke dood, opgemaakt door D. J . Rijken, forensisch patholoog, Forensisch Dossier, p. 73


Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 3] , [nummer 1] , p. 47, 49


Relaasproces-verbaal p. 2


Proces-verbaal van bevindingen, 2110112242. AMB, p. 10 en p. 66-69 en Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , [nummer 2] , p. 26


Proces-verbaal van bevindingen, 2111151522.AMB, p. 111,114


Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , [nummer 2] , p. 26 en proces-verbaal van verhoor [slachtoffer 2] , [nummer 3] , p. 41


Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 16, 17, 18 van het Forensisch dossier en relaasproces-
verbaal, p. 10 van het Forensisch dossier


Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 95, 96 van het Forensisch dossier en relaasproces-verbaal,
p. 10 van het Forensisch dossier


Proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 16, 17, 18 van het Forensisch dossier en relaasproces-
verbaal, p. 10 van het Forensisch dossier


Relaasproces-verbaal, p. 8 van het Forensisch dossier, proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 102,
103 van het Forensisch dossier


NFI-rapport munitieonderzoek nav een schietincident in Rotterdam op 1 oktober 2021, p. 252, 253
van het Forensisch dossier


Ter verduidelijking van de posities van de getuigen heeft het hof de in hoger beroep gevoegde
overzichtskaart TGO Schiltman als bijlage aan dit arrest gehecht


Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 2] , [nummer 2] , p. 26


Proces-verbaal van bevindingen, 211020755.AMB, p. 53 (verhoor getuige [getuige 1] )


Proces-verbaal van bevindingen, 2110112255.AMB, p. 4 (verhoor getuige [getuige 2] )


Proces-verbaal van bevindingen, 2110112250.AMB, p. 2,3 (verhoor getuige [getuige 3] )


Proces-verbaal van bevindingen, 2110112244.AMB, p. 1 (verhoor getuige [getuige 4] )


Proces-verbaal van bevindingen, 2110112250.AMB, p. 2 (verhoor getuige [getuige 5] )


Proces-verbaal van bevindingen, 2111031700.AMB, p. 124


Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 6] , [nummer 4] , p. 7


Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 7] , [nummer 5] , p. 8


Proces-verbaal van bevindingen, 2602171445.AMB, p. 2 (verhoor [getuige 8] ). Dit proces-verbaal is ter terechtzitting in hoger beroep gevoegd.


Proces-verbaal van bevindingen, 2110112235.AMB, p. 5 (verhoor [getuige 8] )


Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 9] , [nummer 6] , p. 51, 52


Proces-verbaal van bevindingen, 2111151522.AMB, p. 115,116


Proces-verbaal van bevindingen, 21122108566.AMB, p. 533


Proces-verbaal van bevindingen, 2111151522.AMB, p. 116


Proces-verbaal van bevindingen, 2111151522.AMB, p. 116


Proces-verbaal van bevindingen, 2111151522.AMB, p. 116, 118


Proces-verbaal van bevindingen, 2111151522.AMB, p. 119, 120


Proces-verbaal van bevindingen, 2111151522.AMB, p. 121


Pv bevindingen aanvullende onderzoeksvragen, 2602171445.AMB p. 1. Dit proces-verbaal is ter terechtzitting in hoger beroep gevoegd.



Proces-verbaal van bevindingen, p. 185, 186, 187 en Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 10] , p. 423


Proces-verbaal van bevindingen, p. 186 (foto 1)


Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 11] , [nummer 7] , p. 574, 575


Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 240,242


Proces-verbaal van bevindingen, 21111250010.AMB, p. 244


Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, 2111242327. DZK, p. 240,242,243


Proces-verbaal van bevindingen, 2112071230.AMB, p. 465


NFI-rapport d.d. 18 februari 2022, onderzoek naar biologische sporen nav een schietincident met
dodelijke afloop in Rotterdam op 11 oktober 2021, p. 1 -8


Proces-verbaal van bevindingen, 2112071230.AMB, p. 466 en proces-verbaal van bevindingen,
2111301625.AMB, p. 451 - 454


Proces-verbaal van bevindingen, 2111301625.AMB, p. 451 - 454 , proces-verbaal van
bevindingen, 2112071230.AMB, p. 464, 465, 466 en proces-verbaal van bevindingen, p. 1060


Proces-verbaal van bevindingen, 2111251323.AMB, p. 204


Proces verbaal van verhoor getuige [getuige 12] , [nummer 8] , p. 1069 en proces-
Verbaal van verhoor getuige [getuige 13] , [nummer 9] , p. 1190


Proces-verbaal verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid ivs en vordering bewaring d.d. 26
november 2021


Proces-verbaal van bevindingen, 2201111050. AMB, p. 973


Proces-verbaal van bevindingen, 2201111050. AMB, p. 981, 982, 983, 989


Proces-verbaal van bevindingen, 2201111050. AMB, p. 976


Proces-verbaal van bevindingen, p. 1048, 1058


Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2026


Proces-verbaal van bevindingen, 2111251536. AMB, p.198,199,200


Pv van bevindingen, documentcode 2112130900.AMB, verstrekt in eerste aanleg op 6-11-2023


Pv van bevindingen, documentcode 2201051030. AMB, p. 780


NFI-rapport, wapen- en munitie onderzoek nav een schietincident in Rotterdam op 1 oktober 2021,
p. 259-264 van het Forensisch dossier


Proces-verbaal van bevindingen, 211125130.AMB, p. 210, 211


Proces-verbaal van bevindingen, 2112151200.AMB, p. 659 en proces-verbaal van bevindingen,
2112201310.AMB, p. 660


Proces-verbaal van bevindingen, 2112201310.AMB, p. 664


Proces-verbaal van bevindingen, 2202150752.AMB, p. 1031, 1032


Proces-verbaal van bevindingen, 2201111421.AMB, p. 626, 627, 628


Proces-verbaal van bevindingen, 2201101350.AMB, p. 634


Proces-verbaal van bevindingen, 2201101433.AMB, p. 629, 630


Proces-verbaal van bevindingen, 2202201108. AMB, p. 1114, 1115


Proces-verbaal verhoor verdachte, 2201131100. [nummer 10] , p. 639-644


Proces-verbaal van bevindingen, 2202071017.AMB, p. 1014, 1015


Proces-verbaal van bevindingen, 2202071017.AMB, p. 1019


Proces-verbaal van bevindingen, 2202071017.AMB, p. 1020


Proces-verbaal van bevindingen, 2202071017.AMB, p. 1022


Proces-verbaal van bevindingen, 2202071017.AMB, p. 1023


Proces-verbaal van bevindingen, 2202071017.AMB, p. 1025


Proces-verbaal van bevindingen, 2201111050. AMB, p. 973


Proces-verbaal van bevindingen, 2202081009. AMB, p. 874


Proces-verbaal van bevindingen, 2202150752.AMB, p.1031, 1032


Proces-verbaal van bevindingen, 2111250010.AMB, p. 244, proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, 2111242327. DZK, p. 240-243 en relaas proces-verbaal forensisch onderzoek, p. 9


Proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, 2111242327. DZK, p. 240 en 241


Proces-verbaal van bevindingen, 2111290820. AMB, p. 447


Proces-verbaal verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid ivs en vordering bewaring d.d. 26
november 2021 en proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2026


NFI-rapport d.d. 18 februari 2022, onderzoek naar biologische sporen nav een schietincident met dodelijke afloop in Rotterdam op 11 oktober 2021, p. 89-97


Proces-verbaal onderzoek vuurwapen en munitie, p. 121 van het Forensisch dossier


Proces-verbaal onderzoek vuurwapen en munitie, p. 121 - 122 van het Forensisch dossier


Proces-verbaal verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid ivs en vordering bewaring d.d. 26
november 2021


Proces-verbaal ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2026