Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2025:158
2025-01-31
Bestuursrecht; Belastingrecht
24/03954
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Art. 8:36c Awb; datum van ontvangst van (proces)stukken bij elektronisch procederen; notificatiebericht.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2025:46 Hoge Raad 17-01-2025
Geciteerd door (15)
- ECLI:NL:GHAMS:2026:2572 Gerechtshof Amsterdam 02-07-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1131 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 29-04-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1030 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-04-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1029 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 15-04-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3446 Rechtbank Noord-Holland 24-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:3315 Rechtbank Noord-Holland 19-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:1736 Rechtbank Noord-Holland 29-01-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2025:15917 Rechtbank Noord-Holland 23-12-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2707 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:2708 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 01-10-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1855 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 02-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:463 Hoge Raad 28-03-2025
- ECLI:NL:GHDHA:2025:527 Gerechtshof Den Haag 05-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:541 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:523 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-02-2025
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (8.190 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03954
Datum 31 januari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 september 2024, nr. BK-23/1136, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 13 juni 2024. De uitspraak van het Hof op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Bij brief van 16 november 2023 heeft belanghebbende op digitale wijze hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. Die uitspraak betreft een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Bij bericht van 23 november 2023, geplaatst in het webportaal Mijn Rechtspraak, heeft de griffier van het Hof belanghebbende meegedeeld dat belanghebbende heeft verzuimd de gronden van het hoger beroep te vermelden. De griffier heeft belanghebbende de gelegenheid gegeven dit verzuim uiterlijk op 21 december 2023 te herstellen.
2.2
Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn geen gebruik gemaakt van de gelegenheid de gronden van het hoger beroep in te dienen. Met toepassing van artikel 8:54 Awb heeft het Hof het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende verzet gedaan. Het Hof heeft het verzet ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende digitaal hoger beroep heeft ingesteld via Mijn Rechtspraak, dat hij vanaf 16 november 2023 toegang had tot dit systeem, dat tot dit systeem het digitale dossier van belanghebbende behoorde dat vanaf 16 november 2023 is opgebouwd, en dat belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 23 november 2023 om 9:42 uur heeft ontvangen en vanaf dat moment ook heeft kunnen inzien.
3Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten van belanghebbende zijn gericht tegen de hiervoor in 2.3 weergegeven oordelen van het Hof. De klachten voeren onder meer aan dat belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 23 november 2023 niet heeft ontvangen en evenmin een kennisgeving als bedoeld in artikel 8:36c Awb.
3.2
De Hoge Raad stelt het volgende voorop.
3.2.1
Indien partijen langs elektronische weg procederen, zijn de bepalingen van afdeling 8.1.6a Awb van toepassing. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze afdeling blijkt dat als een van de partijen een stuk heeft ingediend in het digitale systeem voor gegevensverwerking van het gerecht (hierna: het digitale systeem) of de bestuursrechter een bericht in dat systeem heeft geplaatst, partijen hiervan een in beginsel elektronisch notificatiebericht krijgen.
3.2.2
In overeenstemming hiermee bepaalt artikel 8:36c, lid 2, Awb dat het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde een notificatiebericht stuurt waaruit blijkt dat een bericht voor hem toegankelijk is in het digitale systeem, het tijdstip is waarop de geadresseerde dat bericht heeft ontvangen.
3.2.3
Van de ontvangst van notificatieberichten kan desgewenst worden afgezien. Indien een betrokkene daarvoor kiest, geldt op grond van artikel 8:36c, lid 4, Awb als tijdstip van ontvangst van een bericht, het tijdstip waarop dit bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem.
3.3
Volgens het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof heeft belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 23 november 2023 ontvangen op het tijdstip waarop dit bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem. Indien het Hof met dit oordeel heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat als een partij elektronisch procedeert een aan die partij geadresseerd bericht altijd door die partij wordt ontvangen op het tijdstip waarop dat bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem, getuigt dat oordeel, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, zoals hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Uit de uitspraak van het Hof blijkt immers niet dat belanghebbende een notificatiebericht heeft ontvangen of heeft afgezien van de ontvangst van notificatieberichten als bedoeld in artikel 8:36c, lid 4, Awb. De klachten slagen in zoverre.
3.4
De bestreden uitspraak kan daarom niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
4Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
5.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. Het College zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
6Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 32.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 111.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 112.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.
BELASTINGKAMER
Nummer 24/03954
Datum 31 januari 2025
ARREST
in de zaak van
[X] (hierna: belanghebbende)
tegen
het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE ROTTERDAM
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 september 2024, nr. BK-23/1136, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van het Hof van 13 juni 2024. De uitspraak van het Hof op het verzet is aan dit arrest gehecht.
1Geding in cassatie
Belanghebbende, vertegenwoordigd door A. Bakker, heeft tegen de uitspraak van het Hof op het verzet beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
2Uitgangspunten in cassatie
2.1
Bij brief van 16 november 2023 heeft belanghebbende op digitale wijze hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank Rotterdam. Die uitspraak betreft een beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken. Bij bericht van 23 november 2023, geplaatst in het webportaal Mijn Rechtspraak, heeft de griffier van het Hof belanghebbende meegedeeld dat belanghebbende heeft verzuimd de gronden van het hoger beroep te vermelden. De griffier heeft belanghebbende de gelegenheid gegeven dit verzuim uiterlijk op 21 december 2023 te herstellen.
2.2
Belanghebbende heeft binnen de gestelde termijn geen gebruik gemaakt van de gelegenheid de gronden van het hoger beroep in te dienen. Met toepassing van artikel 8:54 Awb heeft het Hof het hoger beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard.
2.3
Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende verzet gedaan. Het Hof heeft het verzet ongegrond verklaard. Daartoe heeft het Hof overwogen dat belanghebbende digitaal hoger beroep heeft ingesteld via Mijn Rechtspraak, dat hij vanaf 16 november 2023 toegang had tot dit systeem, dat tot dit systeem het digitale dossier van belanghebbende behoorde dat vanaf 16 november 2023 is opgebouwd, en dat belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 23 november 2023 om 9:42 uur heeft ontvangen en vanaf dat moment ook heeft kunnen inzien.
3Beoordeling van de klachten
3.1
De klachten van belanghebbende zijn gericht tegen de hiervoor in 2.3 weergegeven oordelen van het Hof. De klachten voeren onder meer aan dat belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 23 november 2023 niet heeft ontvangen en evenmin een kennisgeving als bedoeld in artikel 8:36c Awb.
3.2
De Hoge Raad stelt het volgende voorop.
3.2.1
Indien partijen langs elektronische weg procederen, zijn de bepalingen van afdeling 8.1.6a Awb van toepassing. Uit de totstandkomingsgeschiedenis van deze afdeling blijkt dat als een van de partijen een stuk heeft ingediend in het digitale systeem voor gegevensverwerking van het gerecht (hierna: het digitale systeem) of de bestuursrechter een bericht in dat systeem heeft geplaatst, partijen hiervan een in beginsel elektronisch notificatiebericht krijgen.
3.2.2
In overeenstemming hiermee bepaalt artikel 8:36c, lid 2, Awb dat het tijdstip waarop de bestuursrechter de geadresseerde een notificatiebericht stuurt waaruit blijkt dat een bericht voor hem toegankelijk is in het digitale systeem, het tijdstip is waarop de geadresseerde dat bericht heeft ontvangen.
3.2.3
Van de ontvangst van notificatieberichten kan desgewenst worden afgezien. Indien een betrokkene daarvoor kiest, geldt op grond van artikel 8:36c, lid 4, Awb als tijdstip van ontvangst van een bericht, het tijdstip waarop dit bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem.
3.3
Volgens het hiervoor in 2.3 weergegeven oordeel van het Hof heeft belanghebbende het hiervoor in 2.1 bedoelde bericht van 23 november 2023 ontvangen op het tijdstip waarop dit bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem. Indien het Hof met dit oordeel heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat als een partij elektronisch procedeert een aan die partij geadresseerd bericht altijd door die partij wordt ontvangen op het tijdstip waarop dat bericht voor hem toegankelijk is geworden in het digitale systeem, getuigt dat oordeel, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.2 is overwogen, van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het Hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting, zoals hiervoor in 3.2.2 en 3.2.3 weergegeven, is zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Uit de uitspraak van het Hof blijkt immers niet dat belanghebbende een notificatiebericht heeft ontvangen of heeft afgezien van de ontvangst van notificatieberichten als bedoeld in artikel 8:36c, lid 4, Awb. De klachten slagen in zoverre.
3.4
De bestreden uitspraak kan daarom niet in stand blijven. De overige klachten behoeven geen behandeling. Verwijzing moet volgen.
4Proceskosten
Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5Nader feitenonderzoek door de Hoge Raad
5.1
Aangezien de uitspraak van het Hof is bekendgemaakt in 2024, moet voor de hoogte van de vergoeding van proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure acht worden geslagen op de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm, gelet op het bepaalde in artikel IV van die wet. Gelet op hetgeen de Hoge Raad in onderdeel 3 van zijn arrest van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46 (hierna: het arrest van 17 januari 2025), heeft overwogen, moet worden beoordeeld of het geval van belanghebbende met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van 17 januari 2025.
5.2
De Hoge Raad is in dit stadium van het geding niet in staat een beslissing te nemen over de hoogte van de vergoeding van kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand in deze cassatieprocedure. De stukken van het geding bieden namelijk onvoldoende aanknopingspunten om de hiervoor in 5.1 bedoelde beoordeling te maken.
5.3
Aangezien het arrest van 17 januari 2025 is gewezen nadat belanghebbende beroep in cassatie had ingesteld, hoefde belanghebbende niet bedacht te zijn op de in de rechtsoverwegingen 3.5.1 en 3.5.2 van dat arrest geformuleerde regels. Daarom zal de Hoge Raad, die hier als feitenrechter optreedt, alvorens een beslissing te nemen over de omvang van de vergoeding van de kosten van de cassatieprocedure, belanghebbende in de gelegenheid stellen om nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op dit punt op haar rustende bewijslast. Het College zal daarna in de gelegenheid worden gesteld daarop schriftelijk te reageren.
6Beslissing
De Hoge Raad houdt elke verdere beslissing aan totdat de hiervoor in 5.3 beschreven procedure is gevolgd.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 31 januari 2025.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 32.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 111.
Kamerstukken II 2014/15, 34 059, nr. 3, blz. 112.
Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.