Gerechtshof Amsterdam
ECLI:NL:GHAMS:2026:2572
2026-07-02
Bestuursrecht; Belastingrecht
25/847
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
WOZ 2022 woning. Verwijzing. Na gegrond verzet inhoudelijke behandeling. Terecht geen afnemend grensnut/wortelformule toegepast.
Citeert (7)
- ECLI:NL:HR:2025:158 Hoge Raad 31-01-2025
- ECLI:NL:HR:2025:463 Hoge Raad 28-03-2025
- ECLI:NL:GHAMS:2022:310 Gerechtshof Amsterdam 20-01-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1526 Hoge Raad 21-10-2022
- ECLI:NL:HR:2018:672 Hoge Raad 04-05-2018
- ECLI:NL:GHDHA:2023:914 Gerechtshof Den Haag 04-05-2023
- ECLI:NL:HR:2026:297 Hoge Raad 27-02-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (28.801 tekens)
GERECHTSHOF AMSTERDAM
kenmerk 25/847
2 juli 2026
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. A. Bakker)
tegen de uitspraak van 5 oktober 2023 in de zaak met kenmerk ROT 22/5795 van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 januari 2022 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat 1] 76 te [Z] (hierna ook: de woning) voor het kalenderjaar 2022 naar waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 264.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 1 december 2022 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
In de bestreden beslissing heeft de rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Bij uitspraak van 13 juni 2024 heeft Hof Den Haag het tegen de bestreden beslissing ingestelde hoger beroep met toepassing van artikel 8:54 in verbinding met artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak op verzet van 11 september 2024 heeft Hof Den Haag het daartegen gedane verzet ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op verzet beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij tussenarrest van 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:158, en eindarrest van 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:463 (hierna tezamen ook: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad het volgende beslist:
“De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest,
draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 182, oftewel € 91, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.”
1.6.
Partijen zijn door de griffier van het Hof bij brieven van 24 april 2025 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest in te dienen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt, de heffingsambtenaar bij brief van 21 mei 2025 en belanghebbende bij brief van 29 mei 2025.
1.7.
Bij uitspraak op verzet van 12 maart 2026 heeft dit Hof het volgende beslist:
“Het Hof:
verklaart het verzet gegrond,
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 47, en
stelt belanghebbende in de gelegenheid de gronden van het hoger beroep aan te vullen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak.”
1.8.
Bij brief van 9 april 2026 heeft belanghebbende een aanvullend hogerberoepschrift ingediend, welk stuk op 15 april 2026 naar de heffingsambtenaar is gezonden.
1.9.
Bij brief van 2 juni 2026 heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend.
1.10.
Bij brief van 5 juni 2026 heeft belanghebbende een reactie gezonden naar aanleiding van het verweerschrift van de heffingsambtenaar.
1.11.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning (een appartementsrecht). Het betreft een portiekwoning op de tweede etage, gebouwd in 1955. De gebruiksoppervlakte van de woning is ongeveer 65 m².
2.2.
De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase, naast het taxatieverslag, een matrix met VLOK-scores, toegezonden aan [bedrijf 1] , de toenmalige gemachtigde van belanghebbende.
2.3.
De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase een taxatierapport met een waardematrix en de onderbouwing van het indexeringspercentage overgelegd.
2.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep de onder 2.3 vermelde waardematrix met eigen aanpassingen en met verkoopinformatie van [bedrijf 2] overgelegd.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep een herziene matrix met VLOK-scores overgelegd (bijlage 1, verweerschrift in hoger beroep).
3Geschil in hoger beroep na verwijzing
In hoger beroep na verwijzing is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Voorts heeft belanghebbende een aantal procedurele en formeelrechtelijke grieven aangevoerd.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:
“1. In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2021. Eiser stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld, volgens hem bedraagt de waarde € 211.000,-. Verweerder is van mening dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
2. De onroerende zaak is een portiekwoning, met een gebruiksoppervlakte van 65 m². Het bouwjaar is 1955.
De op de zaak betrekking hebbende stukken
3. Eiser stelt dat verweerder de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten niet heeft onderbouwd. Volgens eiser moet verweerder de iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten overleggen.
3.1.
Verweerder voert aan dat eiser in bezwaar niet heeft gevraagd om de iWOZ-kaarten. Volgens verweerder heeft eiser op geen enkele wijze gemotiveerd dan wel aannemelijk gemaakt dat de kenmerken van de vergelijkingsobjecten onjuist zijn en daarom hoeft verweerder de iWOZ-kaarten niet te overleggen. Verweerder heeft ook toegelicht de iWOZ-kaarten niet te hebben gebruikt.
3.2.
Over de op de zaak betrekking hebbende stukken overweegt de rechtbank als volgt. iWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) samengestelde verzameling objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Die gegevens van de VNG behoren in beginsel niet tot de op zaak betrekking hebbende stukken en hoeven dus in principe niet verstrekt te worden (Gerechtshof Amsterdam 20 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:310 en Hoge Raad 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1526). Dat is slechts anders als verweerder in het kader van de waardebepaling of in bezwaar gebruik heeft gemaakt van deze informatie. In die situatie behoren de stukken tot de stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Niet is gebleken dat hiervan in deze zaak sprake is. Ook doet zich niet de situatie voor, dat eiser de door verweerder aangenomen kenmerken van het object gemotiveerd bestrijdt en verweerder daarom ter verificatie de iWOZ-gegevens moet raadplegen en inbrengen.
De bouwtekeningen
4. Eiser betwist de inhoud van de vergelijkingsobjecten en voert aan dat de bouwtekeningen op grond van artikel 8:42 Awb verstrekt dienen te worden.
4.1.
Verweerder voert aan dat eiser zijn stelling dat de inhoud van de vergelijkingsobjecten onjuist is, niet onderbouwd. Verweerder heeft toegelicht dat er niet wordt getaxeerd aan de hand van de inhoud, maar op basis van de oppervlakte. De oppervlakte is overgenomen uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De bouwtekeningen stonden verweerder niet ter beschikking en zijn ook niet gebruikt door verweerder. Volgens verweerder zijn de bouwtekeningen geen op de zaak betrekking hebbende stukken en verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672).
4.2.
Anders dan eiser meent, horen de bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Verweerder is daarom in beginsel niet verplicht om deze gegevens te verstrekken. Dit zou anders kunnen zijn als eiser aannemelijk maakt dat een of meer objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten onjuist zijn, hetwelk eiser in dit geval niet heeft gedaan (Gerechtshof Den Haag 4 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:914). Er is geen reden om te twijfelen aan de in de matrix weergegeven inhoudsmaten. De beroepsgrond slaagt niet.
Indexering
5. Eiser stelt dat verweerder de wijze van indexering van de verkoopcijfers niet inzichtelijk heeft gemaakt.
5.1.
Verweerder stelt dat eiser in bezwaar niet om de indexeringscijfers heeft gevraagd. Ten behoeve van de onderbouwing van de indexering heeft verweerder in zijn verweerschrift een bijlage bijgevoegd. Ter zitting heeft verweerder de tabel nader toegelicht. In de tabel zijn de objecten van hetzelfde type en uit dezelfde buurt als de onroerende zaak opgenomen, die zijn verkocht tussen oktober 2020 en maart 2021. De periode van drie maanden voor en na de waardepeildatum is gekozen, zodat de waarde van deze objecten niet hoeft te worden gecorrigeerd. De WOZ-waarde en de verkoopwaarde van deze objecten worden tegen elkaar afgezet en de uitkomst is een stijgingspercentage van 14,6%. Dit percentage is voor het gehele jaar bepalend.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft met de bijlage en de uitleg ter zitting de indexering voldoende toegelicht. Eiser heeft onvoldoende weersproken dat de gebruikte gegevens niet correct zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
De waardebepaling
6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaaldi-W op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
7. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Hiertoe legt hij een taxatierapport over van 17 juli 2023 opgemaakt door [naam] en de daarin opgenomen waardematrix (de matrix). In de matrix is de WOZ-waarde van de onroerende zaak op 1 januari 2021 getaxeerd op € 264.000,-. Deze waarde is tot stand gekomen door vergelijking met verkooptransacties van de woningen [straat 1] 98, [straat 2] 67c en [straat 3] 47a in [Z] . Verweerder heeft de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten geïndexeerd naar de waardepeildatum. De waarde van het hoofdgebouw is gedeeld door het aantal vierkante meters gebruiksoppervlakte om de prijs per vierkante meter van het vergelijkingsobject te bepalen.
Uit de matrix bij het taxatierapport volgt dat de m³-prijs van de onroerende zaak € 4.062,- bedraagt tegen een gemiddelde m³-prijs van afgerond € 4.525,- voor de vergelijkingsobjecten.
8. De in het taxatierapport vermelde vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en oppervlakte en onderhoudstoestand goed vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. Met de matrix maakt verweerder inzichtelijk hoe rekening is gehouden met de verschillen in onder meer onderhoud. Verweerder maakt hiermee aannemelijk dat bij de waardering in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak.
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten. De rechtbank overweegt dat verweerder met de matrix inzichtelijk maakt hoe met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak rekening is gehouden. Eiser heeft in zijn beroepsgronden verder geen specifieke onderbouwing gegevens voor zijn stelling dat verweerder onvoldoende rekening met de verschillen houdt.
10. Eiser stelt dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de ondergemiddelde staat van de onroerende zaak.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de staat van de onroerende zaak. Uit de matrix blijkt dat verweerder de voorzieningen en het onderhoud heeft beoordeeld met een ‘3’. Eiser heeft zijn stelling dat er sprake is van achterstallig onderhoud niet verder onderbouwd.
11. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder aannemelijk maakt dat de WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2021 niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank komt niet toe aan een verdere bespreking van de door eiser voorgestelde waarde.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
5Beoordeling van het geschil
Standpunten partijen
5.1.1. Belanghebbende wijst ten eerste op de door hem in hoger beroep ingebrachte matrix waarin hij concludeert tot een WOZ-waarde van € 243.000. Anders dan de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde, acht belanghebbende deze waarde tot stand gekomen met inachtneming van relevante secundaire objectkenmerken en een consistente rekenkundige methodiek.
5.1.2. Belanghebbende stelt dat door de heffingsambtenaar in diens matrix geen concrete en controleerbare correcties zijn opgenomen. Zo acht belanghebbende – anders dan de rechtbank – de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning niet inzichtelijk gemaakt omdat uit geen enkel stuk blijkt dat de verschillen in onderhoud, kwaliteit en voorzieningen zijn vertaald naar concrete waardecorrecties. Volgens belanghebbende is sprake van een niet-kwantificeerbare vergelijking; er is geen optelsom, geen rekenkundige correctie en geen systematische bewerking van gegevens.
5.1.3. Belanghebbende stelt dat wordt miskend dat de vergelijkingsobjecten een aantoonbaar goede tot bovengemiddelde kwaliteit hebben terwijl de woning in matige staat verkeert. De heffingsambtenaar heeft verzuimd de zogenoemde KOUDVL-factoren of VLOK-scores op juiste wijze toe te passen.
5.2.1. De heffingsambtenaar wijst erop dat de zogenoemde VLOK-scores in hoger beroep opnieuw zijn beoordeeld op basis van de iWOZ-kaarten, hetgeen heeft geleid tot een bijgestelde matrix. De bijstelling leidt echter niet tot een wijziging van de vastgestelde waarde. Voorts wijst de heffingsambtenaar op zijn reactie op de aanpassingen die belanghebbende op de in eerste aanleg door de heffingsambtenaar ingediende matrix heeft aangebracht, uitgaande van verkoopdocumentatie. Voor het object [straat 2] 67c komt de heffingsambtenaar na bijstelling uit op dezelfde VLOK-scores als belanghebbende. Ook voor [straat 3] 47A komt de heffingsambtenaar na bijstelling uit op dezelfde VLOK-scores, behalve voor het onderdeel ligging. Het vergelijkingsobject ligt aan een drukke straat, daarom is er – anders dan belanghebbende voorstaat – geen bijstelling naar een bovengemiddelde score. Ten aanzien van [straat 1] 98 gaat de heffingsambtenaar voor voorziening en onderhoud niet meer uit van een bovengemiddelde, maar van een gemiddelde score omdat dit object in eenzelfde staat verkeert als de woning.
5.2.2. Omdat voor de woning al een beduidend lagere m2-prijs is gehanteerd dan de gemiddelde m2-prijs van de vergelijkingsobjecten, leiden de bijstellingen van de VLOK-scores niet tot een vermindering van de waarde. De waarde van een objectdeel wijzigt volgens de heffingsambtenaar ook niet per se met een vaste, vooraf bepaalde factor wanneer een VLOK-score wordt bijgesteld. De gevolgen die bijstelling van deze scores voor de eindwaarde hebben, berusten bovendien op een subjectieve inschatting van de taxateur, die hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring. Het gaat ook om een inschatting van de waarde als geheel in vergelijking tot referenties; het is geen mathematische exercitie.
5.2.3. De wijze waarop belanghebbende de ‘wortelformule’ op de m2-prijs per vergelijkingsobject toepast is volgens de heffingsambtenaar onjuist omdat moet worden uitgegaan van de gemiddelde m2-prijs van de vergelijkingsobjecten. Daarnaast betwist de heffingsambtenaar of toepassing van dit instrument gerechtvaardigd is voor objecten met een omvang als de onderhavige.
5.2.4. Belanghebbende heeft, zo stelt de heffingsambtenaar, zijn stelling dat sprake is van achterstallig onderhoud niet onderbouwd. Overigens heeft belanghebbende geen waarderingsrapport overgelegd ter onderbouwing van de door hem gestelde waarde.
Oordeel Hof
5.3.1. Uit de door belanghebbende in hoger beroep ingebrachte matrix kan worden opgemaakt dat hij zich in hoger beroep conformeert aan de bruikbaarheid van de door heffingsambtenaar aangevoerde vergelijkingsobjecten. Ook overigens is uitgegaan van een vergelijkbare systematiek aangezien belanghebbende de matrix van de heffingsambtenaar tot uitgangspunt heeft genomen. Het Hof kan belanghebbende dan ook niet volgen waar hij stelt dat de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning niet inzichtelijk zijn gemaakt omdat uit geen enkel stuk zou blijken dat de verschillen in onderhoud, kwaliteit en voorzieningen zijn vertaald naar concrete waardecorrecties op basis van – in dit geval – de VLOK-scores. Dat dergelijke correcties zijn aangebracht volgt uit de matrix, alsmede uit de toelichting die de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift in hoger beroep daarover heeft gegeven. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar voldoende inzicht verschaft in de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten en de wijze waarop door hem de WOZ-waarde is bepaald. Voorts overweegt het Hof dat in het bijzonder de vergelijking met het object [straat 1] 98 voldoende onderbouwing biedt voor de vastgestelde waarde, ook als wordt uitgegaan van de in hoger beroep voor dat object aangepaste VLOK-scores.
5.3.2. Belanghebbende heeft in de door de heffingsambtenaar in beroep ingebrachte matrix een aantal wijzigingen aangebracht. Daarbij heeft belanghebbende verkoopinformatie gevoegd afkomstig van ‘ [bedrijf 2] ’. Het Hof volgt de door belanghebbende in de matrix van de heffingsambtenaar aangebrachte wijzigingen niet, aangezien daaraan geen – door een taxateur opgemaakt – waardering ten grondslag ligt.
5.3.3. Het Hof is het met de heffingsambtenaar eens dat, gegeven de grootte van de woning en de vergelijkingsobjecten, er geen aanleiding is om een afslag toe te passen wegens afnemend grensnut. Er is ook niet gesteld dat vanwege de indeling en omvang er in de woning ruimtes zijn die niet doelmatig gebruikt kunnen worden. Het Hof gaat daarom voorbij aan de stellingen van belanghebbende over toepassing van de zogenoemde wortelformule.
5.3.4. Voor zover belanghebbende zijn in eerste aanleg aangevoerde grieven inzake het niet in de bezwaarfase door de heffingsambtenaar overleggen van iWOZ-rapporten, bouwtekeningen, inzicht/uitleg inzake indexering en foto’s, ook in hoger beroep handhaaft, acht het Hof het oordeel daarover van de rechtbank juist, alsmede de gronden waarop het berust en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niets meer of anders gesteld dat zou kunnen leiden tot een ander oordeel. Het Hof acht in dat verband nog van belang het arrest HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, meer in bijzonder de volgende overweging:
“Het eerste middel voert met betrekking tot correcties wegens verschillend becijferde KOUDVL-factoren terecht aan dat voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet relevant is dat bij zulke correcties niet met vaste percentages hoeft te worden gewerkt. Zoals hiervoor in 5.4, 5.8 en 5.9 is overwogen, is voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet van belang of de gevraagde gegevens noodzakelijk of nuttig zijn voor de waardevaststelling, maar of zij daarvoor rechtstreeks door de heffingsambtenaar zijn gebruikt. Door als maatstaf te nemen of het hanteren van min of meer vaste aanpassingspercentages voor verschillend becijferde KOUDVL-factoren nuttig of noodzakelijk is, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel kan echter in zoverre niet tot cassatie leiden. De heffingsambtenaar heeft met betrekking tot de wijze van waardevaststelling in zijn gemeente onvoldoende weersproken gesteld (i) dat de waarde van een objectdeel niet met een vaste, vooraf bepaalde factor wijzigt wanneer een KOUDVL-factor wordt bijgesteld, en (ii) dat de gevolgen die correcties van deze factoren voor de eindwaarde hebben, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, welke inschatting hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring. Gelet op wat hiervoor in 5.16.3 en 5.16.12 is overwogen, moet daarom worden aangenomen dat die correcties geen gegevens zijn als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.”
Anders dan in de zaak die bij de Hoge Raad voorlag, heeft de heffingsambtenaar in de onderhavige zaak wel gesteld dat de gevolgen die correcties van de VLOK-scores voor de eindwaarde hebben, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, welke inschatting hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring, en dat de wijziging van een VLOK-score niet persé leidt tot wijziging van de eindwaarde. Het Hof voegt daaraan toe dat het de heffingsambtenaar vrij stond om de waardering bij te stellen indien hij op grond van foto’s vaststelt – zoals in het onderhavige geval – dat aan een vergelijkingsobject een andere dan aanvankelijk gehanteerde VLOK-score toekomt.
5.3.5. Evenals de heffingsambtenaar is ook belanghebbende vrij om aan de hand van foto’s zijn stellingen te onderbouwen. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank maakt het Hof evenwel op dat er evenals in beroep, in bezwaar geen foto’s van de woning zijn overgelegd door belanghebbende die zijn stelling dat de woning in een mindere staat verkeerde onderbouwen. Aangezien die foto’s ook in hoger beroep niet zijn ingebracht acht het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de woning in een zodanig mindere staat verkeerde ten opzichte van de vergelijkingsobjecten dat dit had moeten leiden tot andere VLOK-scores en dito vermindering van de WOZ-waarde.
Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Al hetgeen overigens nog door of namens belanghebbende is gesteld, maakt dit niet anders.
Slotsom
5.3.6. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep geen doel treft en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6Kosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, C.J. Hummel en E.A.G. van der Ouderaa, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 2 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op:
kenmerk 25/847
2 juli 2026
uitspraak van de vijfde meervoudige belastingkamer
op het hoger beroep - na verwijzing door de Hoge Raad der Nederlanden - van
[X]
, wonende te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. A. Bakker)
tegen de uitspraak van 5 oktober 2023 in de zaak met kenmerk ROT 22/5795 van de rechtbank Rotterdam (hierna: de rechtbank) in het geding tussen
belanghebbende
en
de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de heffingsambtenaar.
1Ontstaan en loop van het geding
1.1.
De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met dagtekening 31 januari 2022 op grond van artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde (hierna: de WOZ-waarde) van de onroerende zaak aan het adres [straat 1] 76 te [Z] (hierna ook: de woning) voor het kalenderjaar 2022 naar waardepeildatum 1 januari 2021 vastgesteld op € 264.000. In hetzelfde geschrift is de aanslag onroerendezaakbelasting 2022 bekendgemaakt.
1.2.
Bij uitspraak van 1 december 2022 heeft de heffingsambtenaar het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
1.3.
In de bestreden beslissing heeft de rechtbank het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard.
1.4.
Bij uitspraak van 13 juni 2024 heeft Hof Den Haag het tegen de bestreden beslissing ingestelde hoger beroep met toepassing van artikel 8:54 in verbinding met artikel 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) niet-ontvankelijk verklaard. Bij uitspraak op verzet van 11 september 2024 heeft Hof Den Haag het daartegen gedane verzet ongegrond verklaard.
1.5.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op verzet beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Bij tussenarrest van 31 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:158, en eindarrest van 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:463 (hierna tezamen ook: het verwijzingsarrest), heeft de Hoge Raad het volgende beslist:
“De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof,
verwijst het geding naar het Gerechtshof Amsterdam ter verdere behandeling van en beslissing op het verzet met inachtneming van dit arrest,
draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, en
veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op de helft van € 182, oftewel € 91, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.”
1.6.
Partijen zijn door de griffier van het Hof bij brieven van 24 april 2025 in de gelegenheid gesteld een schriftelijke reactie op het verwijzingsarrest in te dienen. Beide partijen hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt, de heffingsambtenaar bij brief van 21 mei 2025 en belanghebbende bij brief van 29 mei 2025.
1.7.
Bij uitspraak op verzet van 12 maart 2026 heeft dit Hof het volgende beslist:
“Het Hof:
verklaart het verzet gegrond,
veroordeelt de heffingsambtenaar in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van € 47, en
stelt belanghebbende in de gelegenheid de gronden van het hoger beroep aan te vullen binnen vier weken na de datum van verzending van deze uitspraak.”
1.8.
Bij brief van 9 april 2026 heeft belanghebbende een aanvullend hogerberoepschrift ingediend, welk stuk op 15 april 2026 naar de heffingsambtenaar is gezonden.
1.9.
Bij brief van 2 juni 2026 heeft de heffingsambtenaar een verweerschrift ingediend.
1.10.
Bij brief van 5 juni 2026 heeft belanghebbende een reactie gezonden naar aanleiding van het verweerschrift van de heffingsambtenaar.
1.11.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 juni 2026. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat met deze uitspraak wordt meegezonden.
2Feiten
2.1.
Belanghebbende is eigenaar van de woning (een appartementsrecht). Het betreft een portiekwoning op de tweede etage, gebouwd in 1955. De gebruiksoppervlakte van de woning is ongeveer 65 m².
2.2.
De heffingsambtenaar heeft in de bezwaarfase, naast het taxatieverslag, een matrix met VLOK-scores, toegezonden aan [bedrijf 1] , de toenmalige gemachtigde van belanghebbende.
2.3.
De heffingsambtenaar heeft in de beroepsfase een taxatierapport met een waardematrix en de onderbouwing van het indexeringspercentage overgelegd.
2.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep de onder 2.3 vermelde waardematrix met eigen aanpassingen en met verkoopinformatie van [bedrijf 2] overgelegd.
2.5.
De heffingsambtenaar heeft in hoger beroep een herziene matrix met VLOK-scores overgelegd (bijlage 1, verweerschrift in hoger beroep).
3Geschil in hoger beroep na verwijzing
In hoger beroep na verwijzing is, evenals in eerste aanleg, in geschil of de WOZ-waarde niet te hoog is vastgesteld. Voorts heeft belanghebbende een aantal procedurele en formeelrechtelijke grieven aangevoerd.
4Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft als volgt overwogen en beslist:
“1. In geschil is de waarde van de onroerende zaak op de waardepeildatum 1 januari 2021. Eiser stelt dat de waarde te hoog is vastgesteld, volgens hem bedraagt de waarde € 211.000,-. Verweerder is van mening dat hij de waarde niet te hoog heeft vastgesteld.
2. De onroerende zaak is een portiekwoning, met een gebruiksoppervlakte van 65 m². Het bouwjaar is 1955.
De op de zaak betrekking hebbende stukken
3. Eiser stelt dat verweerder de objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten niet heeft onderbouwd. Volgens eiser moet verweerder de iWOZ-kaarten van de vergelijkingsobjecten overleggen.
3.1.
Verweerder voert aan dat eiser in bezwaar niet heeft gevraagd om de iWOZ-kaarten. Volgens verweerder heeft eiser op geen enkele wijze gemotiveerd dan wel aannemelijk gemaakt dat de kenmerken van de vergelijkingsobjecten onjuist zijn en daarom hoeft verweerder de iWOZ-kaarten niet te overleggen. Verweerder heeft ook toegelicht de iWOZ-kaarten niet te hebben gebruikt.
3.2.
Over de op de zaak betrekking hebbende stukken overweegt de rechtbank als volgt. iWOZ is een door de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) samengestelde verzameling objectgegevens en foto’s van te koop aangeboden woningen in Nederland. Die gegevens van de VNG behoren in beginsel niet tot de op zaak betrekking hebbende stukken en hoeven dus in principe niet verstrekt te worden (Gerechtshof Amsterdam 20 januari 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:310 en Hoge Raad 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1526). Dat is slechts anders als verweerder in het kader van de waardebepaling of in bezwaar gebruik heeft gemaakt van deze informatie. In die situatie behoren de stukken tot de stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Niet is gebleken dat hiervan in deze zaak sprake is. Ook doet zich niet de situatie voor, dat eiser de door verweerder aangenomen kenmerken van het object gemotiveerd bestrijdt en verweerder daarom ter verificatie de iWOZ-gegevens moet raadplegen en inbrengen.
De bouwtekeningen
4. Eiser betwist de inhoud van de vergelijkingsobjecten en voert aan dat de bouwtekeningen op grond van artikel 8:42 Awb verstrekt dienen te worden.
4.1.
Verweerder voert aan dat eiser zijn stelling dat de inhoud van de vergelijkingsobjecten onjuist is, niet onderbouwd. Verweerder heeft toegelicht dat er niet wordt getaxeerd aan de hand van de inhoud, maar op basis van de oppervlakte. De oppervlakte is overgenomen uit de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG). De bouwtekeningen stonden verweerder niet ter beschikking en zijn ook niet gebruikt door verweerder. Volgens verweerder zijn de bouwtekeningen geen op de zaak betrekking hebbende stukken en verwijst daarbij naar het arrest van de Hoge Raad van 4 mei 2018 (ECLI:NL:HR:2018:672).
4.2.
Anders dan eiser meent, horen de bouwtekeningen van de vergelijkingsobjecten niet tot de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb. Verweerder is daarom in beginsel niet verplicht om deze gegevens te verstrekken. Dit zou anders kunnen zijn als eiser aannemelijk maakt dat een of meer objectkenmerken van de vergelijkingsobjecten onjuist zijn, hetwelk eiser in dit geval niet heeft gedaan (Gerechtshof Den Haag 4 mei 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:914). Er is geen reden om te twijfelen aan de in de matrix weergegeven inhoudsmaten. De beroepsgrond slaagt niet.
Indexering
5. Eiser stelt dat verweerder de wijze van indexering van de verkoopcijfers niet inzichtelijk heeft gemaakt.
5.1.
Verweerder stelt dat eiser in bezwaar niet om de indexeringscijfers heeft gevraagd. Ten behoeve van de onderbouwing van de indexering heeft verweerder in zijn verweerschrift een bijlage bijgevoegd. Ter zitting heeft verweerder de tabel nader toegelicht. In de tabel zijn de objecten van hetzelfde type en uit dezelfde buurt als de onroerende zaak opgenomen, die zijn verkocht tussen oktober 2020 en maart 2021. De periode van drie maanden voor en na de waardepeildatum is gekozen, zodat de waarde van deze objecten niet hoeft te worden gecorrigeerd. De WOZ-waarde en de verkoopwaarde van deze objecten worden tegen elkaar afgezet en de uitkomst is een stijgingspercentage van 14,6%. Dit percentage is voor het gehele jaar bepalend.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Verweerder heeft met de bijlage en de uitleg ter zitting de indexering voldoende toegelicht. Eiser heeft onvoldoende weersproken dat de gebruikte gegevens niet correct zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
De waardebepaling
6. Op grond van artikel 17, tweede lid, van de Wet WOZ wordt de waarde van de onroerende zaak bepaaldi-W op de waarde die eraan moet worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom ervan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen.
7. Verweerder moet aannemelijk maken dat hij de waarde van de onroerende zaak niet te hoog heeft vastgesteld. Hiertoe legt hij een taxatierapport over van 17 juli 2023 opgemaakt door [naam] en de daarin opgenomen waardematrix (de matrix). In de matrix is de WOZ-waarde van de onroerende zaak op 1 januari 2021 getaxeerd op € 264.000,-. Deze waarde is tot stand gekomen door vergelijking met verkooptransacties van de woningen [straat 1] 98, [straat 2] 67c en [straat 3] 47a in [Z] . Verweerder heeft de verkoopcijfers van de vergelijkingsobjecten geïndexeerd naar de waardepeildatum. De waarde van het hoofdgebouw is gedeeld door het aantal vierkante meters gebruiksoppervlakte om de prijs per vierkante meter van het vergelijkingsobject te bepalen.
Uit de matrix bij het taxatierapport volgt dat de m³-prijs van de onroerende zaak € 4.062,- bedraagt tegen een gemiddelde m³-prijs van afgerond € 4.525,- voor de vergelijkingsobjecten.
8. De in het taxatierapport vermelde vergelijkingsobjecten zijn bruikbaar bij de waardering, omdat deze op de belangrijkste waardebepalende kenmerken, zoals ligging, type en oppervlakte en onderhoudstoestand goed vergelijkbaar zijn met de onroerende zaak. Met de matrix maakt verweerder inzichtelijk hoe rekening is gehouden met de verschillen in onder meer onderhoud. Verweerder maakt hiermee aannemelijk dat bij de waardering in voldoende mate rekening is gehouden met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak.
9. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de verschillen tussen de onroerende zaak en de vergelijkingsobjecten. De rechtbank overweegt dat verweerder met de matrix inzichtelijk maakt hoe met de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de onroerende zaak rekening is gehouden. Eiser heeft in zijn beroepsgronden verder geen specifieke onderbouwing gegevens voor zijn stelling dat verweerder onvoldoende rekening met de verschillen houdt.
10. Eiser stelt dat verweerder geen rekening heeft gehouden met de ondergemiddelde staat van de onroerende zaak.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende rekening heeft gehouden met de staat van de onroerende zaak. Uit de matrix blijkt dat verweerder de voorzieningen en het onderhoud heeft beoordeeld met een ‘3’. Eiser heeft zijn stelling dat er sprake is van achterstallig onderhoud niet verder onderbouwd.
11. Gelet op het bovenstaande komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder aannemelijk maakt dat de WOZ-waarde per waardepeildatum 1 januari 2021 niet te hoog is vastgesteld. De rechtbank komt niet toe aan een verdere bespreking van de door eiser voorgestelde waarde.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.”
5Beoordeling van het geschil
Standpunten partijen
5.1.1. Belanghebbende wijst ten eerste op de door hem in hoger beroep ingebrachte matrix waarin hij concludeert tot een WOZ-waarde van € 243.000. Anders dan de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde, acht belanghebbende deze waarde tot stand gekomen met inachtneming van relevante secundaire objectkenmerken en een consistente rekenkundige methodiek.
5.1.2. Belanghebbende stelt dat door de heffingsambtenaar in diens matrix geen concrete en controleerbare correcties zijn opgenomen. Zo acht belanghebbende – anders dan de rechtbank – de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning niet inzichtelijk gemaakt omdat uit geen enkel stuk blijkt dat de verschillen in onderhoud, kwaliteit en voorzieningen zijn vertaald naar concrete waardecorrecties. Volgens belanghebbende is sprake van een niet-kwantificeerbare vergelijking; er is geen optelsom, geen rekenkundige correctie en geen systematische bewerking van gegevens.
5.1.3. Belanghebbende stelt dat wordt miskend dat de vergelijkingsobjecten een aantoonbaar goede tot bovengemiddelde kwaliteit hebben terwijl de woning in matige staat verkeert. De heffingsambtenaar heeft verzuimd de zogenoemde KOUDVL-factoren of VLOK-scores op juiste wijze toe te passen.
5.2.1. De heffingsambtenaar wijst erop dat de zogenoemde VLOK-scores in hoger beroep opnieuw zijn beoordeeld op basis van de iWOZ-kaarten, hetgeen heeft geleid tot een bijgestelde matrix. De bijstelling leidt echter niet tot een wijziging van de vastgestelde waarde. Voorts wijst de heffingsambtenaar op zijn reactie op de aanpassingen die belanghebbende op de in eerste aanleg door de heffingsambtenaar ingediende matrix heeft aangebracht, uitgaande van verkoopdocumentatie. Voor het object [straat 2] 67c komt de heffingsambtenaar na bijstelling uit op dezelfde VLOK-scores als belanghebbende. Ook voor [straat 3] 47A komt de heffingsambtenaar na bijstelling uit op dezelfde VLOK-scores, behalve voor het onderdeel ligging. Het vergelijkingsobject ligt aan een drukke straat, daarom is er – anders dan belanghebbende voorstaat – geen bijstelling naar een bovengemiddelde score. Ten aanzien van [straat 1] 98 gaat de heffingsambtenaar voor voorziening en onderhoud niet meer uit van een bovengemiddelde, maar van een gemiddelde score omdat dit object in eenzelfde staat verkeert als de woning.
5.2.2. Omdat voor de woning al een beduidend lagere m2-prijs is gehanteerd dan de gemiddelde m2-prijs van de vergelijkingsobjecten, leiden de bijstellingen van de VLOK-scores niet tot een vermindering van de waarde. De waarde van een objectdeel wijzigt volgens de heffingsambtenaar ook niet per se met een vaste, vooraf bepaalde factor wanneer een VLOK-score wordt bijgesteld. De gevolgen die bijstelling van deze scores voor de eindwaarde hebben, berusten bovendien op een subjectieve inschatting van de taxateur, die hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring. Het gaat ook om een inschatting van de waarde als geheel in vergelijking tot referenties; het is geen mathematische exercitie.
5.2.3. De wijze waarop belanghebbende de ‘wortelformule’ op de m2-prijs per vergelijkingsobject toepast is volgens de heffingsambtenaar onjuist omdat moet worden uitgegaan van de gemiddelde m2-prijs van de vergelijkingsobjecten. Daarnaast betwist de heffingsambtenaar of toepassing van dit instrument gerechtvaardigd is voor objecten met een omvang als de onderhavige.
5.2.4. Belanghebbende heeft, zo stelt de heffingsambtenaar, zijn stelling dat sprake is van achterstallig onderhoud niet onderbouwd. Overigens heeft belanghebbende geen waarderingsrapport overgelegd ter onderbouwing van de door hem gestelde waarde.
Oordeel Hof
5.3.1. Uit de door belanghebbende in hoger beroep ingebrachte matrix kan worden opgemaakt dat hij zich in hoger beroep conformeert aan de bruikbaarheid van de door heffingsambtenaar aangevoerde vergelijkingsobjecten. Ook overigens is uitgegaan van een vergelijkbare systematiek aangezien belanghebbende de matrix van de heffingsambtenaar tot uitgangspunt heeft genomen. Het Hof kan belanghebbende dan ook niet volgen waar hij stelt dat de verschillen tussen de vergelijkingsobjecten en de woning niet inzichtelijk zijn gemaakt omdat uit geen enkel stuk zou blijken dat de verschillen in onderhoud, kwaliteit en voorzieningen zijn vertaald naar concrete waardecorrecties op basis van – in dit geval – de VLOK-scores. Dat dergelijke correcties zijn aangebracht volgt uit de matrix, alsmede uit de toelichting die de heffingsambtenaar in zijn verweerschrift in hoger beroep daarover heeft gegeven. Naar het oordeel van het Hof heeft de heffingsambtenaar voldoende inzicht verschaft in de verschillen tussen de woning en de vergelijkingsobjecten en de wijze waarop door hem de WOZ-waarde is bepaald. Voorts overweegt het Hof dat in het bijzonder de vergelijking met het object [straat 1] 98 voldoende onderbouwing biedt voor de vastgestelde waarde, ook als wordt uitgegaan van de in hoger beroep voor dat object aangepaste VLOK-scores.
5.3.2. Belanghebbende heeft in de door de heffingsambtenaar in beroep ingebrachte matrix een aantal wijzigingen aangebracht. Daarbij heeft belanghebbende verkoopinformatie gevoegd afkomstig van ‘ [bedrijf 2] ’. Het Hof volgt de door belanghebbende in de matrix van de heffingsambtenaar aangebrachte wijzigingen niet, aangezien daaraan geen – door een taxateur opgemaakt – waardering ten grondslag ligt.
5.3.3. Het Hof is het met de heffingsambtenaar eens dat, gegeven de grootte van de woning en de vergelijkingsobjecten, er geen aanleiding is om een afslag toe te passen wegens afnemend grensnut. Er is ook niet gesteld dat vanwege de indeling en omvang er in de woning ruimtes zijn die niet doelmatig gebruikt kunnen worden. Het Hof gaat daarom voorbij aan de stellingen van belanghebbende over toepassing van de zogenoemde wortelformule.
5.3.4. Voor zover belanghebbende zijn in eerste aanleg aangevoerde grieven inzake het niet in de bezwaarfase door de heffingsambtenaar overleggen van iWOZ-rapporten, bouwtekeningen, inzicht/uitleg inzake indexering en foto’s, ook in hoger beroep handhaaft, acht het Hof het oordeel daarover van de rechtbank juist, alsmede de gronden waarop het berust en maakt deze tot de zijne. In hoger beroep is niets meer of anders gesteld dat zou kunnen leiden tot een ander oordeel. Het Hof acht in dat verband nog van belang het arrest HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, meer in bijzonder de volgende overweging:
“Het eerste middel voert met betrekking tot correcties wegens verschillend becijferde KOUDVL-factoren terecht aan dat voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet relevant is dat bij zulke correcties niet met vaste percentages hoeft te worden gewerkt. Zoals hiervoor in 5.4, 5.8 en 5.9 is overwogen, is voor de toepassing van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet van belang of de gevraagde gegevens noodzakelijk of nuttig zijn voor de waardevaststelling, maar of zij daarvoor rechtstreeks door de heffingsambtenaar zijn gebruikt. Door als maatstaf te nemen of het hanteren van min of meer vaste aanpassingspercentages voor verschillend becijferde KOUDVL-factoren nuttig of noodzakelijk is, heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting. Het middel kan echter in zoverre niet tot cassatie leiden. De heffingsambtenaar heeft met betrekking tot de wijze van waardevaststelling in zijn gemeente onvoldoende weersproken gesteld (i) dat de waarde van een objectdeel niet met een vaste, vooraf bepaalde factor wijzigt wanneer een KOUDVL-factor wordt bijgesteld, en (ii) dat de gevolgen die correcties van deze factoren voor de eindwaarde hebben, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, welke inschatting hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring. Gelet op wat hiervoor in 5.16.3 en 5.16.12 is overwogen, moet daarom worden aangenomen dat die correcties geen gegevens zijn als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ.”
Anders dan in de zaak die bij de Hoge Raad voorlag, heeft de heffingsambtenaar in de onderhavige zaak wel gesteld dat de gevolgen die correcties van de VLOK-scores voor de eindwaarde hebben, berusten op een subjectieve inschatting van de taxateur, welke inschatting hij maakt op grond van zijn kennis en ervaring, en dat de wijziging van een VLOK-score niet persé leidt tot wijziging van de eindwaarde. Het Hof voegt daaraan toe dat het de heffingsambtenaar vrij stond om de waardering bij te stellen indien hij op grond van foto’s vaststelt – zoals in het onderhavige geval – dat aan een vergelijkingsobject een andere dan aanvankelijk gehanteerde VLOK-score toekomt.
5.3.5. Evenals de heffingsambtenaar is ook belanghebbende vrij om aan de hand van foto’s zijn stellingen te onderbouwen. Uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank maakt het Hof evenwel op dat er evenals in beroep, in bezwaar geen foto’s van de woning zijn overgelegd door belanghebbende die zijn stelling dat de woning in een mindere staat verkeerde onderbouwen. Aangezien die foto’s ook in hoger beroep niet zijn ingebracht acht het Hof niet aannemelijk gemaakt dat de woning in een zodanig mindere staat verkeerde ten opzichte van de vergelijkingsobjecten dat dit had moeten leiden tot andere VLOK-scores en dito vermindering van de WOZ-waarde.
Het voorgaande leidt het Hof tot de conclusie dat de heffingsambtenaar aannemelijk heeft gemaakt dat de WOZ-waarde van de woning niet te hoog heeft vastgesteld. Al hetgeen overigens nog door of namens belanghebbende is gesteld, maakt dit niet anders.
Slotsom
5.3.6. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat het hoger beroep geen doel treft en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.
6Kosten
Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met artikel 8:108 van die wet.
7Beslissing
Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
De uitspraak is gedaan door mrs. R.C.H.M. Lips, voorzitter, C.J. Hummel en E.A.G. van der Ouderaa, leden van de belastingkamer, in tegenwoordigheid van mr. I.A. Kranenburg als griffier. De beslissing is op 2 juli 2026 in het openbaar uitgesproken.
De griffier is verhinderd de
uitspraak te ondertekenen
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag. Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - ( alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de dagtekening;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Toelichting rechtsmiddelverwijzing
Per 15 april 2020 is digitaal procederen bij de Hoge Raad opengesteld. Niet-natuurlijke personen (daaronder begrepen publiekrechtelijke lichamen) en professionele gemachtigden zijn verplicht digitaal te procederen. Wie niet verplicht is om digitaal te procederen, kan op vrijwillige basis digitaal procederen. Hieronder leest u hoe een cassatieberoepschrift wordt ingediend.
Digitaal procederen
Het webportaal van de Hoge Raad is toegankelijk via “Login Mijn Zaak Hoge Raad” op www.hogeraad.nl. Informatie over de inlogmiddelen vindt u op www.hogeraad.nl.
Niet in Nederland wonende of gevestigde partijen of professionele gemachtigden hebben in beginsel geen geschikt inlogmiddel en kunnen daarom niet inloggen in het webportaal. Zij kunnen zo lang zij niet over een geschikt inlogmiddel kunnen beschikken, per post procederen.
Per post procederen
Alleen bepaalde personen mogen beroep in cassatie instellen per post in plaats van via het webportaal. Zij mogen dit bovendien alleen als zij zonder een professionele gemachtigde procederen. Het gaat om natuurlijke personen die geen ondernemer zijn en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Een professionele gemachtigde moet altijd digitaal procederen, ongeacht voor wie de gemachtigde optreedt. Degene die op papier mag procederen en dat ook wil, kan het beroepschrift in cassatie sturen aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Een afschrift van deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert, is een afschrift aangetekend per post verzonden op: