Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2024:594

2024-04-16 Strafrecht 23/00360
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2024-04-16
Publicatiedatum
2024-04-12
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
23/00360
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | SR-Updates.nl 2024-0084 | RvdW 2024/492

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Seksueel misbruik van 9-jarige/11-jarige kleindochter van partner van verdachte, meermalen gepleegd (art. 244 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht handelingen van verdachte wat betreft daarvoor redengevend gebruik van relaas van verbalisant en uitdrukkelijk onderbouwde standpunten m.b.t. bewijsmotivering. 2. Duur van proeftijd, art. 14b.2 (oud) en 14c.1 Sr. Kon hof de duur van proeftijd bepalen op 3 jaren? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Relaas van verbalisant, waaruit niet z.m. zou blijken welke beschuldigingen de verdachte zou hebben erkend, is in het licht van overige bewijsmiddelen wel degelijk redengevend voor bewijs. Als relaas zou worden weggedacht, is er bovendien nog meer dan voldoende steunbewijs voor verklaring van aangeefster. Bewezenverklaring is daarom naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed. Hof heeft aangevoerde kennelijk en niet onbegrijpelijk niet opgevat als uitdrukkelijk onderbouwde standpunten a.b.i. art. 359.2 Sv, zodat hof niet gehouden was tot nadere motivering. Ad. 2. Hof heeft in strijd met art. 14b (oud) Sr aan algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan strafbaar feit, proeftijd verbonden van 3 jaren. HR herstelt deze misslag en merkt op dat kennelijke misslag als onderhavige zich bij uitstek leent voor herstel door hof zelf (vgl. HR:2010:BJ7243 en HR:2012:BW1478). HR doet zaak zelf af door duur van proeftijd te verminderen in die zin dat is voldaan aan destijds wettelijk bepaald maximum van 2 jaren.

Citeert (2)

Geciteerd door (2)

Volledige tekst

Volledige tekst (5.125 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 23/00360

Datum 16 april 2024




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 27 januari 2023, nummer 21-004902-21, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1951,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal E.J. Hofstee heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend ten aanzien van de vastgestelde proeftijd van drie jaren, tot bepaling van de proeftijd op twee jaren en tot verwerping van het cassatieberoep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd en dat het hof in strijd met artikel 359 lid 2, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van twee door de verdediging naar voren gebrachte uitdrukkelijk onderbouwde standpunten.


2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 12.




3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof in strijd met artikel 14b (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) de duur van de proeftijd heeft bepaald op drie jaren.


3.2

Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor het “met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaren handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd”. Het dictum van de uitspraak van het hof houdt onder meer in:
“BESLISSING
Het hof:
(...)
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot 1 (één) jaar, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.”.



3.3

De volgende wettelijke bepalingen zijn van belang.
- Artikel 14b lid 2 (oud) Sr:
“De proeftijd bedraagt in de gevallen bedoeld in artikel 14c, eerste lid, en tweede lid, onder 3° en 4°, ten hoogste twee jaren en in de overige gevallen ten hoogste drie jaren.”
- Artikel 14c lid 1 Sr:
“Toepassing van artikel 14a geschiedt onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.”



3.4
Het hof heeft aan de algemene voorwaarde dat de verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit, een proeftijd verbonden van drie jaren. De duur van deze proeftijd is in strijd met artikel 14b (oud) Sr zoals deze bepaling luidde ten tijde van het bewezenverklaarde. Het cassatiemiddel klaagt daarover terecht.


3.5
De Hoge Raad zal deze misslag herstellen en de zaak zelf afdoen door de duur van de proeftijd te verminderen in die zin dat is voldaan aan het destijds wettelijk bepaalde maximum van twee jaren.


3.6
Opmerking verdient nog dat een kennelijke misslag als deze zich bij uitstek leent voor herstel door het hof zelf. Het gaat immers om een onmiddellijk kenbare fout die zich voor eenvoudig herstel leent door de rechters die op de zaak hebben gezeten overeenkomstig de beslissingen van de Hoge Raad in de arresten van 6 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BJ7243 en 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW1478. Deze wijze van herstel verdient de voorkeur, omdat daardoor op korte termijn en op een eenvoudige wijze ondubbelzinnig duidelijkheid komt te bestaan over de voor tenuitvoerlegging vatbare beslissing. Wanneer in zo’n geval zekerheidshalve – naast het doen van het verzoek om een herstelarrest – ook cassatieberoep is ingesteld, kan dat beroep of het betreffende cassatiemiddel worden ingetrokken zodra het herstelarrest is gewezen.




4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de vastgestelde proeftijd van drie jaren;
- bepaalt de proeftijd op twee jaren;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2024.