Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2012:BW1478
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2012:BW1478 → ECLI:NL:PHR:2012:BW1478
Inhoudsindicatie
Wijzen van een "herstelbeslissing". Het Hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden waarvan 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Vier weken later maakt het Hof een "herstelbeslissing" inhoudende dat de verdachte bij het eerdere arrest is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 10 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. HR herhaalt relevante overweging uit HR LJN BJ7243. De HR voegt hieraan toe dat het gaat om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de richtige executie van de uitspraak. Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding in strafzaken de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich over een voorgenomen verbetering uit te laten. Een herstelbeslissing dient te worden gewezen door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten (vgl. HR LJN BT8778). De griffier dient er zorg voor te dragen dat de herstelbeslissing wordt aangetekend op dan wel wordt gehecht aan het origineel van de uitspraak en per gewone brief ter kennis van de procespartijen wordt gebracht. Tegen de verbetering (of de weigering daarvan) staat geen rechtsmiddel open. Een herstelbeslissing (of de weigering daarvan) heeft evenmin invloed op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel in de strafzaak. I.c. vernietigt de HR de bestreden uitspraak van het Hof ambtshalve nu het Hof met zijn "herstelbeslissing" ernstige twijfel heeft doen ontstaan omtrent de opgelegde vrijheidsstraf.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (104)
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:837 Parket bij de Hoge Raad 01-09-2026
- ECLI:NL:HR:2026:491 Hoge Raad 31-03-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:233 Parket bij de Hoge Raad 10-03-2026
- ECLI:NL:HR:2026:77 Hoge Raad 20-01-2026
- ECLI:NL:PHR:2026:5 Parket bij de Hoge Raad 06-01-2026
- ECLI:NL:HR:2025:1931 Hoge Raad 16-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1215 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1215 Parket bij de Hoge Raad 14-11-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4705 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:4705 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-07-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:662 Parket bij de Hoge Raad 13-05-2025
- ECLI:NL:HR:2025:628 Hoge Raad 22-04-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1411 Hoge Raad 22-10-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:1094 Parket bij de Hoge Raad 22-10-2024
- ECLI:NL:HR:2024:859 Hoge Raad 18-06-2024
- ECLI:NL:HR:2024:594 Hoge Raad 16-04-2024
- ECLI:NL:HR:2024:1 Hoge Raad 09-01-2024
- ECLI:NL:PHR:2023:1236 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:1232 Parket bij de Hoge Raad 19-12-2023
- ECLI:NL:HR:2023:1657 Hoge Raad 28-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:961 Parket bij de Hoge Raad 07-11-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:892 Parket bij de Hoge Raad 10-10-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:892 Parket bij de Hoge Raad 10-10-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2023:2344 Gerechtshof Den Haag 06-07-2023
- ECLI:NL:HR:2023:937 Hoge Raad 20-06-2023
- ECLI:NL:HR:2023:850 Hoge Raad 06-06-2023
- ECLI:NL:PHR:2023:355 Parket bij de Hoge Raad 11-04-2023
- ECLI:NL:PHR:2022:1164 Parket bij de Hoge Raad 13-12-2022
- ECLI:NL:HR:2022:1315 Hoge Raad 27-09-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:573 Parket bij de Hoge Raad 28-06-2022
- ECLI:NL:HR:2022:858 Hoge Raad 10-06-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:330 Parket bij de Hoge Raad 05-04-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:383 Parket bij de Hoge Raad 08-03-2022
- ECLI:NL:PHR:2022:160 Parket bij de Hoge Raad 18-02-2022
- ECLI:NL:HR:2022:10 Hoge Raad 08-02-2022
- ECLI:NL:HR:2021:1552 Hoge Raad 02-11-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:693 Parket bij de Hoge Raad 06-07-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:693 Parket bij de Hoge Raad 06-07-2021
- ECLI:NL:HR:2021:989 Hoge Raad 29-06-2021
- ECLI:NL:HR:2021:932 Hoge Raad 15-06-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:409 Parket bij de Hoge Raad 20-04-2021
- ECLI:NL:PHR:2021:409 Parket bij de Hoge Raad 20-04-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:976 Gerechtshof Den Haag 05-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:976 Gerechtshof Den Haag 05-03-2021
- ECLI:NL:GHDHA:2021:341 Gerechtshof Den Haag 26-01-2021
- ECLI:NL:PHR:2020:1146 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2020
- ECLI:NL:PHR:2020:729 Parket bij de Hoge Raad 25-08-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1216 Hoge Raad 07-07-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1217 Hoge Raad 07-07-2020
- ECLI:NL:HR:2020:1216 Hoge Raad 07-07-2020
- ECLI:NL:HR:2020:937 Hoge Raad 02-06-2020
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.554 tekens)
Strafkamer
nr. S 10/02620
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 2 juni 2010, nummer 22/006112-07, in de strafzaak tegen:
[Verdachte 3], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. H.W.F. Klarenaar, advocaat te Dordrecht, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Knigge heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak wat betreft de opgelegde gevangenisstraf, tot oplegging van de straf die is vermeld in de herstelbeslissing van het Hof, en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Omvang van het cassatieberoep
2.1. Het Hof heeft bij arrest van 2 juni 2010 in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 8 november 2007 - de verdachte ter zake van "deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven" en "medeplegen van een beroep of gewoonte maken van het kopen van goederen met het oogmerk om zonder volledige betaling zich of een ander de beschikking over die goederen te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf van 22 maanden, waarvan tien maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. Voorts heeft het Hof omtrent de vordering van de benadeelde partijen en de daarmee samenhangende betalingsverplichting overwogen en beslist als in het bestreden arrest is vermeld.
Blijkens de daarvan opgemaakte akte heeft de verdachte op 16 juni 2010 beroep in cassatie ingesteld tegen dit arrest.
Bij de op de voet van art. 434 Sv aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een bijna vier weken na zijn arrest gewezen zogenoemde "herstelbeslissing" van het Hof van 29 juni 2010 inhoudende - zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang - dat de verdachte ter zake van voormelde feiten bij het arrest van 2 juni 2010 is veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien maanden, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
2.2. Tegen deze "herstelbeslissing" is het cassatieberoep niet gericht.
2.3. Opmerking verdient nog het volgende.
Blijkens HR 6 juli 2010, LJN BJ7243, NJ 2012/248 is het de feitenrechter in strafzaken toegestaan een zogenoemde herstelbeslissing te geven indien de oorspronkelijk gewezen beslissing, kort gezegd, een onmiddellijk kenbare fout bevat. Het is gebleken dat de uitoefening van deze bevoegdheid in de praktijk tot enkele vragen aanleiding heeft gegeven. Daarom voegt de Hoge Raad het volgende toe aan zijn eerdere arrest.
Het gaat hier om een zelfstandige, niet in de wet verankerde en beperkte mogelijkheid voor de feitenrechter om een in zijn uitspraak voorkomende kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent te verbeteren. Dat brengt mee dat de feitenrechter slechts in evidente gevallen gebruik kan maken van de bevoegdheid het dictum te verbeteren, mede met het oog op de richtige executie van de uitspraak.
Er is gelet op het voorgaande geen aanleiding in strafzaken de procespartijen in de gelegenheid te stellen zich over een voorgenomen verbetering uit te laten.
Een herstelbeslissing dient te worden gewezen door de rechter(s) die op de zaak heeft/hebben gezeten (vgl. HR 10 januari 2012, LJN BT8778, NJ 2012/249). De griffier dient er zorg voor te dragen dat de herstelbeslissing wordt aangetekend op dan wel wordt gehecht aan het origineel van de uitspraak en per gewone brief ter kennis van de procespartijen wordt gebracht.
Tegen de verbetering (of de weigering daarvan) staat geen rechtsmiddel open. Een herstelbeslissing (of de weigering daarvan) heeft evenmin invloed op de termijn voor het instellen van een rechtsmiddel in de strafzaak.
3. Beoordeling van de middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
Met zijn hiervoor onder 2.1 vermelde "herstelbeslissing" heeft het Hof ernstige twijfel doen ontstaan omtrent de opgelegde vrijheidsstraf. Daarin vindt de Hoge Raad aanleiding de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging te vernietigen.
5. Slotsom
Nu de middelen niet tot cassatie kunnen leiden terwijl de Hoge Raad geen andere dan de hiervoor onder 4 vermelde grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, brengt hetgeen hiervoor is overwogen mee dat als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
vernietigt de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging;
wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage, opdat de zaak in zoverre op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan;
verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu, W.F. Groos, Y. Buruma en J. Wortel, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 12 juni 2012.