Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:45
2024-01-23
Strafrecht
22/02737
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:45 → ECLI:NL:GHSHE:2022:2398
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:45 → ECLI:NL:PHR:2023:1087
Inhoudsindicatie
Medeplegen moord (art. 289 Sr) en medeplegen voorhanden hebben vuurwapen van categorie III en munitie, meermalen gepleegd (art. 26.1 WWM). Had hof moeten beslissen op opmerking van raadsman dat “de redelijke termijn is overschreden” en dat verdachte nog steeds vastzit? Hof heeft wat raadsman heeft aangevoerd kennelijk niet opgevat als verweer waarop uitdrukkelijk beslissing moet worden gegeven. Dat oordeel getuigt niet van onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu raadsman alleen heeft gesteld dat sprake is van schending van redelijke termijn en dat verdachte nog is gedetineerd, maar niet heeft aangevoerd op welke gronden redelijke termijn a.b.i. art. 6 EVRM zou zijn overschreden. Volgt verwerping. CAG: anders.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (17)
- ECLI:NL:PHR:2026:853 Parket bij de Hoge Raad 22-09-2026
- ECLI:NL:PHR:2025:1321 Parket bij de Hoge Raad 02-12-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:1140 Parket bij de Hoge Raad 04-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:910 Parket bij de Hoge Raad 04-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:910 Parket bij de Hoge Raad 04-11-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:879 Parket bij de Hoge Raad 26-08-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:610 Parket bij de Hoge Raad 27-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:809 Parket bij de Hoge Raad 13-05-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:463 Parket bij de Hoge Raad 22-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:464 Parket bij de Hoge Raad 22-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2024:1383 Parket bij de Hoge Raad 17-12-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:816 Parket bij de Hoge Raad 17-09-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:833 Parket bij de Hoge Raad 27-08-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:337 Parket bij de Hoge Raad 26-03-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:253 Parket bij de Hoge Raad 05-03-2024
- ECLI:NL:HR:2024:168 Hoge Raad 13-02-2024
- ECLI:NL:PHR:2024:101 Parket bij de Hoge Raad 30-01-2024
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.868 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 22/02737
Datum 23 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 juli 2022, nummer 20-001014-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep dat namens de verdachte is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
3.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2022 heeft de raadsman van de verdachte daar het volgende aangevoerd:
“Ten aanzien van de strafmaat: De redelijke termijn is overschreden. Mijn cliënt zit nog steeds vast.”
3.3
Het hof heeft wat de raadsman heeft aangevoerd kennelijk niet opgevat als een verweer waarop uitdrukkelijk een beslissing moet worden gegeven. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu de raadsman alleen heeft gesteld dat sprake is van een schending van de redelijke termijn en dat de verdachte nog is gedetineerd, maar niet heeft aangevoerd op welke gronden de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zou zijn overschreden.
3.4
Het cassatiemiddel faalt.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig jaren.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negentien jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2024.
STRAFKAMER
Nummer 22/02737
Datum 23 januari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 14 juli 2022, nummer 20-001014-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en S. van den Akker, beiden advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste, het tweede en het vierde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het derde cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep dat namens de verdachte is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
3.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2022 heeft de raadsman van de verdachte daar het volgende aangevoerd:
“Ten aanzien van de strafmaat: De redelijke termijn is overschreden. Mijn cliënt zit nog steeds vast.”
3.3
Het hof heeft wat de raadsman heeft aangevoerd kennelijk niet opgevat als een verweer waarop uitdrukkelijk een beslissing moet worden gegeven. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu de raadsman alleen heeft gesteld dat sprake is van een schending van de redelijke termijn en dat de verdachte nog is gedetineerd, maar niet heeft aangevoerd op welke gronden de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zou zijn overschreden.
3.4
Het cassatiemiddel faalt.
4Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twintig jaren.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze negentien jaren en tien maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 januari 2024.