Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:1820
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:1820 → ECLI:NL:GHSHE:2023:753
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1820 → ECLI:NL:PHR:2024:1194
Inhoudsindicatie
Liquidatie in Brunssum en Heerlen in 2015 door op nazomeravond met gestolen auto achtervolging in te zetten en personenauto van dichtbij veelvuldig met vuurwapens te beschieten, als gevolg waarvan bijrijder is overleden en bestuurder gewond is geraakt, waarna verdachte en medeverdachte vluchten naar België, vluchtauto in brand steken en hun weg vervolgen in ander voertuig. Medeplegen (poging tot) moord (art. 289 Sr) en medeplegen opzetheling (art. 416.1.a Sr). 1. Bewijsklachten voorbedachte raad. Redengevendheid voor bewijs van TCI-informatie, brandstichting na schietincident en gebruik van gestolen auto. 2. Bewijsklacht medeplegen opzetheling auto. Wist verdachte t.t.v. verwerven of voorhanden krijgen van voertuig dat auto van misdrijf afkomstig was? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/00830.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.917 tekens)
STRAFKAMER
Nummer 23/00910
Datum 10 december 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 2 maart 2023, nummer 20-000370-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.
1Procesverloop in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat in Maastricht, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 27 jaren.
4Beslissing
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze 26 jaren en 7 maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 december 2024.