Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2024:1367
2024-10-04
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
23/02777
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2024:1367 → ECLI:NL:GHDHA:2023:1364
- conclusie ECLI:NL:HR:2024:1367 → ECLI:NL:PHR:2024:366
Inhoudsindicatie
Procesrecht. Onderbewindstelling (art. 1:431 BW) van goederen procespartij tijdens procedure. Schorsing geding in cassatie op voet van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv. Herstelarrest: ECLI:NL:HR:2024:1431
Citeert (4)
- ECLI:NL:GHDHA:2023:1364 Gerechtshof Den Haag 18-04-2023
- ECLI:NL:GHDHA:2024:34 Gerechtshof Den Haag 09-01-2024
- ECLI:NL:HR:2020:751 Hoge Raad 17-04-2020
- ECLI:NL:HR:2020:751 Hoge Raad 17-04-2020
Geciteerd door (9)
- ECLI:NL:HR:2026:1224 Hoge Raad 10-07-2026
- ECLI:NL:HR:2025:979 Hoge Raad 20-06-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:408 Parket bij de Hoge Raad 04-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:408 Parket bij de Hoge Raad 04-04-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:285 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:285 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2025
- ECLI:NL:PHR:2025:285 Parket bij de Hoge Raad 07-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:585 Rechtbank Den Haag 22-01-2025
- ECLI:NL:HR:2024:1431 Hoge Raad 11-10-2024
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.591 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02777
Datum 4 oktober 2024
ARREST IN HET INCIDENT
In de zaak van
1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [eiser 1] ,
2. [eiseres 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [eiseres 2] ,
EISERS tot cassatie, verweerders in het incident,
hierna gezamenlijk: [eisers] ,
advocaat: C.S.G. Janssens,
tegen
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incident,
hierna gezamenlijk: [verweerders] ,
advocaat: J.H.M. van Swaaij.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/540113 / HA ZA 17-1134 van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018, 23 januari 2019, 22 mei 2019 en 10 maart 2021;
b. de arresten in de zaak 200.296.300/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2023 en 9 januari 2024.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 18 april 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
[eisers] hebben op de voet van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv de schorsing van het geding ingeroepen op de grond dat de goederen die aan [eisers] (zullen) toebehoren onder bewind zijn gesteld. [verweerders] hebben een verweerschrift in het incident ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot het bepalen van een termijn waarbinnen [eisers] de bewindvoerder oproepen om in het geding te verschijnen.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
[eisers] hebben in 2017 een woning verkocht en geleverd aan [verweerders] Na de levering hebben [verweerders] diverse gebreken geconstateerd in de woning.
2.2
In deze procedure vorderen [verweerders] een verklaring voor recht dat [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor herstel(kosten) van de gebreken en voor de (gevolg)schade van [verweerders] , nader op te maken bij staat, en betaling van een voorschot op de toe te kennen schadevergoeding van € 60.000,--.
2.3
De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een aantal gebreken (hierna: het tussenvonnis).
2.4
[eisers] hebben tussentijds hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen. Het hof heeft het tussenvonnis vernietigd voor zover daarin is geoordeeld dat [eisers] aansprakelijk zijn voor gebreken in de fundering van de serre, de raamkozijnen, de meterkast en de gevelvlakken en houtskeletstructuren, heeft de bestreden tussenvonnissen voor het overige bekrachtigd en heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Het hof heeft tussentijds cassatieberoep opengesteld.
2.5
De kantonrechter in de rechtbank Limburg heeft bij beschikkingen van 18 oktober 2023 de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiser 1] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand (art. 1:431 lid 1, aanhef en onder a, BW) en de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiseres 2] onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden (art. 1:431 lid 1, aanhef en onder b, BW).
3Beoordeling van de schorsing van het geding
3.1
[eisers] hebben de schorsing van het geding in cassatie ingeroepen op de grond dat als gevolg van de hiervoor in 2.5 genoemde onderbewindstelling sprake is van een verandering van de persoonlijke staat van een partij, als bedoeld in art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv.
3.2
Art. 1:441 lid 1 BW bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende (degene wiens goederen onder bewind zijn gesteld) in en buiten rechte vertegenwoordigt. Of de rechthebbende in een procedure bevoegd is zelf als formele procespartij op te treden, hangt dus ervan af of het voeren van de desbetreffende procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort.
Tot de taak van de bewindvoerder behoren blijkens art. 1:441 lid 1 BW alle handelingen die aan een goed bewind bijdragen. Hieronder zijn begrepen handelingen die kunnen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende.
3.3
Wanneer gedurende een procedure een bewind wordt ingesteld over een of meer goederen van een procespartij en het voeren van die procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort, is sprake van een verandering van de persoonlijke staat van die partij, als bedoeld in art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv. Zowel de bewindvoerder als de partij over wier goederen het bewind is ingesteld, kan deze grond voor schorsing van het geding inroepen.
3.4
In de onderhavige procedure strekken de vorderingen van [verweerders] ertoe dat [eisers] worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding (zie hiervoor in 2.2), terwijl een bewind is ingesteld over alle goederen die aan [eisers] (zullen) toebehoren (zie hiervoor in 2.5). Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, behoort het voeren van deze procedure tot de taak van de bewindvoerder.
3.5
Uit hetgeen hiervoor in 3.2-3.4 is overgewogen volgt dat de door [eisers] ingeroepen schorsingsgrond van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv zich voordoet. De Hoge Raad zal daarom verstaan dat het geding is geschorst.
4Beslissing
De Hoge Raad verstaat dat het geding is geschorst.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 4 oktober 2024.
Gerechtshof Den Haag 18 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1364.
Gerechtshof Den Haag 9 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:34.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, rov. 3.1.2.
Vgl. HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, rov. 3.1.3; Kamerstukken II 2011/12, 33054, nr. 3, p. 13 en 34-35.
CIVIELE KAMER
Nummer 23/02777
Datum 4 oktober 2024
ARREST IN HET INCIDENT
In de zaak van
1. [eiser 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [eiser 1] ,
2. [eiseres 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
hierna: [eiseres 2] ,
EISERS tot cassatie, verweerders in het incident,
hierna gezamenlijk: [eisers] ,
advocaat: C.S.G. Janssens,
tegen
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie, eisers in het incident,
hierna gezamenlijk: [verweerders] ,
advocaat: J.H.M. van Swaaij.
1Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/10/540113 / HA ZA 17-1134 van de rechtbank Rotterdam van 5 december 2018, 23 januari 2019, 22 mei 2019 en 10 maart 2021;
b. de arresten in de zaak 200.296.300/01 van het gerechtshof Den Haag van 18 april 2023 en 9 januari 2024.
[eisers] hebben tegen het arrest van het hof van 18 april 2023 beroep in cassatie ingesteld.
[verweerders] hebben incidenteel beroep in cassatie ingesteld.
[eisers] hebben op de voet van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv de schorsing van het geding ingeroepen op de grond dat de goederen die aan [eisers] (zullen) toebehoren onder bewind zijn gesteld. [verweerders] hebben een verweerschrift in het incident ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot het bepalen van een termijn waarbinnen [eisers] de bewindvoerder oproepen om in het geding te verschijnen.
2Uitgangspunten en feiten
2.1
[eisers] hebben in 2017 een woning verkocht en geleverd aan [verweerders] Na de levering hebben [verweerders] diverse gebreken geconstateerd in de woning.
2.2
In deze procedure vorderen [verweerders] een verklaring voor recht dat [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor herstel(kosten) van de gebreken en voor de (gevolg)schade van [verweerders] , nader op te maken bij staat, en betaling van een voorschot op de toe te kennen schadevergoeding van € 60.000,--.
2.3
De rechtbank heeft bij tussenvonnis geoordeeld dat [eisers] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor een aantal gebreken (hierna: het tussenvonnis).
2.4
[eisers] hebben tussentijds hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis en de daaraan voorafgegane tussenvonnissen. Het hof heeft het tussenvonnis vernietigd voor zover daarin is geoordeeld dat [eisers] aansprakelijk zijn voor gebreken in de fundering van de serre, de raamkozijnen, de meterkast en de gevelvlakken en houtskeletstructuren, heeft de bestreden tussenvonnissen voor het overige bekrachtigd en heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank. Het hof heeft tussentijds cassatieberoep opengesteld.
2.5
De kantonrechter in de rechtbank Limburg heeft bij beschikkingen van 18 oktober 2023 de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiser 1] onder bewind gesteld wegens zijn lichamelijke of geestelijke toestand (art. 1:431 lid 1, aanhef en onder a, BW) en de goederen die (zullen) toebehoren aan [eiseres 2] onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden (art. 1:431 lid 1, aanhef en onder b, BW).
3Beoordeling van de schorsing van het geding
3.1
[eisers] hebben de schorsing van het geding in cassatie ingeroepen op de grond dat als gevolg van de hiervoor in 2.5 genoemde onderbewindstelling sprake is van een verandering van de persoonlijke staat van een partij, als bedoeld in art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv.
3.2
Art. 1:441 lid 1 BW bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende (degene wiens goederen onder bewind zijn gesteld) in en buiten rechte vertegenwoordigt. Of de rechthebbende in een procedure bevoegd is zelf als formele procespartij op te treden, hangt dus ervan af of het voeren van de desbetreffende procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort.
Tot de taak van de bewindvoerder behoren blijkens art. 1:441 lid 1 BW alle handelingen die aan een goed bewind bijdragen. Hieronder zijn begrepen handelingen die kunnen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende.
3.3
Wanneer gedurende een procedure een bewind wordt ingesteld over een of meer goederen van een procespartij en het voeren van die procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort, is sprake van een verandering van de persoonlijke staat van die partij, als bedoeld in art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv. Zowel de bewindvoerder als de partij over wier goederen het bewind is ingesteld, kan deze grond voor schorsing van het geding inroepen.
3.4
In de onderhavige procedure strekken de vorderingen van [verweerders] ertoe dat [eisers] worden veroordeeld tot betaling van schadevergoeding (zie hiervoor in 2.2), terwijl een bewind is ingesteld over alle goederen die aan [eisers] (zullen) toebehoren (zie hiervoor in 2.5). Gelet op hetgeen hiervoor in 3.2 is overwogen, behoort het voeren van deze procedure tot de taak van de bewindvoerder.
3.5
Uit hetgeen hiervoor in 3.2-3.4 is overgewogen volgt dat de door [eisers] ingeroepen schorsingsgrond van art. 225 lid 1, aanhef en onder b, Rv zich voordoet. De Hoge Raad zal daarom verstaan dat het geding is geschorst.
4Beslissing
De Hoge Raad verstaat dat het geding is geschorst.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren F.J.P. Lock, als voorzitter, A.E.B. ter Heide, F.R. Salomons, G.C. Makkink en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A.E.B. ter Heide op 4 oktober 2024.
Gerechtshof Den Haag 18 april 2023, ECLI:NL:GHDHA:2023:1364.
Gerechtshof Den Haag 9 januari 2024, ECLI:NL:GHDHA:2024:34.
HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, rov. 3.1.2.
Vgl. HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, rov. 3.1.3; Kamerstukken II 2011/12, 33054, nr. 3, p. 13 en 34-35.