Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2023:498

2023-04-04 Strafrecht 18/02441
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2023-04-04
Publicatiedatum
2023-03-30
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
18/02441
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2023/458

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Drugslab in woning. Aanwezig hebben van cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en voorbereidingshandelingen m.b.t. bewerken van cocaïne (art. 10a.1.3 jo. 10.4 jo. 2.B Opiumwet) door bewoner/huurder van woning. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklachten, alternatief scenario en wetenschap van bewoner/huurder van woning. HR: Feitenrechter beslist wat hij van beschikbaar bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Deze beslissingen over selectie en waardering van bewijsmateriaal hoeven niet te worden gemotiveerd, behalve in bijzondere gevallen. Bij beoordeling van beschikbaar bewijsmateriaal kan feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer onderlinge samenhang van bewijsmateriaal en mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan HR onderzoeken of conclusies van feitelijke aard, die feitenrechter heeft getrokken uit feiten en omstandigheden die in bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. Om redenen vermeld in CAG faalt middel. CAG: Hof heeft alternatief scenario (familielid van verdachte heeft goederen na vertrek van verdachte uit woning binnen woning gebracht) wegens ongeloofwaardigheid verworpen. Dit betekent dat in ’s hofs overwegingen besloten liggende uitgangspunt (iemand die bewoner/huurder is van woning weet wat zich daarin afspeelt en maakt zich reeds daarom schuldig maakt aan opzettelijk aanwezig hebben van de in woning aangetroffen cocaïne, stoffen en voorwerpen) kan worden gevolgd. Daarmee ligt in ‘s hofs bewijsconstructie besloten dat verdachte degene was die goederen en voorwerpen aanwezig/voorhanden heeft gehad. Volgt verwerping.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (54)

Volledige tekst

Volledige tekst (3.451 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 18/02441

Datum 4 april 2023




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 24 april 2018, nummer 23/002907-15, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat de duur van de opgelegde straf betreft, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde niet uit de bewijsvoering kan worden afgeleid.


2.2
Bij de beoordeling van het cassatiemiddel moet het volgende worden vooropgesteld. De rechter die over de feiten oordeelt, beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. De feitenrechter hoeft deze beslissingen over de selectie en waardering van het bewijsmateriaal niet te motiveren, behalve in bijzondere gevallen. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. In cassatie kan de Hoge Raad onderzoeken of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn.


2.3
Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 4 tot en met 11.




3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk.




4Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze acht maanden en twee weken, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.



Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren J.C.A.M. Claassens en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2023.