Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2023:1769

2023-12-19 Strafrecht 22/02536
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2023-12-19
Publicatiedatum
2023-12-15
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedure
Cassatie
Zaaknummer
22/02536
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | RvdW 2024/91

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag door met mes in arm/schouder van ander te steken (art. 287 Sr) en bedreiging (art. 285.1 Sr). Vrijspraak in eerste aanleg. 1. Bewijsklacht poging tot doodslag en bedreiging. Betrouwbaarheid van herkenning van verdachte door getuigen (zus, neef en nichtje van verdachte) op videobeelden. 2. Bewijsklacht poging tot doodslag t.a.v. opzet. Heeft verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat aangeefster zou komen te overlijden? 3. Redelijke termijn in cassatie. Verkorte termijn of reguliere termijn toepassen m.b.t. inzendtermijn en uitspraaktermijn, nu hof in zijn arrest de gevangenneming van verdachte heeft bevolen? Ad 1. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: ’s Hofs oordeel dat verklaringen van getuigen betrouwbaar zijn, waarin besloten ligt dat deze niet lijken te zijn beïnvloed door voorinformatie, is begrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Gelet hierop is ‘s hofs oordeel om getuigenverklaringen voor bewijs te gebruiken, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 2. HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft uit letselonderzoek kunnen afleiden dat letsel neerwaarts is toegebracht en dat verdachte dus bovenhands heeft gestoken, terwijl stekende beweging altijd een versnelling behelst. Gezien de uit bewijsmiddelen naar voren komende dynamische situatie (versneld op aangeefster aflopen, schoppen en vervolgens steken, terwijl aangeefster over straat loopt), heeft hof kunnen oordelen dat verdachte heeft ingestoken op bewegend persoon en dat er dus aanmerkelijke kans bestond dat vitale organen in romp op fatale wijze zouden worden geraakt. Gelet hierop is ‘s hofs oordeel dat verdachte voorwaardelijk opzet had op dood van aangeefster, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Ad 3. HR gaat m.b.t. inzendtermijn uit van 8-maandentermijn, nu verdachte zich t.t.v. instellen van cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis bevond. M.b.t. uitspraaktermijn gaat HR uit van 16-maandentermijn, nu verdachte zich t.t.v. aanzegging a.b.i. art. 435 Sv o.g.v. de door hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis bevond. Volgt verwerping. CAG gaat zowel t.a.v. inzendtermijn als t.a.v. uitspraaktermijn uit van verkorte termijnen.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (7)

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.736 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



STRAFKAMER






Nummer 22/02536

Datum 19 december 2023




ARREST




op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 2022, nummer 20-002248-20, in de strafzaak



tegen




[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
hierna: de verdachte.





1Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft S.F.W. van ‘t Hullenaar, advocaat te Arnhem, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.




2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt over het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van bepaalde getuigen die de verdachte hebben herkend.


2.2
Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 tot en met 2.3 en onder 3.3 tot en met 3.11.




3Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de bewezenverklaring onder 1 ten aanzien van het opzet ontoereikend is gemotiveerd.


3.2

Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 tot en met 2.3 en onder 4.5 tot en met 4.9.

4. Beoordeling van het derde cassatiemiddel en ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof




4.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.


4.2
De verdachte bevond zich ten tijde van het instellen van het cassatieberoep niet in voorlopige hechtenis. Omdat op de dag van inzending van de stukken nog geen acht maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep, is het cassatiemiddel tevergeefs voorgesteld.


4.3
Ten tijde van de aanzegging door de Hoge Raad als bedoeld in artikel 435 van het Wetboek van Strafvordering bevond de verdachte zich op grond van de door het hof bevolen gevangenneming wel in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zes jaren.




5Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze vijf jaren en elf maanden beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.




Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2023.