Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2023:175
2023-02-10
Bestuursrecht; Belastingrecht
21/00197
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- cassatie ECLI:NL:HR:2023:175 → ECLI:NL:GHARL:2020:10518
Inhoudsindicatie
art. 81 RO
Citeert (2)
- ECLI:NL:GHARL:2020:10518 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 15-12-2020
- ECLI:NL:HR:2008:BD0191 Hoge Raad 19-12-2008
Geciteerd door (49)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7939 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6382 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 13-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1239 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1233 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1237 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:1234 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:330 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:269 Rechtbank Gelderland 14-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:9086 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:7242 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6966 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6387 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:5643 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 21-08-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:3831 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-06-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2909 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2910 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2907 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1824 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:1526 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17-03-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:850 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 03-02-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2024:8418 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-12-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:7023 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-10-2024
- ECLI:NL:GHSHE:2024:3010 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 25-09-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:5116 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-07-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4497 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4449 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 28-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:4115 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-06-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3599 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3535 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:3138 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 15-05-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:2638 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-04-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1183 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 22-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:1010 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:612 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:574 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:614 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 01-02-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:449 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2024:180 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16-01-2024
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7247 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:7116 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:19834 Rechtbank Den Haag 05-10-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5328 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5329 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5215 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:5107 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 20-07-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:4418 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 23-06-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:3881 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 05-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6901 Rechtbank Den Haag 11-05-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1363 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 02-03-2023
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (4.216 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00197
Datum 10 februari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2020, nrs. 19/01706 tot en met 19/01709, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/219 tot en met AWB 19/222) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de periode 1 maart 2008 tot en met 31 december 2008 en over de kalenderjaren 2009 tot en met 2011, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 20 januari 2020. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn.
3.2
Wat betreft de naheffingsaanslagen en de beschikkingen inzake belastingrente leidt dit niet tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, omdat belanghebbende daarom niet heeft verzocht.
3.3
Wat betreft de boetebeschikkingen geldt het volgende. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt minder dan zes maanden.Voor de boetebeschikking met betrekking tot de periode 1 maart tot en met 31 december 2008 ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden. Omdat de boete minder beloopt dan € 1.000 is met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM, de verdragsschending voldoende gecompenseerd. De boeten met betrekking tot de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 belopen elk meer dan € 1.000. De Hoge Raad ziet om die reden aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden en zal elk van die boeten zoals vastgesteld door de Rechtbank, verminderen met 5 procent tot € 2.394 (voor het jaar 2009), € 2.134 (voor het jaar 2010) respectievelijk € 1.225 (voor het jaar 2011).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, die van de Rechtbank en die van de Inspecteur, maar uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boeten met betrekking tot de jaren 2009, 2010 en 2011, en
- vermindert de boete voor het jaar 2009 tot € 2.394, voor het jaar 2010 tot € 2.134 en voor het jaar 2011 tot € 1.225.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en E.F. Faase in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2023.
ECLI:NL:GHARL:2020:10518.
Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.
BELASTINGKAMER
Nummer 21/00197
Datum 10 februari 2023
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 december 2020, nrs. 19/01706 tot en met 19/01709, op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/219 tot en met AWB 19/222) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting over de periode 1 maart 2008 tot en met 31 december 2008 en over de kalenderjaren 2009 tot en met 2011, de daarbij gegeven boetebeschikkingen en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffingsrente.
1Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).
3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure
3.1
In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 20 januari 2020. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn.
3.2
Wat betreft de naheffingsaanslagen en de beschikkingen inzake belastingrente leidt dit niet tot toekenning van een vergoeding voor immateriële schade, omdat belanghebbende daarom niet heeft verzocht.
3.3
Wat betreft de boetebeschikkingen geldt het volgende. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt minder dan zes maanden.Voor de boetebeschikking met betrekking tot de periode 1 maart tot en met 31 december 2008 ziet de Hoge Raad geen aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden. Omdat de boete minder beloopt dan € 1.000 is met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 EVRM, de verdragsschending voldoende gecompenseerd. De boeten met betrekking tot de kalenderjaren 2009, 2010 en 2011 belopen elk meer dan € 1.000. De Hoge Raad ziet om die reden aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase gevolgen te verbinden en zal elk van die boeten zoals vastgesteld door de Rechtbank, verminderen met 5 procent tot € 2.394 (voor het jaar 2009), € 2.134 (voor het jaar 2010) respectievelijk € 1.225 (voor het jaar 2011).
4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
5Beslissing
De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, die van de Rechtbank en die van de Inspecteur, maar uitsluitend voor zover deze betrekking hebben op de boeten met betrekking tot de jaren 2009, 2010 en 2011, en
- vermindert de boete voor het jaar 2009 tot € 2.394, voor het jaar 2010 tot € 2.134 en voor het jaar 2011 tot € 1.225.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en E.F. Faase in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2023.
ECLI:NL:GHARL:2020:10518.
Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.