Hoge Raad
ECLI:NL:HR:2008:BD0191
2008-12-19
Bestuursrecht; Belastingrecht
42763
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Formele procesketen
- conclusie ECLI:NL:HR:2008:BD0191 → ECLI:NL:PHR:2008:BD0191
Inhoudsindicatie
Aanpassing algemene uitgangspunten en regels voor gevallen waarin een fiscale bestuurlijke boete in het geding is en de berechting in de cassatieprocedure niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (193)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8787 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-09-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:11955 Rechtbank Noord-Holland 03-09-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:11956 Rechtbank Noord-Holland 02-09-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:3722 Rechtbank Noord-Nederland 27-08-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:7179 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-08-2026
- ECLI:NL:GHDHA:2026:2432 Gerechtshof Den Haag 16-07-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:5159 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14517 Rechtbank Den Haag 09-06-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4935 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 04-06-2026
- ECLI:NL:RBNNE:2026:2337 Rechtbank Noord-Nederland 02-06-2026
- ECLI:NL:HR:2026:743 Hoge Raad 01-05-2026
- ECLI:NL:HR:2026:728 Hoge Raad 24-04-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2026:2749 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 09-04-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:1691 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 24-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6043 Rechtbank Den Haag 20-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6043 Rechtbank Den Haag 20-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5316 Rechtbank Den Haag 12-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2067 Rechtbank Noord-Holland 02-03-2026
- ECLI:NL:RBNHO:2026:2064 Rechtbank Noord-Holland 02-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9210 Rechtbank Den Haag 17-02-2026
- ECLI:NL:RBMNE:2026:434 Rechtbank Midden-Nederland 13-02-2026
- ECLI:NL:GHSHE:2026:328 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 11-02-2026
- ECLI:NL:GHARL:2026:700 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 03-02-2026
- ECLI:NL:RBGEL:2026:269 Rechtbank Gelderland 14-01-2026
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8777 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-12-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:8778 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 10-12-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1727 Hoge Raad 21-11-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:3034 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 05-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:20703 Rechtbank Den Haag 29-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24540 Rechtbank Den Haag 07-10-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6404 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:18832 Rechtbank Den Haag 12-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6060 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-09-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:6059 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 11-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14408 Rechtbank Den Haag 01-08-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1062 Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1063 Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1167 Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:HR:2025:1173 Hoge Raad 18-07-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:5933 Rechtbank Amsterdam 17-07-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:5934 Rechtbank Amsterdam 17-07-2025
- ECLI:NL:RBMNE:2025:3610 Rechtbank Midden-Nederland 17-07-2025
- ECLI:NL:RBAMS:2025:5932 Rechtbank Amsterdam 17-07-2025
- ECLI:NL:RBLIM:2025:5831 Rechtbank Limburg 19-06-2025
- ECLI:NL:HR:2025:879 Hoge Raad 06-06-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3855 Rechtbank Gelderland 20-05-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:3855 Rechtbank Gelderland 20-05-2025
- ECLI:NL:RBZWB:2025:2628 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1167 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 23-04-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:1081 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 16-04-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:4002 Rechtbank Rotterdam 26-03-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:3994 Rechtbank Rotterdam 26-03-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:3997 Rechtbank Rotterdam 26-03-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:4009 Rechtbank Rotterdam 26-03-2025
- ECLI:NL:GHSHE:2025:836 Gerechtshof 's-Hertogenbosch 26-03-2025
- ECLI:NL:RBROT:2025:1437 Rechtbank Rotterdam 06-02-2025
- ECLI:NL:RBGEL:2025:208 Rechtbank Gelderland 16-01-2025
- ECLI:NL:RBNNE:2025:83 Rechtbank Noord-Nederland 09-01-2025
- ECLI:NL:GHARL:2024:7802 Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 17-12-2024
- ECLI:NL:RVS:2024:4284 Raad van State 23-10-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (4.785 tekens)
Nr. 42.763
19 december 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X Holding B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 november 2005, nr. BK-04/02942, betreffende een aan belanghebbende opgelegde boete.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 1 april 2008 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van de uitspraak van het Hof en vermindering van de boete.
3. Beoordeling van de klacht
De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling ambtshalve van de duur van de procedure in cassatie
4.1. Ten aanzien van de gevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak samengevat en aangepast in zijn arrest van 17 juni 2008, nr. S 01946/07, NJ 2008, 358. Ook zijn rechtspraak in belastingzaken verdient enige aanpassing, namelijk voor gevallen waarin een fiscale bestuurlijke boete in het geding is en de berechting in de cassatieprocedure niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. In afwijking van onderdeel 4.12 van zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, BNB 2005/337, zal de Hoge Raad bij het bieden van compensatie voor de hieruit voortvloeiende schending van artikel 6 van het EVRM voortaan de hierna onder 4.2 te vermelden uitgangspunten hanteren:
4.2. Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter
4.2.1. De Hoge Raad oordeelt in volle omvang over de eventuele overschrijding van de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop ná de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld.
4.2.2. De vermindering van de boete is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.
4.2.3. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd:
1. met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder;
2. met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden;
een en ander met dien verstande dat:
- de omvang van de vermindering in deze gevallen niet meer bedraagt dan € 2500, en
- geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan € 1000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM.
4.2.4. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van zaken handelen.
4.3. In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 22 november 2005. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden, evenwel met zo weinig meer dan twaalf maanden dat de Hoge Raad geen aanleiding vindt de boete met meer dan 10% te verminderen.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur, en
vermindert de boete tot € 19.774.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2008.
19 december 2008
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X Holding B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 8 november 2005, nr. BK-04/02942, betreffende een aan belanghebbende opgelegde boete.
1. Het geding in feitelijke instantie
Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 een naheffingsaanslag in de loonbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd, alsmede een boete. De boetebeschikking is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Het Hof heeft het tegen die uitspraak ingestelde beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 1 april 2008 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie, vernietiging van de uitspraak van het Hof en vermindering van de boete.
3. Beoordeling van de klacht
De klacht kan niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klacht niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling ambtshalve van de duur van de procedure in cassatie
4.1. Ten aanzien van de gevolgen van een overschrijding van de redelijke termijn in strafzaken heeft de Hoge Raad zijn rechtspraak samengevat en aangepast in zijn arrest van 17 juni 2008, nr. S 01946/07, NJ 2008, 358. Ook zijn rechtspraak in belastingzaken verdient enige aanpassing, namelijk voor gevallen waarin een fiscale bestuurlijke boete in het geding is en de berechting in de cassatieprocedure niet binnen een redelijke termijn heeft plaatsgevonden. In afwijking van onderdeel 4.12 van zijn arrest van 22 april 2005, nr. 37984, BNB 2005/337, zal de Hoge Raad bij het bieden van compensatie voor de hieruit voortvloeiende schending van artikel 6 van het EVRM voortaan de hierna onder 4.2 te vermelden uitgangspunten hanteren:
4.2. Toetsing door de Hoge Raad als feitenrechter
4.2.1. De Hoge Raad oordeelt in volle omvang over de eventuele overschrijding van de redelijke termijn (mede) als gevolg van het tijdsverloop ná de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld.
4.2.2. De vermindering van de boete is afhankelijk van de mate waarin de redelijke termijn is overschreden.
4.2.3. In de gevallen waarin de redelijke termijn met niet meer dan twaalf maanden is overschreden wordt de boete verminderd:
1. met 5% bij een overschrijding van de redelijke termijn met zes maanden of minder;
2. met 10% bij een overschrijding van de redelijke termijn met meer dan zes maanden doch niet meer dan twaalf maanden;
een en ander met dien verstande dat:
- de omvang van de vermindering in deze gevallen niet meer bedraagt dan € 2500, en
- geen vermindering wordt toegepast indien het gaat om een boete die minder beloopt dan € 1000. De Hoge Raad zal in een dergelijk geval volstaan met het oordeel dat de geconstateerde verdragsschending voldoende is gecompenseerd met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6, lid 1, van het EVRM.
4.2.4. In de gevallen waarin de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden is overschreden zal de Hoge Raad naar bevind van zaken handelen.
4.3. In deze zaak is beroep in cassatie ingesteld op 22 november 2005. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met meer dan twaalf maanden, evenwel met zo weinig meer dan twaalf maanden dat de Hoge Raad geen aanleiding vindt de boete met meer dan 10% te verminderen.
5. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof en die van de Inspecteur, en
vermindert de boete tot € 19.774.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C. Schaap, J.W.M. Tijnagel en A.H.T. Heisterkamp, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 19 december 2008.