Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Hoge Raad

ECLI:NL:HR:2026:743

2026-05-01 Bestuursrecht; Belastingrecht 24/00571
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Hoge Raad
Uitspraakdatum
2026-05-01
Publicatiedatum
2026-05-01
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure
Artikel 81 RO-zaken
Zaaknummer
24/00571
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl | NLF 2026/0881 | Viditax (FutD) 2026050109 | FutD 2026-0769 | V-N Vandaag 2026/896 | V-N 2026/23.20.44

Formele procesketen

Inhoudsindicatie

HR: 81.1 RO.

Citeert (3)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (3.866 tekens)
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN



BELASTINGKAMER




Nummer 24/00571

Datum 1 mei 2026



ARREST



in de zaak van



de fiscale eenheid [X] (hierna: belanghebbende)



tegen



de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN



op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 9 januari 2024, nrs. BK-ARN 21/1566 tot en met BK-ARN 21/1569, op het hoger beroep van belanghebbende en het incidentele hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Gelderland (nrs. AWB 19/304 tot en met AWB 19/306 en AWB 19/4420) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2014 tot en met 2017 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting, de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente en de daarbij gegeven boetebeschikkingen.





1Geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.




2Beoordeling van de klachten
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).



3Overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure

3.1
In deze zaak heeft belanghebbende beroep in cassatie ingesteld op 16 februari 2024. Het tijdsverloop sindsdien tot het moment dat de Hoge Raad in deze zaak arrest wijst, levert wat de cassatieprocedure betreft een overschrijding op van de redelijke termijn met minder dan zes maanden.


3.2
Belanghebbende heeft niet verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. Wat betreft de bestreden naheffingsaanslagen en rentebeschikkingen kent de Hoge Raad daarom geen vergoeding van immateriële schade toe.


3.3
De opgelegde boeten belopen elk, na vermindering daarvan door het Hof, meer dan € 1.000. De Hoge Raad ziet om die reden aanleiding om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure gevolgen te verbinden en zal elk van de boeten zoals nader vastgesteld door het Hof, verder verminderen met 5 procent tot respectievelijk € 21.679 voor het jaar 2014, € 35.583 voor het jaar 2015, € 31.588 voor het jaar 2016, en € 22.168 voor het jaar 2017.




4Proceskosten
De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



5Beslissing

De Hoge Raad:
- verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
- vernietigt de uitspraak van het Hof, maar uitsluitend voor zover die betrekking heeft op de boeten, en
- vermindert de boeten voor de jaren 2014 tot en met 2017 tot respectievelijk € 21.679, € 35.583, € 31.588 en € 22.168.



Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 mei 2026.



ECLI:NL:GHARL:2024:230.


Vgl. HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1337, rechtsoverweging 5.2.


Vgl. HR 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191, rechtsoverweging 4.2.3.