Rechtbank Noord-Nederland
ECLI:NL:RBNNE:2026:2337
Inhoudsindicatie
Varia. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een boete aan eiseres vanwege handelen in strijd met de Arbeidstijdenwet (Atw). Eiseres is het niet eens met de hoogte van het boetebedrag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, zodat de boete moet worden gematigd. Maar voor het overige krijgt eiseres geen gelijk. Gelet op het ontbreken van concrete informatie over de financiële draagkracht van eiseres of de evenredigheid van het boetebedrag in bredere zin, bestaat er geen aanleiding om het boetebedrag op grond van evenredigheid verder te matigen, dan verweerder met het bestreden besluit al heeft gedaan. Van een financieel nijpende situatie bij eiseres is bovendien niet gebleken.
Citeert (1)
- ECLI:NL:HR:2008:BD0191 Hoge Raad 19-12-2008
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (10.151 tekens)
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 25/143
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juni 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, verweerder
(gemachtigde: Drs. S. Martis).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over het opleggen van een boete aan eiseres vanwege handelen in strijd met de Arbeidstijdenwet (Atw). Eiseres is het niet eens met de hoogte van het boetebedrag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de redelijke termijn van berechting is overschreden, zodat de boete moet worden gematigd. Maar voor het overige krijgt eiseres geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. In de bijlage staan wetsartikelen die in deze uitspraak van belang zijn.
Procesverloop
2. In haar hoedanigheid als eigenaar van een Chinees restaurant in Groningen, heeft verweerder heeft aan eiseres een boete van € 9.000, - opgelegd. Volgens hem heeft eiseres geen deugdelijke registratie van de arbeids- en rusttijden gevoerd, waardoor het voor de arbeidsinspecteur niet mogelijk was toezicht te houden op de naleving van de Atw.
2.1.
Tegen de oplegging van deze boete is bezwaar gemaakt door eiseres.
2.2.
Met het bestreden besluit van 28 november 2024 op het bezwaar van eiseres heeft verweerder de boete met 25% gematigd, naar 6.750,-.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 23 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres met haar zoon en tevens haar tolk, en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geding
3. Op de zitting wordt duidelijk dat het geschil tussen partijen alleen ziet op de hoogte van het boetebedrag. Bij de beoordeling van het beroep zal de rechtbank zich daarom tot dit geschil beperken.
Had verweerder de boete verder moeten matigen, dan hij heeft gedaan met het bestreden besluit?
4.1.
Eiseres vindt het gematigde boetebedrag van € 6.750,-. nog steeds onevenredig hoog, gelet op de bijzondere omstandigheden. Zij voert daartoe het volgende aan. Eiseres heeft gelijk haar fout erkend en er was geen sprake van opzet. Bovendien betrof het slechts een overtreding van enkele uren. Eiseres’ echtgenoot was de kok in het restaurant, maar hij moest stoppen vanwege zijn gezondheid en het bereiken van de pensioenleeftijd. Het restaurant is daardoor inmiddels gesloten. Door de hoge kosten van de afhandeling van de sluiting, hebben eiseres en haar man nu geen inkomsten meer en weinig eigen vermogen. Eiseres heeft weliswaar een betalingsregeling getroffen met verweerder, maar de maandelijkse termijn van € 300,- kan zij financieel niet dragen. Volgens eiseres had verweerder dan ook meer begrip kunnen tonen en meer kunnen matigen, dan hij heeft gedaan.
4.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gematigde boetebedrag niet te hoog is voor eiseres. Met het bestreden besluit heeft hij al rekening gehouden met de door eiseres aangevoerde omstandigheden, zodat de boete is gematigd met 25%. Omdat eiseres zich nu opnieuw beroept op betalingsonmacht, heeft verweerder in aanloop naar de zitting nader onderzoek gedaan naar de huidige financiële situatie van eiseres. Mogelijk kan er een aanleiding worden gevonden om de lopende betalingsregeling met eiseres te herzien. Maar met de stukken die zij heeft ingezonden, kan verweerder de geschetste financiële omstandigheden onvoldoende beoordelen en verifiëren. Op de zitting voegt hij hieraan toe dat de eiseres het volledige bedrag inmiddels al bijna heeft afgelost.
5. De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van eiseres niet slagen. Gelet op het ontbreken van concrete informatie over de financiële draagkracht van eiseres of de evenredigheid van het boetebedrag in bredere zin, bestaat er geen aanleiding om het boetebedrag op grond van evenredigheid verder te matigen, dan verweerder met het bestreden besluit al heeft gedaan. Van een financieel nijpende situatie bij eiseres is bovendien niet gebleken. Verweerder heeft zich daarom op het standpunt kunnen stellen dat hij met het matigen van de boete met 25%, al rekening heeft gehouden met omstandigheden die eiseres in beroep opnieuw heeft aangevoerd.
De redelijke termijn van berechting
6.1.
Volgens vaste rechtspraak geldt als uitgangspunt dat een totale lengte van de procedure van twee jaar redelijk is voor de beslechting van een geschil over een boete. De redelijke termijn begint met de boetekennisgeving, in dit geval op 16 januari 2024. Dat betekent dat de redelijke termijn eindigt op 16 januari 2026. De redelijke termijn is dus op het moment van deze uitspraak overschreden met bijna vijf maanden.
6.2.
Omdat de rechtbank van oordeel is dat er een overschrijding van de redelijke termijn heeft plaatsgevonden, moet de boete worden gematigd. Bij overschrijding van de redelijke termijn met minder dan een jaar wordt de boete in beginsel met 5% per half jaar gematigd. In dit geval heeft overschrijding van de redelijke termijn plaatsgevonden met een periode korter dan zes maanden, waardoor de boete met 5% moet worden gematigd. Dit betekent dat de rechtbank de boete zal matigen tot een bedrag van
€ 6.412,50.
Conclusie en gevolgen
7.1.
Het beroep van eiseres is gegrond vanwege de overschrijding van de redelijke termijn voor de berechting. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin de hoogte van de bestuurlijke boete is bepaald op € 6.750,-. De rechtbank laat het bestreden besluit voor het overige in stand.
7.2.
De rechtbank neemt nu zelf een beslissing en bepaalt dat de bestuurlijke boete wordt vastgesteld op € 6.412,50. Daarnaast ziet de rechtbank aanleiding om verweerder op te dragen het griffierecht aan eiseres te vergoeden. Zij zal overeenkomstig beslissen.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit voor wat betreft de hoogte van de opgelegde boete;
- herroept het primaire besluit voor wat betreft de hoogte van de opgelegde boete;
- bepaalt dat het bedrag van de opgelegde boete wordt vastgesteld op € 6.412,50.
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 194,- aan eiseres moet vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.W. de Jonge, rechter, in aanwezigheid van
K.D. Bosklopper griffier. Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet bestuursrecht
Artikel 3:4
(…)
2 De voor een of meer belanghebbenden nadelige gevolgen van een besluit mogen niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
Artikel 5:46
(…)
3 Indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, legt het bestuursorgaan niettemin een lagere bestuurlijke boete op indien de overtreder aannemelijk maakt dat de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is.
Artikel 8:72
1. Indien de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart, vernietigt hij het bestreden besluit geheel of gedeeltelijk.
2 De vernietiging van een besluit of een gedeelte van een besluit brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit of van het vernietigde gedeelte daarvan mee.
3 De bestuursrechter kan bepalen dat:
a. de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan geheel of gedeeltelijk in stand blijven, of
b. zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit of het vernietigde gedeelte daarvan.
Raadpleeg hiervoor de bepalingen in artikel 3:4, tweede lid, in samenhang met artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie het arrest met vindplaats ECLI:NL:HR:2008:BD0191.
Dit is met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb.